ECLI:NL:TGZRSHE:2026:16 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7934
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7934 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen psychiater. Rijgeschiktheidskeuring in verband met leeftijd van 75 jaar. Psychiater adviseert CBR om klager ongeschikt te verklaren vanwege alcoholmisbruik. Klager klaagt over onzorgvuldig en ondeskundig onderzoek. Richtlijn alcoholmisbruik in het kader van rijgeschiktheidskeuringen. Laboratoriumwaarden CDT en GGT. Regeling eisen geschiktheid 2000. Onderzoek is volgens de voorgeschreven werkwijze uitgevoerd. |
1
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 21 januari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
psychiater
destijds werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de psychiater.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager wilde in 2023 zijn rijbewijs verlengen. Gelet op zijn leeftijd van
(destijds) 75 jaar
diende eerst een medische keuring plaats te vinden. In opdracht van het Centraal
Bureau
Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) verrichtte de psychiater medisch en psychiatrisch
onderzoek
naar de rijgeschiktheid van klager. In zijn rapportage overwoog de psychiater dat
er aanwijzingen
waren gevonden tot het stellen van de diagnose alcoholmisbruik. Om die reden adviseerde
hij het CBR
om klager ongeschikt te verklaren. Het rijbewijs van klager werd door het CBR vervolgens
niet
verlengd. Klager verwijt de psychiater - kort gezegd - onzorgvuldig en ondeskundig
onderzoek.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 16 december 2024;
- de brief van klager, ontvangen op 22 januari 2025;
- de brief van 29 januari 2025 van de secretaris aan klager;
- de brief van 2 februari 2025 met bijlage, ontvangen van klager;
- het verweerschrift, ontvangen op 4 maart 2025;
- de brief van 26 maart 2025 met bijlagen, ontvangen van klager;
- aanvullende bewijsstukken, ontvangen van verweerder op 24 april 2025;
- het proces-verbaal van het op 6 mei 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 In het kader van een rijgeschiktheidsonderzoek voor het CBR, werd klager op
22 december 2023 door de psychiater medisch en psychiatrisch onderzocht. Er vond
ook bloedonderzoek
plaats. Daarbij werden de volgende laboratoriumwaarden vastgesteld: CDT: 3,7%
(de norm is: <
2,0%)
Gamma-GT: 897 U/L (de norm is: < 68 U/L)
3.2 Van het onderzoek is een rapport opgemaakt. Hierin vermeldt de psychiater onder
meer (alle
citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven):
“ Aanleiding
Bij betrokkene is polyneuropathie gevonden en thiamine gebruik, overmatig alcohol
gebruik in de
voorgeschiedenis en om deze reden moet patiënt gekeurd worden.
Anamnese
Voorgeschiedenis: 1x in 2016 met 2 glazen wijn op gereden en toen net boven grens
van wat is
toegestaan gereden en een boete gekregen.
Reden van gebruik/huidig gebruik: drinkt ’s avonds 2-3EH (bier 12% halve liters
2-3EH) laatste 2
maanden, dronk daarvoor 1-2 biertjes per avond. Dronk al vanaf jeugd halve liter
wijn per dag,
nooit opgenomen geweest voor alcohol afhankelijkheid, slaat soms 1 dag over.
Beschouwing
(…) het alcoholgebruik is 2-3EH van 12% bier halve liters per avond (…)
Overwegingen met betrekking tot alcoholdiagnostiek: er worden aanwijzingen gevonden
tot het stellen
van de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin. Op grond van voorwaarden uit de regeling
eisen
geschiktheid 2000 conform paragraaf 8.8 kom ik tot het volgende advies: ongeschikt
voor beide
categorieën met een termijnbeperking van 1 jaar.
Overweging met betrekking tot psychiatrische comorbiditeit: In diagnostische termen
is geen
sprake van relevante psychiatrische problematiek.”
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt de psychiater dat hij onzorgvuldig en ondeskundig heeft gehandeld
omdat hij:
a) zijn advies aan het CBR om klagers rijbewijs niet te verlengen heeft gebaseerd
op nietszeggende
bloedparameters, CDT en Gamma-GT (hierna: GGT) waarden;
b) geen enkele beschikbare betrouwbare/gevalideerde test voor rijgeschiktheid heeft
gebruikt ter
onderbouwing van zijn diagnose.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden, waaronder de Richtlijn ‘Alcoholmisbruik in het kader
van rijgeschiktheidskeuringen’ van de Federatie Medisch Specialisten (hierna: de
richtlijn) en
de Wettelijke regeling ‘Regeling eisen geschiktheid 2000’ (hierna: de regeling).
5.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Uitleg
Klachtonderdelen a) nietszeggende bloedparameters als basis voor het advies en b)
geen betrouwbare
test voor rijgeschiktheid gebruikt
5.3 Aangezien beide klachtonderdelen betrekking hebben op de wijze waarop het
onderzoek is
uitgevoerd, zullen ze gezamenlijk worden besproken. Klager stelt allereerst dat
CDT en GGT
bloedwaarden indirecte voorspellers van rijgeschiktheid zijn, omdat ze niet direct
meten of iemand
in staat is om veilig te rijden; ze geven slechts inzicht in risicofactoren. In
het verlengde
daarvan stelt klager dat de psychiater geen betrouwbare test voor rijgeschiktheid
heeft gebruikt.
Volgens klager moet een zorgvuldige en verantwoorde diagnose gebaseerd zijn op het
vaststellen van
eventuele psychiatrische stoornissen. De psychiater heeft geen gebruik gemaakt van
de criteria voor
alcoholmisbruik zoals vermeld in de DSM-5. Klager meent dat de psychiater de volgende
belangrijkste
voorspellers van rijgeschiktheid had moeten gebruiken: a) cognitieve functies, b)
visuele functies,
c) motorische vaardigheden, d) medicatie en medische aandoeningen en e) psychosociale
factoren.
Daarnaast zou de psychiater door middel van een gesprek en observatie het bewustzijn,
aandacht en
concentratie moeten toetsen. Ook zou de psychiater het beoordelingsvermogen, de
denkprocessen en
het gedrag moeten beoordelen. De psychiater zou ook kunnen beoordelen of de betrokkene
in staat is
om verantwoordelijkheid te nemen in het verkeer. Dat alles vindt klager niet terug
in de rapportage
van de psychiater.
5.4 De psychiater voert aan dat zijn onderzoek conform de geldende richtlijnen
is uitgevoerd. Allereerst stelt de psychiater zich op het standpunt dat de labwaarden
CDT en GGT
zeer betrouwbare factoren zijn om na te gaan of er sprake is van misbruik van alcohol.
De
combinatie van de CDT en GGT verhoogt de diagnostische nauwkeurigheid. De psychiater
stelt verder
dat het keuringsrapport weliswaar summier is, maar dat de kern van zijn beoordeling
en de
onderliggende medische feiten voldoende waren om tot een goed onderbouwde conclusie
te komen. Hij staat achter het advies dat hij heeft gegeven. De vastgestelde laboratoriumwaarden,
het langdurige alcoholgebruik en de somatische consequenties van dit gebruik vormden
een objectieve basis voor de conclusie van ongeschiktheid. De psychiater heeft de
DSM-5 niet in zijn onderzoek meegenomen, omdat er al sprake was van genoeg punten
die wijzen op
alcoholmisbruik. Het gebruik van de DSM-5 is ook niet vereist om dit misbruik te
kunnen
vaststellen. Bovendien gaat het onderzoek niet om het stellen van een diagnose.
De vraag was of er
sprake was van alcoholmisbruik.
5.5 Het college oordeelt als volgt. Wat het laboratoriumonderzoek naar alcoholmisbruik
in het
kader van rijgeschiktheidskeuringen betreft, stelt de richtlijn dat CDT en - in
mindere mate - GGT
de meest geschikte laboratoriumparameters zijn. CDT is geschikt om met hoge mate
van zekerheid
alcoholmisbruik aan te tonen; het meten van GGT draagt bij aan het opsporen van
alcoholmisbruik.
Als beslisgrenzen (afkappunten) noemt de richtlijn een CDT-uitslag van >2,0% en
een GGT-uitslag van
>68U/L. De bij klager vastgestelde bloedwaarden geven een hoge overschrijding van
de genoemde
beslisgrenzen aan: bij klager is de CDT-waarde 3,7% en de GGT-waarde 897 U/L. Het
college twijfelt
niet aan de betrouwbaarheid van de diagnostische waarde van CDT en GGT. Deze waarden,
in samenhang
bezien met hetgeen klager over zijn alcoholgebruik heeft aangegeven bij de anamnese,
maakt dat de
psychiater op goede gronden tot de conclusie van alcoholmisbruik heeft kunnen en
mogen komen.
5.6 Anders dan klager meent, zijn onderzoeken naar de rijgeschiktheid - zoals
het testen van cognitieve functies, visuele functies en motorische vaardigheden
- dan ook niet meer
aan de orde. Zodra vaststaat dat sprake is van alcoholmisbruik, zoals in het geval
van klager, is
daarmee de rijongeschiktheid een feit. Het college verwijst hiervoor naar de artikelen
8.8 en 8.9
van de regeling die over misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
gaan. Daarin
is onder meer, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“ Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.
(…)
Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die
het
gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid. (…)
Het regelmatig gebruik maken van psychoactieve middelen in dusdanige hoeveelheden
dat het rijgedrag
daardoor ongunstig wordt beïnvloed, valt mede onder het begrip misbruik van psychoactieve
middelen
(…)”.
De psychiater kon dan ook geen ander advies geven dan klager ongeschikt te verklaren.
5.7 Het college is van oordeel dat de psychiater zijn onderzoek volgens de voorgeschreven
werkwijze heeft uitgevoerd en dat, gelet op de bevindingen uit dat onderzoek, de
conclusie van de
psychiater navolgbaar is.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 21 januari 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk,
voorzitter, H.J. de Boer en L.A.J. Stouthamer-Verschuren, leden-
beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris.