ECLI:NL:TGZRSHE:2026:18 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7402

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:18
Datum uitspraak: 28-01-2026
Datum publicatie: 28-01-2026
Zaaknummer(s): H2024/7402
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde ongegrond. Geen sprake van te zware sedatie van de patiënte, nalatigheid ten aanzien van het algemeen welzijn van patiënte wat betreft inname voeding, toedienen insuline en het wel/niet toedienen van andere medicijnen. Niet gebleken dat de specialist ouderengeneeskunde heeft geweigerd mee te werken aan klachten/verzoeken/bezwaren van familieleden of in bepaalde bewoordingen aan de familie heeft medegedeeld dat patiënte snel zou overlijden en dat de bemoeienissen van de familie haar overlijdensproces alleen maar bemoeilijkten.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 28 januari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],
specialist ouderengeneeskunde,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de specialist ouderengeneeskunde,
gemachtigde: mr. R.W. Janssen, werkzaam in Heerlen.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager klaagt over de behandeling van zijn moeder (hierna: patiënte) door verweerder tijdens 
haar verblijf in een verpleeghuis. Klager is van mening dat patiënte te zwaar is gesedeerd en dat 
verweerder nalatig heeft gehandeld op het gebied van het algemeen welzijn van patiënte. Ook wordt 
verweerder verweten dat hij heeft geweigerd mee te werken aan onder andere klachten en verzoeken 
van de familie en aan de familie heeft medegedeeld dat patiënte snel zou overlijden en dat 
bemoeienissen van de familie dit proces bemoeilijken.

1.2   Verweerder is van mening dat klager niet in zijn klacht kan worden ontvangen. Daarnaast is 
verweerder van mening dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

1.3   Het college is van oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht, maar dat de klacht 
ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 10 juli 2024;
-  het verweerschrift, ontvangen op 13 september 2024;
-  de brief van 1 oktober 2024 van de secretaris aan klager;
-  de brief van 8 oktober 2024, ontvangen van klager;
-  de brief van 4 november 2024, ontvangen van de gemachtigde van verweerder;
-  de brief van 22 november 2024 van de secretaris aan klager;
-  de brief van 5 december 2024 met bijlagen, ontvangen van klager;
-  de brief van 17 december 2024 van de secretaris aan klager;
-  de brief van 14 januari 2025 met bijlage, ontvangen van klager;
-  de brief van 23 januari 2025 van de gemachtigde van verweerder;
-  de brieven van 29 januari 2025 en van 7 februari 2025 van de secretaris aan beide partijen;
-  de brief van 12 juni 2025 van de secretaris aan klager;
-  de brief van 16 juni 2025, ontvangen van klager.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 december 2025. De partijen zijn verschenen. 
Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten mondeling 
toegelicht.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Patiënte, geboren in 1934, is op 4 april 2023, na een heupoperatie, opgenomen in het 
verpleeghuis, waar verweerder werkzaam is als specialist ouderengeneeskunde. Zij verbleef daar op 
de transferafdeling. Patiënte leed op dat moment al aan dementie.

3.2   Verweerder heeft op de dag van opname het volgende in het dossier van patiënte genoteerd 
(alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Vandaag opgenomen vanuit [het ziekenhuis] na heupfractuur links, waarvoor KHP
Pre-operatief uitvoerig gesproken over conservatief vs operatief infrijpen, waarbij familie 
pertinent operatief ingrijpen wenste.
Operatie onder voorwaarde van adequaat revalidatietraject (bij eerdere gelegenheid door familie mee 
naar huis genomen.
Operatie en postoperatieve beloop ongecompliceerd Interne gnk in consult voor instellen diabetes
Uwi waarvoor ciprofloxacine tot/met 5 april (overdracht), cotrimoxazol (recepten incontinentie 
letsel liezen waarvoor zinkoxide
In ziekenhuis beleid NTBR IC- beademing- (zoon geeft in verpleeghuyis aan wel reanimatie
te willen. Spreekt de verwachting uit dat moeder naar huis kan revalideren… Volgende week gesprek 
plannen”.

3.3   Patiënte heeft tijdens haar verblijf in het verpleeghuis vaak angst dan wel onrust ervaren. 
Door verschillende medewerkers is op onderstaande data het volgende genoteerd in het zorgdossier:

5 april 2023
“Mw. vanmorgen samen met collega verzorgd. Mw. dagelijks klysma gegeven, zonder resultaat. Mw. was 
angstig tijdens de zorg en gaf vaker aan dat ze dood wilt zijn, dit blijven observeren en 
rapporteren anders opzetten voor de arts.”

6 april 2023
“Mw. vanmorgen verzorgd met collega. Mw. geeft pijnklachten aan bij het draaien.
Morgenvroeg ZN oxycodon geven voor de verzorging.
Mw. Colex Klysma gegeven, mw. ervaart hier veel klachten van, opgezet voor de arts. Klysma gaf veel 
resultaat.
Mw. gaf meerdere keren aan een einde te willen maken aan het leven, zag het niet meer zitten.
Mw. een luistert oor geboden”.

8 april 2023
“mw. heeft vandaag lang geslapen.
was angstig tijdens de zorg.
sta functie was slecht ook in de actieve lift stond mw. niet goed.
lijkt angstig te zijn waardoor ze niet goed gaat staan op de benen. (…)”

“Mevr is heel erg onrustig tijdens het eten. Blijft herhalen dat ze dood wil en dat ze hier niet
wil zijn (…)”.

9 april 2023
“mw werd vanmorgen door 2 personen verzorgd, mw was een beetje angstig/onrustig tijdens de 
verzorging en was veel aan het schelden.”

10 april 2023
“Ik hoorde mw huilen op de gang. Mw was emotioneel en riep meerdere malen dat ze dood wilde. Even 
bij mw gaan zitten en een luisterend oor geboden. Mw is daarna weer terug gaan slapen”

3.4  Op 10 april 2023 is vanwege agitatie en agressie van patiënte door
de collega arts van verweerder haldol 1 mg voorgeschreven. In het zorgdossier is genoteerd:

“Mw heeft de hele avond dienst benoemd dat ze dood wilde, ze was met momenten zeer ge emotioneerd. 
Toen zoon bij haar was kalmeerde ze.
Mevr weigerde ook de warme maaltijd.
Mevr waS later in de avond zeer geaggiteerd naar personeel. Mevr schreeuwde over de afdeling . Bij 
aangeven dat medebewoners sliepen gaf mevr aan : dat boeit mij niet.
Ze wilde hier weg en zal wel naar huis lopen. Mevr op meerdere manieren proberen te benaderen maar 
alles werkt averechts. Ook mijn mede collega had geen inbreng bij haar. “Wij hadden niks over haar 
te zeggen, en ze zou ons voor onze bek slaan”. aldus mevr.

Mevr heeft mij in het gezicht geslagen en een x tegen mijn borst.
Omdat mevr niks op heeft staan qua onrust medicatie, heb ik in overleg met collega de achterwacht 
gebeld.
Mevr weigerde te gaan liggen en we kregen mevr met geen mogelijkheid terug in de stoel. Achterwacht 
gaf aan dat we haar zo nodig haldol mogen spuiten. Echter toen nachtdienst binnen kwam kalmeerde ze 
iets. Ze weigert te gaan liggen en zit nu op de bedrand, dit geaccepteerd, Val gevaar wel aanwezig.
Zou mevr onrustig blijven, heeft nachtdienst wel iets klaarliggen tegen onrust.”

3.5  Op 11 april 2023 heeft verweerder genoteerd:
“zeer onrustig in de avond
is het niet eens met opname en verblijf hier, verbaal verzet tegen opname/verblijf,geen pogingen om 
van de afdeling af te komen.
hele ochtend roepen, niet corrigeerbaar
weigert s’ avonds medicatie
zit in rolstoel met tafelblad
Begin 2023 val met os pubisfractuur links. Tegen advies uit ziekenhuis meegenomen door zoon
Thuis weer gevallen, nu collumfractuur rechts

Onrust begint ’s avonds voordat mw naar bed gaat
Om 19.30uur 1mg lorazepam geven Effect beoordelen
Donderdag evalueren”.

3.6 Op 26 april 2023 heeft verweerder genoteerd:
“wil s’ avonds niet naar bed verzorgd worden, reageert agresief op zorg terwijl ze wel naar
bed wil.
schreeuwt dan hele afdeling bij elkaar slaapmedicatie zal dit probleem niet oplossen heeft haldol 
zn 1 mg im max 3dd
heeft lorazepam zn 1 mg maar spuwt deze uit (…)”.

3.7 Op 28 april 2023 heeft verweerder de lorazepam verhoogd naar 3 maal daags 1 mg vast. Hij heeft 
genoteerd:
“heeft 4dd paracetamol Nu op zn zetten
Onrust, begint al in de ochtend IS gefixeerd op zoon
huilerig, emotioneel, geeft soms doodswens aan Psycholoog inschakelen
lorazepam 3dd1mg vast”.

3.8  Op 1 mei 2023 heeft verweerder genoteerd:
“gisterenavond eerste keer wat minder onrustig na straten van lorazepam.
Familie wenst gesprek, is het niet eens met medicatie. Vinden dat mw te vel gesedeerd wordt
Zoon tweemaal geprobeerd te bellen. Aanhoudend in gesprek.
Lorazepam 1 mg, 2dd1”.

“Dochter gebeld
Wil moeder naar huis halen binnen VPT
Heeft afspraken gemaakt met broer over wat er moet gebeuren. Zorgbemiddeling inschakelen zodat 
thuiszorg geregeld kan worden. Wordt door ZB opgepakt”.

3.9  Verweerder heeft op 15 mei 2023 genoteerd:
“Onrtust, schreeuwen, knijpen, slaan.
Heeft lorazepam tijdens medicatiemomenten 2dd1mg en zn haldol 1mg im max 3dd Rivastigmine 4,6mg 
pleister==> ophogen naar 9,5 mg 1dd
Familie staat negatief to medicatie, zou alleen maar sederend werken. thuisplaatsen kan niet, omdat 
thuiszorg niet de benodigde zorg kan bieden Advies bij onrust niet te lang wachten met zn medicatie
Gedrag werkt binnen [naam verpleeghuis] duidelijk verstorend op de andere bewoners. Past
wat dat betreft niet binnen kleinschaligheid. (…)

3.10  Op 22 mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen onder andere verweerder en de dochter 
en kleinzoon van patiënte. Verweerder heeft genoteerd:
“Uitleg over medicatie, reden is onrustig en agressief gedrag. Kan nu nog niet afgebouwd worden, 
maar wordt wel iedere keer opnieuw beoordeeld
Is in het ziekenhuis geopereerd, waarbij ze eigenlijk ingeschat werd als zijnde te zwak, Na 
overplaatsing naar [naam verpleeghuis] kortdurende opleving gehad, maar daarna weer verdere 
achteruitgang.
Reanimatiebeleid besproken, familie akkoord met NTBR(…)”.

3.11  Een leerling verzorgende heeft op 29 mei 2023 in het zorgdossier genoteerd:
“na de avondmaaltijd kwam de zoon van Mevr op bezoek. zoon gaf aan dat Mevr uit bed wilden. collega 
en ik gaven aan dat we een half uur geleden bij Mevr waren geweest en Mevr niet duidelijk kon 
aangeven of ze uit bed wilden of niet.
hierbij ook aangeven dat wij het een beter idee vonden om mevr te laten liggen aangezien ze moe was 
en niet aanspreekbaar was. dit omdat anders te veel moeite koste voor mevr om haar op korte duur 
uit bed halen en in bed leggen.
zoon had toch graag dat we haar uit bed haalde.
bij binnenkomst waren de dochter en kleinzoon van Mevr er ook. Tijdens de verzorging om uit bed te 
halen uitte mevr pijn en bij elke beweging riep ze ook van de pijn. dit
zag de familie ook daar dan besloten mevr in bed te laten liggen.

ook tijdens de verzorging probeerde Mevr de collega de slaan met een vuist.

de zoon vroeg hoe Mevr gegeten had. mijn collega gaf toen aan dat Mevr slecht gegeten had. hierbij 
gaf de zoon aan of het geen optie was om sondevoeding te overwegen. collega gaf aan niet te weten 
wat hier het beleid hier voor is en gaf aan dat hij dan contact op moest nemen met de arts.
de dochter had ook een vraag over de insuline aangezien mevr slechter eet. (…).”

3.12  Verweerder heeft op de volgende data genoteerd:
30 mei 2023
“Intake slecht
Dochter vraagt om controle glucose en evt afbouw insuline zoon vraagt naar mogelijkheden van 
sondevoeding controle glucose 17.00uur
meerwaarde van sondevoeding is er niet, mw gaat daardoor niet beter functioneren”.

2 juni 2023
“Ligt in bed, reageert nauwelijks
Eet slecht, bij de zorg 4 happen, bij dochter 10 happen.
Zoon geeft aan dat zij wel goed eet, brengt het bord iedere keer leeg terug. Vermoeden
bestaat dat zoon zelf het bord leeg eet wanneer hij zijn moeder helpt met eten.”

5 juni 2023
“medicatie-inname moeizaamvoeding en vochtintake minimaal (alleen wanneer zoon hier is kennelijk 
400-5ooml???)
Morgen nieuw lab (KNUK)
medicatie malen mag, alleen oxycodon niet malen.
Pregabaliner capsule open maken”

6 juni 2023
“dochter gebeld
Aangegeven dat de dietiste bij mw geweest is en akkoord gegeven heeft voor bijvoeding Dochter geeft 
an in te zien dat haar moeder in de laatste fase van haar leven zit en dat voeding voor haar niet 
veel zal tovoegen. Het gaat in deze meer om het gevoel bij de kinderen.
Akkoord bijvoeding
geem sondevoeding”.

12 juni 2023
“eet slecht
heeft nog insuline ryszodeg 16-8 IE
voor het weekend bij slechte intake nog normale suikers 6-15mmol/l controle bij twijfel,
indien geen intake inslulie oversleaan bij intake normaal spuiten
bij hypo verschijnselen controle

Geeft bij de zorg regelmatig aan dat ze niet uit bed wil. Familie vraagt wel dat ze uit bed gehaald 
wordt.
Gezien weerstand/afweer.weigering van mevrouw, zouden wij onvrijwilkige zorg toepassen, wanneer we 
haar tegen haar wil uit bed halen. (geen ernstig nadeel vergeleken met wanneer ze uit bed gehaald 
wordt).
Wanneer mw aangeeft dat ze niet uit bed wilt, rustig in bed laten liggen.
Geeft aan dat het goed geweest is, wil naar haar overleden man of naar haar moeder toe. Accepteren 
van bedrust, slechte intake./
Beleid richten op comfort”.

16 juni 2023
“Zie rapportage dochter dd 12-06:
Ik heb nooit bedoeld te zeggen dat mw niet uit bed mag of kan
Als mw aangeeft dat ze uit bed wilt, mag ze uiteraard gemobiliseerd worden.
Wanneer mw verzet toont tegen mobikiseren, mogen wij dat niet, omdat er dan sprake is van 
onvrijwillige zorg.
In principe geldt voor ieder handeling waartegen mw zich verzet, dat er dan sprake zou zijn van 
onvrijwillige zorg wanneer wij daar tegen in gaan.

Dochter vraagt of kalmeringsmiddelen afgebouwd.gestopt kunnen worden: Mw heeft lorazepam 2dd1mg en 
haldol zn 1mg im
Is-bij momenten onrustig
De indruk bestaat dat mw sterk reageert op prikkels, hoe meer prikkels, hoe meer prikels, des te 
meer onrust. Uit zich in verbale en soms fyieke agressie.
Verminderen van de lorazepam zal leiden tot meer overprikkeling en meer verbale onrust. Haldol 
wordt niet gegeven==>stop”.

“Dochter gebeld.
Is het niet eens met het feit dat de lorazepam niet gestopt is.
Uitgelegd dat mw bij momenten overprikkeld raakt en dan verbaal en fysiek agressief reageert.
Ik kan niet laten gebeuren dat medewerkers geslagen/geschopt en/of geknepen worden, ook niet als de 
bewoner dit niet bewust doet.
Wil vervolgens dat de pregabaline gestopt wordt, omdat dit niet samen met lorazepam gegeven zou 
mogen worden.
Interactie waarbij mogelijke versterking van lorazepam optreedt, wordt als mogelijk beschreven.
Akkoord met afbouwen pregabaline naar 2x50mg-2x25mg en observeren wat het effect is.

Dochter wijt sufheid volledig aan gebruikte medicatie en gaat totaal voorbij aan het 
gezondheidsbeeld van mw.
Is boos dat ik mw van de lijst van de [naam andere instelling] heb laten afhalen.
Uitleg over motivatie, waarbij achteruitrgang van de laatste weken overplaatsing overbodig zou 
maken, overplaatsen van patiënten die naar verwachting snel zullen overlijden “not-done” is.
Bij stabilisatie/herstel kan mw alsnog op de lijst gezet worden./
Dochter gaat uit van verzorging binnen [naam andere instelling] waarbij geen medicatie
tegen de onrust gebruikt zal worden.”

19 juni 2023
“Mw staat nog steeds op de lijst voor [naam andere instelling].”

3.13 Verweerder is daarna met vakantie gegaan en is verder niet betrokken geweest bij de zorg voor 
patiënte.

3.14 Een collega arts van verweerder heeft op 19 juni 2023 in het dossier van patiënte genoteerd:
“In consult gevraagd door collega [naam verweerder] om mee te kijken met casus (overplaatsing? 
Adviezen?)

Dossier bestudeerd en mondeling casus bespreken door collega [naam verweerder]

Adviezen:
-Door hoofdbehandelaar inschakelen paramedici:
* Psycholoog inschakelen voor bejegeningsadviezen en HAP
*Ergotherapeut laten meekijken voor problemen rondom ADL
-Medicatieadviezen:
> Haldol of risperidal volgens Verenso richtlijn agitatie/agressie bij dementie, titreren op 
geleide van gedrag.
> Lorazepam gelijktijdig afbouwen (…)”.

3.15  Patiënte is op 7 juli 2023 overgeplaatst naar een andere instelling (verzorgingshuis).

3.16  Op 25 juli 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij verweerder, zijn toenmalige manager 
en de familie van patiënte aanwezig waren. De familie heeft hierbij hun ontevreden over de gang van 
zaken geuit.

3.17  Patiënte is op ….. overleden.

4. De klacht en de reactie van de specialist ouderengeneeskunde
4.1  Klager verwijt verweerder:
a) dat hij patiënte te zwaar gesedeerd heeft;
b) nalatigheid ten aanzien van het algemeen welzijn van patiënte wat betreft haar inname van 
voeding, een periode van teveel toedienen van insuline, toediening van bepaalde medicijnen of het 
niet toedienen van bepaalde medicijnen;
c) het weigeren mee te werken aan klachten/verzoeken/bezwaren van familieleden;
d) het aan familieleden mededelen dat patiënte snel zou overlijden en dat de bemoeienissen van de 
familie haar overlijdensproces alleen maar bemoeilijkten.

4.2   Verweerder heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus 
niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat 
beoordelen, heeft hij het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Is klager ontvankelijk in zijn klacht?
5.1   In het tuchtrecht kan op grond van artikel 65 lid 1 en sub a van de Wet op de beroepen in de 
individuele gezondheidszorg (Wet BIG) worden geklaagd door een rechtstreeks belanghebbende. Daarbij 
geldt als uitgangspunt dat dit de patiënt zelf is, over wiens behandeling en verzorging de klacht 
gaat. In een situatie waarin de patiënt zelf niet (meer) in staat is een klacht in te dienen, 
bijvoorbeeld omdat hij niet (meer) in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen op dit punt 
behoorlijk waar te nemen, kan een naaste betrekking als rechtstreeks belanghebbende worden 
aangemerkt.

5.2   In dit geval is de patiënt de moeder van klager. De toetsing of klager klachtgerechtigd is 
als bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet BIG vindt plaats op het moment dat de klacht wordt 
ingediend. Klager stelt dat zijn moeder ten tijde van het indienen van de klacht wilsonbekwaam was. 
Verweerder betwist dat. Het college is van oordeel dat klager voldoende heeft onderbouwd dat zijn 
moeder ten tijde van het indienen van de klacht aan vergevorderde dementie leed en dat zij op dat 
moment niet meer in staat was om behoorlijk haar belangen waar te nemen ter zake het al dan niet 
indienen van deze tuchtklacht. Daarvoor is redengevend dat uit de door klager overgelegde 
CIZ-indicatie van 23 februari 2024 blijkt dat in 2017 de diagnose dementie is gesteld en dat op 23 
februari 2024 zorgzwaartepakket 7 aan patiënte is toegekend. Zorgzwaartepakket 7 is een indicatie 
die wordt toegekend aan mensen die vanwege een kwetsbare gezondheid en problemen met oriëntatie en 
geheugen meerdere keren per dag afhankelijk zijn van intensieve zorg en begeleiding. De indicatie 
is bedoeld voor mensen met ernstige (te vaak, te langdurig, te heftig of te weinig/apathisch) 
gedragsproblemen door bijvoorbeeld dementie. Het college heeft in het dossier geen aanknopingspunt 
gevonden op basis waarvan kan of moet worden geoordeeld dat zorgzwaartepakket 7 om een andere reden 
is toegekend dan (het vorderen van) de dementie. Integendeel, alle beschikbare informatie wijst 
erop dat dit juist vanwege de dementie is gebeurd. Daarnaast heeft klager een verklaring in het geding gebracht die op 7 oktober 2024, dus drie maanden ná indiening van de tuchtklacht, is afgegeven door de toenmalige 
behandelend arts van patiënte. In die verklaring is vermeld dat patiënte is opgenomen binnen de 
gesloten psychogeriatrie met vergevorderde dementie. Op basis van deze informatie, daterend van 
enkele maanden vóór en enkele maanden ná indiening van de tuchtklacht, staat genoegzaam vast dat 
patiënte op het moment van indiening daarvan niet meer in staat was haar wil op dit punt te 
bepalen. Het college volgt verweerder dan ook niet in zijn betoog dat patiënte op het moment van 
indiening van de klacht ter zake wel wilsbekwaam was.

5.3   In een geval zoals hier aan de orde, waarin er geen mentor of andere wettelijke 
vertegenwoordiger is die namens de wilsonbekwame patiënt een klacht kan indienen, wordt voor het 
klachtrecht aansluiting gezocht bij artikel 7:465 lid 3 BW, om te voorkomen dat de patiënt niet de 
mogelijkheid heeft om de aan hem toekomende rechten te handhaven althans om te voorkomen dat deze 
niet namens de patiënt kunnen worden gehandhaafd. Het recht van een naaste betrekking om een klacht 
in te dienen ten aanzien van een medische behandeling van een wilsonbekwame patiënt berust niet op 
een eigen klachtrecht van de naaste, maar op een klachtrecht dat is afgeleid van de in het algemeen 
veronderstelde wil van de patiënt. Als de patiënt een levensgezel had, is deze klachtgerechtigd en 
als deze ontbreekt dan is een ouder, kind, broer, zus, grootouder of kleinkind van de patiënt 
klachtgerechtigd.

5.4   In deze zaak staat vast dat er op het moment van indiening van de tuchtklacht geen wettelijke 
vertegenwoordiger was. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat ten onrechte in het 
dossier is genoteerd dat patiënte haar dochter (de zus van klager) als zodanig had aangewezen. Dat 
betekent dat de zoon in beginsel namens zijn moeder een klacht kan indienen. Het enkele feit dat 
klager niet de eerste contactpersoon van moeder was maar zijn zus, maakt dit niet anders. De zus 
heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bovendien gezegd dat zij de indiening van de 
tuchtklacht ondersteunt. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan desondanks anders moet worden 
geoordeeld over de ontvankelijkheid van klager, zijn niet gesteld of gebleken.

5.5   Het voorgaande betekent dat klager ontvankelijk is in zijn klacht. Het college zal de klacht 
daarom verder inhoudelijk bespreken en beoordelen.

De criteria voor de beoordeling
5.6  De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende specialist ouderengeneeskunde. Bij de 
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd 
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) te zware sedatie patiënte
5.7   Klager stelt dat patiënte tijdens haar verblijf in het verpleeghuis te zwaar gesedeerd is, 
met als gevolg dat zij op een gegeven moment niet meer kon eten, praten, bewegen of wakker kon 
blijven. Verweerder bestrijdt dat. Hij voert daartoe aan dat hij op 11 april 2023 1 maal daags 1 
mg. Lorazepam heeft voorgeschreven naar aanleiding van doodswensen, aanhoudende angstklachten en 
het aanhoudende geagiteerde gedrag van patiënte. Op 28 april 2023 is deze dosering tijdelijk 
verhoogd naar 3 maal daags 1 mg. Lorazepam vanwege toenemende onrust bij patiënte en vanaf 1 mei 
2023 is de dosering op verzoek van de familie verlaagd naar 2 maal daags 1 mg. De dosering 
Lorazepam was in overeenstemming met de richtlijn ‘Probleemgedrag bij mensen met dementie’. Het 
getoonde gedrag met agressie naar medewerkers en medebewoners rechtvaardigde volgens verweerder de 
relatief hoge dosering. Haldol is alleen gegeven wanneer de Lorazepam niet ingenomen werd. 
Daarnaast is ook Pregabaline toegediend. Pregabaline was echter al voorgeschreven voorafgaand aan 
de opname in het verpleeghuis en mag samen met Lorazepam worden gegeven. De voorgeschreven 
medicatie is in overeenstemming met de geldende richtlijnen, volgens verweerder.

5.8   Het college is van oordeel dat verweerder binnen de grenzen van een redelijk bekwame 
beroepsuitoefening is gebleven bij de behandeling van patiënte. Uit het door klager overgelegde 
zorgdossier, waarin de begeleiding van dag tot dag rapporteert over hoe het met patiënte gaat, 
blijkt niet dat zij te zwaar gesedeerd was. Uit het dossier blijkt heel duidelijk dat patiënte vaak 
angstig, onrustig en agressief was. Het besluit om hiervoor medicatie voor te schrijven is op 
zichzelf navolgbaar. Dit geldt ook voor het verhogen van de dosering. Uit het dossier blijkt 
namelijk dat de in eerste instantie gegeven dosering Lorazepam niet afdoende was. Naast momenten 
waarop patiënte zich beter voelde, vriendelijk was en van haar kamer kwam, waren er ook nog heel 
geregeld momenten waarop zij angstig, onrustig, opstandig en agressief was jegens medewerkers. Het 
is navolgbaar dat verweerder daarom besloot de dosering van de Lorazepam te verhogen. Het feit dat 
de patiënte naast de Lorazepam ook Pregabaline kreeg staat daaraan niet in de weg. Het is juist dat 
Pregabaline het effect van Lorazepam kan versterken, maar verweerder heeft aangevoerd dat er geen 
signalen of aanwijzingen waren dat dat in dit geval aan de orde was. Klager heeft geen feiten of 
omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan kan of moet worden geoordeeld dat de 
Pregabaline het effect van de Lorazepam wel versterkte. Het dossier biedt daarvoor ook geen 
aanknopingspunt. De Lorazepam is overigens niet in combinatie met Haldol toegediend, zodat ook op 
basis hiervan niet kan worden gezegd dat patiënte te zwaar is gesedeerd. Dat haar gedrag in het 
verpleeghuis niet overeenstemde met het gedrag dat patiënte thuis vertoonde, zoals klager stelt, 
kan zo zijn, maar het gedrag zoals zij dat in het verpleeghuis vertoonde, maakte dat daarop beleid 
moest worden gevoerd. Het college kan zich voorstellen dat het voor klager moeilijk zal zijn 
geweest om te zien dat zijn moeder geregeld (veel) minder alert en zelfs “versuft” was door de 
medicatie. Van een te zware sedatie was in de gegeven omstandigheden echter geen sprake. Dit 
klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel b) nalatigheid ten opzichte van het algemeen welzijn van patiënte
5.9   Klager stelt dat patiënte niet meer kon eten, omdat zij te zwaar gesedeerd werd en daardoor 
afviel. Toch werd de hoeveelheid insuline niet aangepast. Ook duurde het volgens klager lang 
voordat patiënte bijvoeding kreeg en verder is de bloeddrukmedicatie
volgens klager niet aangepast. Verweerder erkent dat de voedselinname van patiënte soms niet goed 
was, maar betwist dat dit door de medicatie komt. Verweerder betoogt dat hij een en ander goed 
heeft laten monitoren en dat hij ook een diëtiste heeft ingeschakeld, waarna patiënte bijvoeding is 
aangeboden. Verder lieten de bloedsuikercontroles waarden zien die binnen het normale bereik lagen, 
zodat geen reden bestond voor aanpassing, volgens verweerder.

5.10  Ook met betrekking tot deze klacht is het college van oordeel dat verweerder niet 
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit het zorgdossier blijkt dat geen sprake is geweest 
van niet kunnen eten, maar van niet willen eten. In het dossier is immers geregeld genoteerd dat 
patiënte haar mond dicht hield of op een andere manier duidelijk maakte dat ze niet dan wel niet 
meer dan een paar happen, wilde eten. Omdat haar beperkte voedselinname daartoe aanleiding gaf, is 
een diëtiste ingeschakeld. Op advies van de diëtiste is bijvoeding aangeboden. Het inschakelen van 
de diëtiste had mogelijk eerder – en proactief in plaats van naar aanleiding van signalen van 
familieleden – kunnen plaatsvinden, maar de diëtiste is niet zodanig laat ingeschakeld dat 
verweerder hiervan een tuchtrechtelijk verwijt moet worden gemaakt.

5.11  Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager toegelicht dat hij het met name heel kwalijk 
vindt dat vóórdat de diëtiste is ingeschakeld een van de zorgmedewerkers een flesje drinkvoeding 
aan patiënte heeft aangeboden en dat een andere medewerker dit flesje weer heeft weggenomen, met de 
mededeling dat het “te duur” zou zijn. Als dit zo is gegaan, dan kan dat verweerder echter niet 
tuchtrechtelijk worden verweten. Verweerder kan alleen een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt 
als hij zelf iets heeft gedaan of niet heeft gedaan. Dat is hier niet aan de orde.

5.12  Ten slotte is de keuze van verweerder om in dit geval geen sondevoeding te geven, gezien de 
gezondheidstoestand van patiënte goed verdedigbaar. Voor de insuline geldt dat regelmatig controles 
hebben plaatsgevonden van de bloedsuikerwaarden. Uit het dossier blijkt dat verweerder op momenten 
waarop de voedselinname heel beperkt of nihil was steeds heeft afgewogen of en zo ja welke 
hoeveelheid insuline moest worden toegediend. De hoeveelheid insuline is blijkens het dossier 
vervolgens een aantal keer aangepast. Ook is blijkens het dossier soms helemaal geen insuline 
toegediend, omdat de patiënte niet gegeten had. Hoewel patiënte tijdens haar verblijf in het 
verpleeghuis veel is afgevallen, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat zij te 
veel insuline kreeg toegediend in verhouding tot haar gewicht. Ook overigens kan niet uit het 
dossier worden afgeleid dat patiënte klachten had die noopten tot structurele aanpassing van de 
dosering insuline. Voor de bloeddrukmedicatie geldt hetzelfde. Deze is inderdaad niet aangepast, 
maar de gezondheidstoestand van patiënte zoals deze uit het dossier blijkt, gaf ook geen aanleiding 
daartoe. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c) weigeren mee te werken aan klachten/verzoeken/bezwaren van familie
5.13  Het college is van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat verweerder geweigerd heeft om 
te handelen naar aanleiding van de klachten, verzoeken en bezwaren van de familie. Verweerder heeft 
regelmatig met de familie gesproken, hij heeft vragen beantwoord en hij heeft uitgelegd waarom de 
toediening van rustgevende medicatie nodig was. De medicatie is op enig moment ook op verzoek van 
de familie verlaagd. Verder is op verzoek van de familie bloedsuiker geprikt, een diëtiste 
ingeschakeld en bijvoeding aangeboden. Ook de bloeddruk is met enige regelmaat gecontroleerd. Bij 
deze stand van zaken kan niet worden volgehouden dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd om 
gehoor te geven aan wensen en/of verzoeken van de familie.

5.14  Daarmee is het college van oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel d) aan familie mededelen dat patiënte snel zou overlijden en dat de bemoeienissen 
van de familie haar overlijdensproces alleen maar bemoeilijkten.
5.15  Verweerder erkent te hebben gezegd dat het overlijden van de patiënte op korte termijn zou 
kunnen volgen, wanneer het niet zou lukken om een ommekeer te bereiken in haar voedingsinname. Hij 
ontkent deze mededeling te hebben geformuleerd op de wijze zoals in het klaagschrift is vermeld.

5.16  Gelet op de gezondheid van patiënte zoals deze uit het dossier naar voren komt, is alleszins 
begrijpelijk dat verweerder vanuit zijn kennis en expertise met de familie heeft besproken dat de 
situatie van de patiënte kritiek was en dat zij mogelijk op korte termijn zou overlijden. Het 
college kan niet vaststellen dat verweerder de door klager gestelde bewoordingen heeft gebruikt. 
Dat blijkt namelijk niet uit het dossier en klager heeft ook overigens niet onderbouwd dat 
verweerder deze uitlating heeft gedaan. Dit betekent niet dat het college meer geloof hecht aan het 
relaas van verweerder dan aan de woorden van klager, maar om een oordeel te kunnen geven over het 
handelen van verweerder, moet het college wel kunnen vaststellen dat verweerder de gestelde 
uitlating daadwerkelijk heeft gedaan. Aangezien het college dat niet heeft kunnen vaststellen, kan 
alleen al hierom niet worden geoordeeld dat verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar 
heeft gehandeld.

Slotsom
5.17  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door R.T. Hermans, voorzitter, N.H.J. Lafghani, lid-jurist,
S.J.H. Duffels, A.H. van Pagee en M.H. van de Merwe, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. 
Karatepe, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 28 januari 2026.