ECLI:NL:TGZRSHE:2026:15 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7767
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:15 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7767 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen psychiater. In verband met een gedwongen opname klaagt patiënte over schending van privacy wetgeving en een onterechte opname. Psychiater handelde in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en gemaakte afspraken. De verplichte zorg voldeed aan de criteria van subsidiariteit, proportionaliteit, doelmatigheid en veiligheid. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 21 januari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
psychiater
werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: de psychiater, gemachtigde: mr. D. Zwartjens, werkzaam
in Leiden.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 In verband met psychische problematiek van klaagster vond behandeling en begeleiding
plaats
bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (hierna: de instelling). De
psychiater,
werkzaam bij de instelling, was als ambulant psychiater bij de behandeling van klaagster
betrokken.
Op 25 september 2024 werd klaagster gedwongen opgenomen bij de instelling. Klaagster
verwijt de
psychiater dat zij de privacy-wetgeving niet heeft nageleefd, dat er sprake was
van een onterechte
gedwongen opname en dat ten onrechte een dubbele dosis medicatie was toegediend.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster in één klachtonderdeel niet-ontvankelijk
is en
dat de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn. ‘Kennelijk’ betekent dat
het niet nodig
is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet
gegrond kan
worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen 31 oktober 2024;
- de USB-stick, behorende bij het klaagschrift;
- de brief van 19 november 2024 van de secretaris aan klaagster;
- de brief met bijlage, ontvangen van klaagster op 19 december 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 13 maart 2025;
- de brief van 1 april 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
- de brief van 4 april 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
- de brieven van 14 april 2025 van de gemachtigde van verweerster;
- de brief van 1 mei 2025 van de secretaris aan klaagster, waarop geen reactie is
ontvangen;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 23 juni 2025;
- de brief van 14 augustus 2025 van de secretaris aan klaagster.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster (geboren in 1987) heeft een langdurig verleden met psychische problematiek.
Vanaf
eind 2019 raakte de instelling bij de behandeling van klaagster betrokken. Naast
periodes van
ambulante begeleiding, waren er ook periodes waarbij klaagster - al dan niet gedwongen-
was
opgenomen.
3.2 Op 11 april 2023 werd in samenspraak met klaagster een crisispreventie-actieplan
(hierna:
cpap) opgesteld dat op 30 november 2023 werd geëvalueerd. Hierin staan de ouders/de
moeder van
klaagster als contactpersoon vermeld. Onder het kopje ‘Wat kunnen anderen doen (ernstig)’
staat
onder meer (alle citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven): “Als
het gebiedsteam
zich zorgen maakt, mag er contact worden opgenomen met mijn ouders om dit te checken.
Ik heb hier
expliciet toestemming voor gegeven, wetende dat ik dit ten tijde van ontregeling
niet meer wil.”
3.3 Op 4 december 2023 verleende de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van
één jaar. De
rechtbank bepaalde dat ambulant kon worden gestart met enkele vormen van verplichte
zorg. Voor het
moment dat de ambulant te verlenen verplichte zorg niet meer voldoende zou zijn
om ernstig nadeel
af te wenden, bepaalde de rechtbank dat ook andere vormen van verplichte zorg konden
worden
toegepast, waaronder een opname.
3.4 Naar aanleiding van ontwikkelingen in de situatie van klaagster vond op 5 augustus
2024
overleg met de geneesheer-directeur plaats. In het dossier staat het volgende vermeld:
“Pte is uit contact, woedende mails met grove bewoording en bedreigingen naar ouders.
We kunnen zo
niet monitoren of het verder escaleert en of pte toch onderliggend psychotisch ontregelt.
=> art 8.9 voor verplicht contact en voor orale medicatie omdat de verwachting is
dat aripiprazol
helpt in grip krijgen op impulsen. Dit is akkoord.
Als pte niet naar de afspr van wo komt en contact verder afhoudt dan art 8.9 ook
voor opname, omdat
ambulant dan niet meer lukt. Ook deze stap is akkoord.
Pte heeft de indruk dat we ouders over alles inlichten, wat niet zo is. In cpap
wel dat we contact
mogen zoeken, maar nu wil pte dat niet.
Voor nu dan summier houden in de zin dat we de nodige stappen nemen, maar inhoudelijk
geen info.
Als het tot opname komt, dan wel ouders als wettelijke vertegenwoordigers informeren,
omdat pte
niemand anders heeft ingesteld. Verder mogen ouders ons wel informeren.”
Deze beslissing werd diezelfde dag aan klaagster kenbaar gemaakt.
3.5 Op 19 september 2024 was er over de situatie van klaagster opnieuw overleg
met de
geneesheer-directeur. In de dossieraantekeningen staat hierover vermeld:
“(…) Speedgebruik ontkent pte sinds enige tijd, maar er is wel sprake van zeer nare
en grove mails
en appjes naar ouders en naar het gbt wat samen lijkt te hangen met angst dat we
contact zouden
onderhouden met ouders tegen de wil van pte. (…) Ongeveer 6 weken geleden is een
8.9 uitgereikt
voor medicatie en contact, even kwam er ook weer contact, maar vervolgens brak pte
dat weer af.
Sinds 4 weken wordt pte gemotiveerd tot contact, ook op haar voorwaarden (bij vermoeden
van angst
voor opname), maar lukt dat niet. (…) Pte laat het op geen enkele manier monitoren,
waar we volgens
de ZM wel toe verplicht zijn en er blijft zo niets anders dan een opname in te zetten
om in gesprek
te raken en te kunnen monitoren hoe het gaat, bij vermoeden van ontregeling. Volgende
stap is
uitnodigen op CD voor gesprek, wel met 8.9 voor opname, indien blijkt dat opname
niet in proportie
is, zal dit alsnog niet worden ingezet.”
3.6 Op 25 september 2024 werd overgegaan tot een verplichte opname, waarvoor politie
assistentie
nodig was. Met deze opname eindigde de betrokkenheid van verweerster bij de behandeling
van
klaagster.
3.7 Op 27 september 2024 ontving klaagster depotmedicatie: 2 doses aripiprazol 400mg.
3.8 De opname eindigde op 2 oktober 2024, nadat klaagster geoorloofd van de afdeling
vertrok,
maar niet terugkeerde.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klaagster verwijt de psychiater:
a) het niet naleven van de privacy wetgeving inzake het contacteren van haar moeder;
b) een onterechte gedwongen opname;
c) een onterechte dubbele dosis medicatie, nadat deze was afgebouwd;
d) het twee keer het werk kwijtraken en het verliezen van sociale contacten.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Uitleg
Klachtonderdeel a) niet naleven privacy wetgeving
5.3 Klaagster stelt dat tegen haar wil contact met haar moeder is opgenomen. Hoewel
haar moeder
in het verleden de eerste contactpersoon is geweest, wilde klaagster dat op een
zeker moment niet
meer en heeft zij maandenlang aan de instelling gevraagd om dat te wijzigen. Desondanks
is de
moeder door de psychiater geïnformeerd over de opname.
5.4 De psychiater stelt zich op het standpunt dat in geval van een gedwongen opname,
de
instelling op grond van de Wvggz (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg) gehouden
is de
contactpersoon te informeren. Omdat de moeder van klaagster in het dossier als eerste
contactpersoon stond vermeld, diende de moeder te worden geïnformeerd over de opname.
5.5 Het college oordeelt als volgt. Vaststaat dat tijdens het huisbezoek op 25 september
2024 de
psychiater klaagster als wilsonbekwaam ter zake haar benodigde psychiatrische behandeling
heeft
beoordeeld. In geval van wilsonbekwaamheid van een meerderjarige patiënt dient een
hulpverlener, op
grond van artikel 7:465 Burgerlijk Wetboek (BW), zijn verplichtingen na te komen
jegens de
wettelijke vertegenwoordiger van de patiënt. Klaagster had op dat moment echter
geen mentor of
curator, noch een schriftelijke gemachtigde. Derhalve was de instelling verplicht
de contactpersoon
van patiënte op de hoogte te stellen waar de patiënte gedwongen was opgenomen. Vaststaat
dat de
moeder van klaagster als contactpersoon in het dossier stond vermeld. In dat verband
wijst het
college ook op het crisispreventie-actieplan, dat in samenspraak met klaagster is
opgesteld. Daarin
heeft klaagster expliciet toestemming gegeven om de moeder te contacteren: “Als
het gebiedsteam
zich zorgen maakt, mag er contact worden opgenomen met mijn ouders om dit te checken.
Ik heb hier
expliciet toestemming voor gegeven, wetende dat ik dit ten tijde van ontregeling
niet meer wil.” De
psychiater heeft dan ook gehandeld zowel in overeenstemming met de wettelijke bepalingen
als met de
gemaakte afspraken. Dat betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel b) onterechte gedwongen opname
5.6 Klaagster stelt dat de gedwongen opname onterecht was. De psychiater stelt
zich op het
standpunt dat de opname noodzakelijk, proportioneel, subsidiair en doelmatig was
(artikel 3:3
Wvggz).
5.7 Het college oordeelt als volgt. Vaststaat dat de rechtbank op 4 december 2023
een
zorgmachtiging verleende voor de duur van een jaar. De rechtbank bepaalde dat ambulant
kon worden
gestart met enkele vormen van verplichte zorg. Voor het moment dat de ambulante
verplichte zorg
niet meer voldoende zou zijn, konden ook andere vormen van verplichte zorg worden
toegepast. Uit
het dossier volgt dat het gebiedsteam vanaf het moment waarop de zorgmachtiging
was verleend, ruim
de tijd nam om met klaagster in contact te komen en daarnaast ook steeds bereid
was klaagster
tegemoet te komen. Ondanks alle zorg en aandacht voor de psychische problematiek
van klaagster,
ging het steeds minder goed met klaagster. Dat uiteindelijk op 25 september 2024
de beslissing tot
gedwongen opname volgde, is naar het oordeel van het college een navolgbaar en logisch
gevolg van
de gebeurtenissen die in de loop van voorafgaande maanden plaatsvonden. Er was op
dat moment sprake
van ernstig nadeel in de zin van de Wvggz, veroorzaakt door de stoornis van klaagster,
waarvoor
gedwongen ingrijpen noodzakelijk was. Het college stelt vast dat aan de voorwaarden
voor het mogen
toepassen van verplichte zorg was voldaan. De verplichte zorg voldeed aan de criteria
van
subsidiariteit, proportionaliteit, doelmatigheid en veiligheid. Dat het een aantal
dagen later
beter met klaagster ging, geeft ook al aan de opname effectief is geweest. Naar
het oordeel van het
college kan van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen dan ook geen sprake zijn. Dit
klachtonderdeel
is ongegrond.
Klachtonderdeel c) onterechte medicatie
5.8 Klaagster klaagt erover dat ten onterechte een dubbele dosering medicatie
is verstrekt, maar
dat de psychiater daar niet bij betrokken was. Het college stelt vast dat de medicatie
op 27
september 2024 is verstrekt, toen de psychiater niet meer bij de behandeling van
klaagster
betrokken was. Dat betekent dat de psychiater geen verwijt kan worden gemaakt van
het verstrekken
van medicatie. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) werk en sociale contacten kwijtraken
5.9 Het college stelt vast dat dit klachtonderdeel ziet op omstandigheden die
volgens klaagster
zijn veroorzaakt door de gedwongen opname van klaagster. Het college beoordeelt
echter alleen de
door de psychiater verleende zorg in het licht van de feiten en omstandigheden op
het moment van
handelen. Het is niet aan het college om te oordelen over de vraag of de (gestelde)
gevolgen door
het handelen of nalaten van de psychiater zijn veroorzaakt. Klaagster wordt daarom
niet-ontvankelijk verklaard in dit klachtonderdeel.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster niet kan worden ontvangen
in klachtonderdeel
d) en dat de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel d);
- verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 21 januari 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk,
voorzitter, L.A.J. Stouthamer-Verschuren en J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris.