ECLI:NL:TGZRSHE:2026:14 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8642

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:14
Datum uitspraak: 14-01-2026
Datum publicatie: 14-01-2026
Zaaknummer(s): H2025/8642
Onderwerp: Opiumwetmiddelen misbruik
Beslissingen: Gegrond, doorhaling inschrijving register
Inhoudsindicatie: De inspectie klaagt over een fysiotherapeut die herhaaldelijk opioïden (zoals oxycodon en fentanyl) gestolen heeft bij werkgevers en patiënten en onder invloed daarvan zorg heeft verleend. De fysiotherapeut heeft deze feiten erkend en geen verweer gevoerd. Het college acht de klacht gegrond. De fysiotherapeut heeft zowel de eerste als de tweede tuchtnorm van de Wet BIG geschonden. Zijn handelen heeft de patiëntveiligheid in gevaar bracht en het vertrouwen in de zorg ernstig geschaad. Er is sprake van een langdurige verslavingsproblematiek met een hoog risico op terugval. Gezien de ernst, de kans op herhaling en het risico voor patiënten, legt het college de zwaarste maatregel op te weten doorhaling uit het BIG-register en tevens een onmiddellijk ingaand algemeen beroepsverbod in de individuele gezondheidszorg. 


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 14 januari 2026 op de klacht van:


INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd in Utrecht
klaagster, hierna: de inspectie,
vertegenwoordigd door R. Jansen en H.C.J. van Bavel, beiden in de hoedanigheid van senior
inspecteur, bijgestaan door mr. A.W. de Haan,

tegen

[A],
fysiotherapeut,
(destijds) werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de fysiotherapeut

1. De zaak in het kort
1.1   De inspectie verwijt de fysiotherapeut dat hij opioïden voor eigen gebruik heeft weggenomen 
uit de geneesmiddelenvoorraad van de zorgaanbieder voor wie hij als fysiotherapeut werkzaam was, en 
bij patiënten thuis. Ook verwijt de inspectie de fysiotherapeut dat hij opioïden tijdens zijn 
werkzaamheden gebruikte en onder invloed daarvan zorg verleende. De fysiotherapeut heeft erkend dat 
hij de verweten gedragingen heeft gepleegd. Hij heeft spijt betuigd en vindt dat hij zeer 
onverantwoordelijk heeft gehandeld. De fysiotherapeut heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen 
de klacht.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de fysiotherapeut in strijd heeft gehandeld met zowel de 
eerste als de tweede tuchtnorm. De fysiotherapeut krijgt de maatregel van doorhaling in het 
BIG-register opgelegd. Ook wordt de fysiotherapeut met onmiddellijke ingang een algemeen 
beroepsverbod opgelegd. Het college licht hierna toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2025;
-  de reactie van de fysiotherapeut, ontvangen op 4 juli 2025.


2.2   Naast deze klacht heeft de inspectie bij het tuchtcollege ook een voordracht ingediend om een 
voorziening te treffen tegen de fysiotherapeut wegens het missen van de
geschiktheid tot het uitoefenen van zijn beroep. Die zaak is bekend onder dossiernummer H2025/8642

2.3   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.4   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 21 november 2025. De partijen zijn 
verschenen. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De inspectie heeft een 
pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de fysiotherapeut overhandigd.

3. De feiten
3.1  De fysiotherapeut is BIG-geregistreerd als fysiotherapeut sinds 14 maart 2022.

3.2   Op 11 november 2022 ontving de inspectie een melding van de werkgever van de fysiotherapeut. 
De melding betrof dat de arbeidsovereenkomst met de fysiotherapeut ontbonden was, omdat hij bij 
meerdere patiënten opiaten (oxycodon en morfinepleisters) had ontvreemd en onaangekondigd bij 
patiënten thuiskwam en in kastjes rommelde.

3.3   De inspectie stelde een onderzoek in dat plaatsvond tussen november 2022 en augustus 2023. De 
resultaten van dit onderzoek zijn door de inspectie neergelegd in haar rapport van april 2025. De 
inspectie heeft onder meer informatie opgevraagd bij de werkgever van de fysiotherapeut die de 
melding had gedaan en een voormalig werkgever waar de fysiotherapeut als begeleider+ werkzaam was 
in de periode van oktober 2021 tot 15 augustus 2022.

3.4  Uit de informatie van de werkgever die de melding had gedaan bleek onder meer het volgende:
-  deze werkgever had onderzoek gedaan naar het handelen van de fysiotherapeut bij 19 patiënten in 
de periode vanaf 15 augustus 2022 tot 10 november 2022;
-  bij 10 van de 19 patiënten waren opiaten aanwezig;
-  bij drie patiënten waren er pleisters van de huid verdwenen en was de voorraad sneller op;
-  bij vier patiënten heeft de fysiotherapeut aangeboden om oxycodontabletten mee te nemen en bij 
de apotheek in te leveren;
-  bij twee patiënten waren oxycodontabletten verdwenen. Ook heeft deze werkgever onder meer nog 
verklaard dat:
-  de fysiotherapeut op een dag met dubbele tong sprak, warrig overkwam en warrige notities in het 
dossier maakte;
-  de fysiotherapeut bij een patiënt waar hij eerder was geweest voor de verkeerde deur stond en 
meldde dat de patiënt niet thuis was;
-  de fysiotherapeut een patiënt oefeningen op een onveilige manier liet uitvoeren. De patiënt 
moest zelf van het kastje naar het bed lopen terwijl dit niet veilig was;
-  de fysiotherapeut bijna in slaap viel op de stoel terwijl een patiënt oefeningen uitvoerde.

3.5   Uit informatie van de voormalige werkgever waar de fysiotherapeut als begeleider+ werkzaam 
was, kwam naar voren dat deze werkgever op 18 november 2022 29 tabletten oxycodon en vijf 
fentanylpleisters uit de voorraad miste. De fysiotherapeut was daar op dat moment niet meer 
werkzaam maar is daar toen wel gezien. Op 21 november 2022 werd de fysiotherapeut daar weer 
gesignaleerd. Toen hij werd aangesproken, gaf hij een andere voornaam op en is hij weggerend. De 
fysiotherapeut heeft de diefstal op 18 november 2022 erkend tijdens een telefoongesprek met het 
door de voormalig werkgever ingeschakeld bedrijfsrecherchebureau.

3.6   Bij mondeling vonnis van de Rechtbank Limburg van 27 september 2023 is de fysiotherapeut voor 
diefstal van opiaten, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor 90 dagen waarvan 
89 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Uit de aantekening mondeling vonnis blijkt dat 
diefstal op 14 oktober 2022 is bewezenverklaard.

3.7   In opdracht van de inspectie is de fysiotherapeut onderzocht door een externe psychiater. De 
psychiater heeft de resultaten van zijn onderzoek neergelegd in zijn rapportage van 26 februari 
2024. In de rapportage staat:
“Is er bij onderzochte sprake van een psychiatrische stoornis waaronder ook begrepen een stoornis 
in het gebruik van middelen? Zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven? Ja, in DSM-5-TR 
termen is sprake van F11.2 ernstige stoornis in het gebruik van een opioïde, in langdurige remissie
F60.8 Anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met vermijdende, dwangmatige en narcistische 
treken.
(…)
Vanuit mijn kennis van verslavingsproblematiek en vanuit de specifieke kennis over de slechte 
prognose van stoornissen in het gebruik van opioïden kan ik wel zeggen dat in omgevingen waarbij 
betrokkene gemakkelijk toegang kan krijgen tot- of kan beschikken over opioïden, ik het risico op 
terugval in gebruik van opioïden als aanzienlijk inschat.
(…)
Het risico op recidive kan verminderd worden door behandeling (van de verslavingsstoornis en/of de 
comorbiditeit).”

De fysiotherapeut heeft in het onderzoek tegen de externe psychiater gezegd dat hij nog wekelijks 
een joint rookt en dat dat voor hem geen risico vormt. Hij heeft gezegd te weten wat er gebeurt als 
het fout gaat en dat hij dan alles zou kwijtraken. Hij stelt sterk genoeg te zijn om deze ‘guilty 
pleasure’ nog te hebben.

3.8   Uit het onderzoek van de inspectie is gebleken dat de fysiotherapeut meermalen opgenomen is 
geweest in een verslavingskliniek en is behandeld voor zijn verslavingsproblematiek, te weten in 
2015, 2018 en in 2019. Ook tijdens het onderzoek van de inspectie was de fysiotherapeut in zorg 
voor verslavingsproblematiek (een intensief behandeltraject met medicatie, een psycholoog, een psychiater en een forensisch psycholoog).

3.9   De inspectie heeft de fysiotherapeut meermaals uitgenodigd voor een gesprek, maar hier heeft 
de fysiotherapeut tot drie keer toe geen gebruik van gemaakt.

3.10  Ook toen de fysiotherapeut nog niet BIG-geregistreerd was als fysiotherapeut heeft de 
inspectie het handelen van de fysiotherapeut onderzocht. Dat was na meldingen in 2018 door de 
toenmalige werkgever van de fysiotherapeut, waar de fysiotherapeut als verzorgende werkte. Door die 
werkgever was op camera vastgelegd dat de fysiotherapeut op 18 februari 2018 onbevoegd een doos met 
15 capsules oxycodon van 5 milligram had weggenomen uit de medicatiekluis. Bij vonnis van de 
Rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2019 werd de fysiotherapeut voor deze diefstal veroordeeld 
tot een taakstraf van 30 uur en een schadevergoeding van € 1.500,00 aan de werkgever. De inspectie concludeerde dat de fysiotherapeut zich open en toetsbaar opstelde. Er was ook sprake van een steunsysteem en inzicht, 
dat naar het oordeel van de inspectie bijdroeg aan het voorkomen van herhaling. De fysiotherapeut 
gaf destijds aan niet meer snel in een setting te willen gaan werken waarbij hij in aanraking zou 
komen met medicatie. De inspectie concludeerde dat toen geen sprake was van een ernstige bedreiging 
voor de veiligheid van patiënten. Het inspectieonderzoek werd afgesloten.

3.11  De fysiotherapeut staat nog altijd als fysiotherapeut ingeschreven in het BIG-register.

4. De klacht en de reactie van de fysiotherapeut
4.1  De inspectie verwijt de fysiotherapeut:
-  het wegnemen van middelen voor eigen gebruik uit de geneesmiddelenvoorraad van de zorgaanbieder 
en bij patiënten thuis;
-  het tijdens zijn werkzaamheden gebruiken van middelen en onder invloed daarvan verlenen van 
zorg.

4.2   De inspectie licht toe dat vaststaat dat de fysiotherapeut opiaten uit de medicatievoorraad 
van zijn voormalig werkgever heeft weggenomen. Verder gaat de inspectie ervan uit dat hij in de 
periode van 15 augustus 2022 tot 10 november 2022 ook bij patiënten meermaals opiaten, zoals 
oxycodon en fentanylpleisters, heeft weggenomen. Dit blijkt zowel uit de melding van de voormalig 
werkgever, de verklaring van patiënten, als uit een signaal van de thuiszorg en de huisarts over 
missende medicatie. Door de onaangekondigde huisbezoeken en het doorzoeken van kastjes drong de 
fysiotherapeut verder door in de persoonlijke levenssfeer van de patiënt dan noodzakelijk voor de 
behandeling. Dit is door patiënten als onprettig en zelfs beangstigend ervaren. Dit is in strijd 
met het verlenen van goede zorg, getuigt niet van goed hulpverlenerschap en ondermijnt het 
vertrouwen in de beroepsgroep. Diefstal van opiaten is in strijd met hetgeen van een redelijk 
handelen en redelijk bekwaam beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Door de diefstal  heeft de fysiotherapeut mogelijk patiënten onthouden van medicatie die zij voorgeschreven hadden 
gekregen. Concluderend is deze handelswijze in strijd met artikel 47, eerste lid, onder a en b, van 
de Wet BIG.

4.3.  Daarnaast acht de inspectie het aannemelijk dat de zorgverlener tijdens zijn werk en in het 
patiëntencontact onder invloed van middelen is geweest. De voormalige werkgever van de 
fysiotherapeut heeft verklaard dat zij van meerdere patiënten signalen had ontvangen dat de 
fysiotherapeut onaangekondigd langskwam en dat het leek alsof hij gebruikte. Door een aantal 
patiënten zijn concrete voorbeelden van gebruik geschetst, waaronder minder alert zijn, in slaap 
vallen en mindere concentratie. De inspectie weet dat de fysiotherapeut met een terugval in zijn 
verslaving kampte in de periode waarover deze verklaringen gaan. Uit de verklaringen van de 
patiënten blijkt dat het middelengebruik ook daadwerkelijk invloed heeft gehad op het functioneren 
van de fysiotherapeut. Hij heeft daarmee patiënten in gevaar gebracht en eveneens het vertrouwen 
van patiënten in de beroepsgroep geschaad en niet behandeld zoals een behoorlijk handelend 
fysiotherapeut betaamt. Het gebruik van middelen tijdens werkzaamheden als zorgverlener is in 
strijd met artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het 
KNMG-standpunt Nul is de norm, KNMG, januari 2018. Dat KNMG-standpunt wordt onderschreven door het 
Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en geldt daarmee ook voor 
fysiotherapeuten. Dit is in strijd met artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet BIG.

4.4   De inspectie verzoekt het college de klacht gegrond te verklaren en de fysiotherapeut de 
maatregel van een doorhaling en een algemeen beroepsverbod als bedoeld in artikel 48, eerste lid, 
onder f en tweede lid, van de Wet BIG op te leggen. De inspectie acht een doorhaling en een 
algemeen beroepsverbod passend om de patiëntveiligheid te waarborgen. Dit algemene beroepsverbod is 
nodig om (ook) te voorkomen dat de fysiotherapeut in de uitoefening van een ander beroep, 
bijvoorbeeld als verzorgende, weer werkzaam zal zijn in de individuele gezondheidszorg. Ook 
verzoekt de inspectie de uitspraak bekend te maken in de Staatscourant en in de door het college 
aan te wijzen vaktijdschriften of nieuwsbladen op grond van artikel 71 Wet BIG.

4.5   De fysiotherapeut heeft tijdens de zitting erkend dat hij de verweten gedragingen heeft 
gepleegd. Hij voelt zich al jaren geen fysiotherapeut meer. Hij heeft diep inzicht gekregen in zijn 
handelen en vindt dat hij zeer onverantwoordelijk heeft gehandeld. Dit mag nooit meer gebeuren en 
hij betuigt grote spijt. De fysiotherapeut heeft verklaard dat hij geen ambitie heeft om in de 
nabije toekomst terug te keren in de zorg. Hij sluit niet uit dat hij wellicht ooit als 
leidinggevende in de zorg zou willen werken. De fysiotherapeut stelt dat hij op dit moment stabiel 
is en geen middelen meer heeft gebruikt sinds deze incidenten. De fysiotherapeut kan zich vinden in 
de door de inspectie voorgestelde handelwijze en heeft geen verweer gevoerd tegen de klacht.

4.6  Het college gaat hieronder verder in op de klacht.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De klachtonderdelen worden beoordeeld voor zover deze betrekking hebben op het handelen van 
de fysiotherapeut vanaf het moment dat hij als fysiotherapeut in het BIG-register was ingeschreven, 
te weten vanaf 14 maart 2022. De vraag is of de fysiotherapeut de zorg heeft verleend die van hem 
verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende 
fysiotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende 
beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2   De fysiotherapeut heeft de verweten gedragingen erkend. De gedragingen staan daarmee vast. 
Dit geldt zowel voor het wegnemen van middelen als voor het tijdens zijn werkzaamheden gebruiken 
van middelen en onder invloed daarvan verlenen van zorg als fysiotherapeut. Het college is van 
oordeel dat de fysiotherapeut niet de patiëntenzorg heeft verleend die hij als behoorlijk handelend 
fysiotherapeut had moeten verlenen. Hij heeft onder invloed van opiaten individuele patiëntenzorg 
verleend en heeft daarmee
onaanvaardbare risico’s genomen ten aanzien van de veiligheid van de aan zijn zorg toevertrouwde 
patiënten. Door dit te doen heeft de fysiotherapeut de eerste tuchtnorm overschreden (artikel 47, 
lid 1, aanhef en onder a, Wet BIG). Door daarnaast tijdens zijn werk opiaten bij zijn werkgever(s) 
te ontvreemden voor eigen gebruik heeft de fysiotherapeut ook in strijd met de tweede tuchtnorm 
gehandeld (artikel 47, lid 1, aanhef en onder b, Wet BIG). De klacht is dan ook in zijn geheel 
gegrond.

Maatregel
5.3   Het college zal nu moeten beoordelen welke maatregel op zijn plaats is. Daarbij zullen alle 
omstandigheden worden meegewogen, waaronder de aard en ernst van de gegrond verklaarde verwijten en 
wat nodig is om herhaling te voorkomen.

5.4   De fysiotherapeut heeft met de diefstal van middelen van werkgevers, het gebruik daarvan 
tijdens zijn werkzaamheden en het onder invloed daarvan verlenen van zorg de voor een 
fysiotherapeut geldende beroepsnormen ernstig overschreden. Het verlenen van zorg onder invloed van 
opiaten levert risico’s op voor de patiëntveiligheid, aangezien dit tot een aanmerkelijke kans op 
fouten leidt. Het observatie-, inschattings- en oordeelsvermogen en daarmee het vermogen om 
adequaat te handelen wordt immers door het gebruik beïnvloed. De fysiotherapeut heeft niet de 
veiligheid van de aan zijn zorg toevertrouwde patiënten vooropgesteld, maar zijn verslaving aan 
opiaten. Dit normoverschrijdend handelen heeft zich lange tijd voorgedaan, ook al in de periode 
voorafgaand aan zijn BIG-registratie als fysiotherapeut, toen de fysiotherapeut als verzorgende 
werkte. Ook toen is vastgesteld dat de fysiotherapeut oxycodon had weggenomen uit de medicatiekluis 
van zijn werkgever.

5.5   Voor de fysiotherapeut pleit dat hij tijdens de zitting op zijn handelen heeft gereflecteerd 
en inzicht in zijn handelen heeft getoond. Hij heeft het middelengebruik tijdens zijn werkzaamheden 
zeer onverantwoordelijk genoemd. Over de reden dat hij tijdens het onderzoek niet met de inspectie in gesprek is gekomen, heeft hij verklaard dat hij toen ‘zijn kop in het zand stak’. Hij ziet nu in dat dat onverstandig was en heeft daarvoor excuses aangeboden. De fysiotherapeut stelt meerdere psychologische behandelingen te hebben ondergaan en heeft ook op eigen initiatief een psycholoog gezocht en betaald. Op de vraag van het college wat hij geleerd 
heeft uit alle behandelingen, antwoordde de fysiotherapeut dat hij inzicht heeft gekregen in de 
redenen van zijn middelengebruik. Die redenen waren verlatingsangst, zijn diagnose ADHD en zijn 
lage zelfbeeld. Het gebruiken van middelen vormde voor de fysiotherapeut een copingmechanisme, 
voornamelijk bij spannende momenten. Dit inzicht dat de fysiotherapeut in de therapie heeft 
opgedaan, heeft ervoor gezorgd dat de fysiotherapeut nu een gezondere coping heeft ontwikkeld, meer 
durft te praten over zijn problemen en dat hij meer zelfvertrouwen heeft gekregen. Ook sport hij 
veel. De fysiotherapeut stelt dat hij sinds de gebeurtenissen waarop het inspectieonderzoek 
betrekking heeft, geen middelen meer heeft gebruikt. Ook de externe psychiater die de 
fysiotherapeut in opdracht van de inspectie heeft onderzocht, heeft geconcludeerd dat de 
fysiotherapeut ten tijde van het onderzoek in langdurige remissie was voor wat betreft zijn 
opioïdengebruik.

5.6   Daartegenover staat dat de fysiotherapeut naar eigen zeggen weliswaar inzicht heeft gekregen, 
maar nog steeds aan drugs denkt. De fysiotherapeut ziet in dat hij er nog lang niet is en 
vermoedelijk na 20 jaar ook nog niet. Het college begrijpt dat de fysiotherapeut bovendien nog 
wekelijks een joint rookt en daar geen gevaar in ziet. Het college ziet daarin, anders dan de 
fysiotherapeut, wel gevaar, te weten een risico op terugval in het gebruik van opioïden. Het 
college wil aannemen dat de fysiotherapeut recent meerdere psychologische behandelingen heeft 
gevolgd. De fysiotherapeut heeft echter geen behandelgegevens in de procedure gebracht. Het college 
heeft daardoor geen inzicht in de visie van zijn behandelaren op zijn situatie (en eventuele 
progressie) gekregen en kan slechts afgaan op wat de fysiotherapeut hierover zelf heeft verklaard. 
Dat de inspectie de fysiotherapeut advies heeft gegeven om zich te melden bij 
ABS-zorgprofessionals, zoals in het klaagschrift wordt vermeld, kan de fysiotherapeut zich niet 
herinneren. Hij heeft daar dus ook geen gevolg aan gegeven. De fysiotherapeut heeft zelf ook 
onderkend dat zijn situatie nog steeds zeer kwetsbaar is. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij 
ook zelf vindt dat werken als zorgverlener binnen de gezondheidszorg onverstandig zou zijn. Hij 
acht de kans op recidive groot als hij weer toegang zou hebben tot middelen. De fysiotherapeut 
sluit overigens niet uit dat hij eventueel ooit als leidinggevende in de zorg werkzaam zou willen 
zijn, maar hij stelt dat hij in de nabije toekomst geen ambities heeft om terug te keren in de 
zorg.

5.7   Gezien de ernst van het handelen, dat is doorgegaan ondanks de eerdere meldingen in 2018 en 
het daarop gevolgde inspectieonderzoek en het als hoog ingeschatte risico op recidive, zeker in een 
omgeving waarin opiaten voorhanden zijn, is de maatregel van doorhaling van de fysiotherapeut in 
het BIG-register op zijn plaats (artikel 48, lid 1, aanhef en onder f, Wet BIG). Het belang van de 
bescherming van de patiëntveiligheid maakt het voorts noodzakelijk dat de fysiotherapeut met 
onmiddellijke ingang niet meer in de individuele gezondheidszorg kan werken. Dit vanwege de 
omstandigheid dat bij werk binnen de individuele gezondheidszorg de toegang tot medicatie (hetzij in beheer van patiënten, hetzij in beheer van de organisatie) nooit helemaal is uit te sluiten. Daarom zal het college aan de 
fysiotherapeut een beroepsverbod opleggen als bedoeld in artikel 48, lid 2, Wet BIG. Om te 
voorkomen dat er tot aan het onherroepelijk worden van deze beslissing voor de fysiotherapeut geen 
wettelijke belemmeringen zijn om als zorgverlener in de individuele gezondheidszorg te werken, zal 
het college bepalen dat deze maatregel (het beroepsverbod) onmiddellijk van kracht wordt (artikel 
48, lid 8, Wet BIG).

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht gegrond;
-  bepaalt dat de inschrijving van de fysiotherapeut in het BIG-register wordt doorgehaald;
-  legt aan de fysiotherapeut de beperking op dat hij in geen enkele functie of activiteit op het 
gebied van de individuele gezondheidszorg beroepsmatig mag handelen en bepaalt dat dit 
beroepsverbod onmiddellijk van kracht wordt;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt.

Deze beslissing is gegeven door A.H.M.J.F. Piëtte, voorzitter, I.H.M. van Rijn, lid-jurist,
J.L. Keijzer, W. Langoor en M.J.F. Vuister, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 14 januari 2026.