ECLI:NL:TGZRSHE:2026:13 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8643
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:13 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-01-2026 |
| Datum publicatie: | 14-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8643 |
| Onderwerp: | Geestelijke toestand |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | De inspectie draagt een fysiotherapeut voor aan het college met het verzoek hem in het BIG-register door te halen. Hij heeft herhaaldelijk opioïden gestolen uit medicatievoorraden van werkgevers en bij patiënten thuis, deze middelen zelf gebruikt en onder invloed zorg verleend. Dit leidde tot meerdere meldingen, inspectieonderzoeken en strafrechtelijke veroordelingen. Uit psychiatrisch onderzoek blijkt dat hij lijdt aan een ernstige opioïdenverslaving en persoonlijkheidsproblematiek, met een aanzienlijk risico op terugval, vooral bij toegang tot medicatie. De fysiotherapeut erkent zijn handelen, voert geen verweer en is het eens met de voorgestelde maatregel. Het college oordeelt dat de fysiotherapeut ongeschikt is zijn beroep uit te oefenen wegens middelenmisbruik. Daarom wordt zijn BIG-registratie doorgehaald en wordt hij geschorst totdat deze beslissing onherroepelijk is. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 14 januari 2026 op de voordracht van:
INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd in Utrecht, klaagster, hierna: de inspectie,
vertegenwoordigd door R. Jansen en H.C.J. van Bavel, beiden in de hoedanigheid van
senior
inspecteur, bijgestaan door mr. A.W. de Haan,
tegen
[A],
fysiotherapeut,
(destijds) werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de fysiotherapeut.
1. De zaak in het kort
1.1 De fysiotherapeut heeft meermalen opioïden voor eigen gebruik weggenomen uit
de
geneesmiddelenvoorraad van de zorgaanbieder voor wie hij werkzaam was, en bij patiënten
thuis. Ook
heeft hij opioïden tijdens zijn werkzaamheden gebruikt en onder invloed daarvan
zorg verleend.
1.2 Na meldingen hierover heeft de inspectie meermalen onderzoek verricht. De inspectie
heeft na
afronding van het laatste onderzoek een voordracht ingediend om een voorziening
te treffen tegen de
fysiotherapeut vanwege het missen van de geschiktheid tot het uitoefenen van zijn
beroep met name
wegens zijn gewoonte van misbruik van middelen. De fysiotherapeut kan zich vinden
in de voordracht.
De fysiotherapeut heeft erkend dat hij de gestelde gedragingen heeft gepleegd. Hij
heeft spijt
betuigd en vindt dat hij zeer onverantwoordelijk heeft gehandeld. De fysiotherapeut
kampt reeds
lange tijd met verslavingsproblematiek waarvoor hij meerdere keren in behandeling
is geweest doch
zonder blijvend resultaat, in die zin dat het verantwoord zou zijn dat hij weer
als fysiotherapeut
in de patiëntenzorg komt te werken.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de voorzieningen zoals door de inspectie
gevraagd op
zijn plaats zijn en dat de voordracht daarom opgevolgd dient te worden. Hierna licht
het college
dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- de voordracht met bijlagen van de inspectie, ontvangen op 24 juni 2025;
- de reactie van de fysiotherapeut, ontvangen op 4 juli 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Gelijktijdig met deze voordracht heeft de inspectie een tuchtklacht ingediend
tegen de
fysiotherapeut. Die zaak is bekend onder nummer H2025/8642. De tuchtklacht en de
voordracht zijn op
de openbare zitting van 21 november 2025 gevoegd behandeld met inachtneming van
artikel 83 lid 3 en
4 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG).
De partijen zijn
verschenen, de inspectie vertegenwoordigd door R. Jansen en H.C.J. van Bavel, bijgestaan
door mr.
A.W. de Haan. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De inspectie
heeft een
pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
2.4 In beide zaken wordt vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan. Deze beslissing gaat
over de
voordracht.
3. De feiten
3.1 Op 6 en 8 maart 2018 ontving de inspectie twee meldingen over de fysiotherapeut
afkomstig van
zijn voormalige werkgever waar hij per 1 maart 2018 op staande voet als verzorgende
was ontslagen
vanwege het wegnemen van opioïden. Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van
25 februari 2019
werd de fysiotherapeut voor deze diefstal veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur
en een
schadevergoeding van € 1.500,00 aan de voormalige werkgever. Uit onderzoek van de
inspectie kwam
naar voren dat sprake was van een ernstige stoornis in alcoholgebruik en een matig
tot ernstige
stoornis in het gebruik van een amfetamineachtig middel. De fysiotherapeut was in
2015 zeven weken
opgenomen geweest in een verslavingskliniek. In 2018 was sprake van een terugval
en is hij opnieuw
voor een periode van negen weken opgenomen geweest in een verslavingskliniek. Bij
ontslag was hij
abstinent van alcohol en drugs. De fysiotherapeut stelde zich gedurende het inspectieonderzoek
transparant op en had een vangnet om zich heen. De inspectie concludeerde dat er
op dat moment geen
sprake was van een ernstige bedreiging voor de veiligheid van patiënten of de zorg
en sloot het
onderzoek af.
3.2 Sinds 14 maart 2022 is verweerder als fysiotherapeut BIG-geregistreerd.
3.3 Op 11 november 2022 ontving de inspectie een nieuwe melding over de fysiotherapeut.
Hij was
door zijn werkgever ontslagen omdat hij bij meerdere patiënten opioïden had weggenomen
en
onaangekondigd bij patiënten thuiskwam en in kastjes rommelde. De inspectie stelde
opnieuw een
onderzoek in. Uit haar rapportage blijkt onder meer het volgende.
Uit onderzoek door de werkgever van de fysiotherapeut bij 19 patiënten in de periode
15 augustus
2022 tot 10 november 2022 bleek onder meer dat:
- bij drie patiënten pleisters van de huid waren verdwenen en de voorraad sneller
op was;
- de fysiotherapeut bij vier patiënten aanbood om oxycodontabletten mee te nemen
en bij de
apotheek in te leveren;
- bij twee patiënten oxycodontabletten waren verdwenen. Tevens verklaarde deze
werkgever dat:
- de fysiotherapeut met dubbele tong sprak, warrig overkwam en warrige notities
maakte in het
dossier;
- de fysiotherapeut bij een patiënt waar hij eerder was geweest voor de verkeerde
deur stond en
meldde dat de patiënt niet thuis was.
Ook liet de fysiotherapeut een patiënt oefeningen op een onveilige manier uitvoeren.
De patiënt
moest zelf van het kastje naar het bed lopen terwijl dit niet veilig was. Voorts
viel de
fysiotherapeut bijna in slaap terwijl een patiënt oefeningen uitvoerde.
Uit informatie van een andere voormalig werkgever bleek dat de fysiotherapeut op
18 november 2022
29 tabletten oxycodon en vijf fentanylpleisters uit de medicatievoorraad had weggenomen.
3.4 Bij mondeling vonnis van de rechtbank Limburg van 27 september 2023 is de fysiotherapeut
voor
diefstal van opiaten, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor
90 dagen waarvan
89 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Uit de aantekening mondeling
vonnis blijkt dat
diefstal op 14 oktober 2022 is bewezenverklaard.
3.5 In opdracht van de inspectie is de fysiotherapeut onderzocht door een externe
psychiater. De
psychiater heeft de resultaten van zijn onderzoek neergelegd in zijn rapportage
van 26 februari
2024. In de rapportage staat:
“Is er bij onderzochte sprake van een psychiatrische stoornis waaronder ook begrepen
een stoornis
in het gebruik van middelen? Zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven?
Ja, in DSM-5-TR
termen is sprake van F11.2 ernstige stoornis in het gebruik van een opioïde, in
langdurige remissie
F60.8 Anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met vermijdende, dwangmatige
en narcistische
treken.
(…)
Vanuit mijn kennis van verslavingsproblematiek en vanuit de specifieke kennis over
de slechte
prognose van stoornissen in het gebruik van opioïden kan ik wel zeggen dat in omgevingen
waarbij
betrokkene gemakkelijk toegang kan krijgen tot- of kan beschikken over opioïden,
ik het risico op
terugval in gebruik van opioïden als aanzienlijk inschat.
(…)
Het risico op recidive kan verminderd worden door behandeling (van de verslavingsstoornis
en/of de comorbiditeit).”
De fysiotherapeut heeft in het onderzoek tegen de externe psychiater gezegd dat hij nog wekelijks een joint rookt en dat dat voor hem geen risico vormt. Hij heeft gezegd te weten wat er gebeurt als het fout gaat en dat hij dan alles zou kwijtraken. Hij stelt sterk genoeg te zijn om deze ‘guilty pleasure’ nog te hebben.
3.6 Uit het onderzoek van de inspectie is gebleken dat de fysiotherapeut meermalen
opgenomen is
geweest in een verslavingskliniek en is behandeld voor zijn verslavingsproblematiek,
te weten in
2015, 2018 en 2019. Ook tijdens het onderzoek van de inspectie was de fysiotherapeut
in zorg voor
verslavingsproblematiek, waarbij er toentertijd sprake was van een intensief behandeltraject.
3.7 Verweerder staat nog altijd als fysiotherapeut ingeschreven in het BIG-register.
4. De voordracht en de reactie van de fysiotherapeut
4.1 De inspectie acht het aannemelijk dat de fysiotherapeut de geschiktheid mist
tot het
uitoefenen van zijn beroep als fysiotherapeut en een andere functie in de individuele
gezondheidszorg wegens zijn geestelijke gesteldheid en/of een gewoonte van misbruik
van middelen.
De inspectie verzoekt om die reden om aan de fysiotherapeut op grond van artikel
80, eerste lid,
onder c, van de Wet BIG een doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op
te leggen.
Daarnaast verzoekt de inspectie om op grond van artikel 80, vijfde lid, van de Wet
BIG de
bevoegdheid tot uitoefening van aan de BIG-inschrijving verbonden bevoegdheden te
schorsen tot de
beslissing tot doorhaling onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is vernietigd.
4.2 De fysiotherapeut heeft meegedeeld geen verweer te willen voeren. De fysiotherapeut
erkent de
door de inspectie genoemde feiten, alsmede dat sprake is van verslavingsproblematiek
waardoor hij
zijn werk als fysiotherapeut niet meer op een verantwoorde wijze kan uitoefenen.
Hij schrijft dat
hij zich kan vinden in de voorgestelde handelwijze, diep inzicht heeft gekregen
in zijn handelen en
dat zijn gedrag koste wat het kost dient te worden voorkomen. Hij zal nooit meer
binnen de
gezondheidszorg gaan werken, althans hooguit als leidinggevende, en heeft daar vrede
mee en betuigt
grote spijt.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen en de voordracht.
5. De overwegingen van het college
5.1 De inspectie draagt de fysiotherapeut voor aan het college met het verzoek
hem in het
BIG-register door te halen en hem bij wijze van voorlopige voorziening een schorsing
van de
inschrijving in het register op te leggen totdat de beslissing tot doorhaling van
de
inschrijving onherroepelijk is geworden om daarmee de risico’s voor de patiëntveiligheid
weg
te nemen en verdere risico’s te voorkomen.
Welke criteria gelden bij de beoordeling van de voordracht?
5.2 Bij een voordracht staat de gezondheidstoestand van de beroepsbeoefenaar zelf
en de invloed hiervan op zijn beroepsuitoefening centraal, daar waar het bij een tuchtklacht
altijd gaat om zorgverlening en de vraag of de beroepsbeoefenaar daarbij voldoende
zorgvuldig heeft gehandeld.
Een maatregel wegens ongeschiktheid heeft vooral een preventieve, beveiligende functie.
Het doel is
in de toekomst schade aan de gezondheid van door betrokkene behandelde patiënten
te voorkomen, en
daarmee bescherming van de
maatschappij tegen onaanvaardbare risico’s voor de individuele gezondheidszorg.
5.3 Het college is bevoegd op schriftelijke voordracht van de inspectie een voorziening
(maatregel) te treffen, ertoe strekkende een BIG-geregistreerde
beroepsbeoefenaar (zoals een fysiotherapeut) uit het BIG-register te doen verwijderen
dan wel diens
uitoefening van het betrokken beroep met bijzondere waarborgen te omkleden, indien
de
beroepsbeoefenaar moet worden geacht de geschiktheid tot het uitoefenen dan wel
tot het zonder
zodanige waarborgen uitoefenen van dat beroep te missen, wegens:
1° zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid; of
2° zijn gewoonte van drankmisbruik of van misbruik van middelen, bedoeld in de artikelen
2 en 3 van
de Opiumwet.
5.4 Het college komt tot de conclusie dat de fysiotherapeut de geschiktheid tot het
uitoefenen van
zijn beroep mist. Het college heeft daarbij in het bijzonder aandacht besteed aan
de
onderzoeksrapportage die de onafhankelijke psychiater in opdracht van de inspectie
heeft
uitgebracht. De psychiater concludeert dat er bij de fysiotherapeut sprake is van
een ernstige
stoornis in het gebruik van een opioïde, in langdurige remissie. Daarnaast zijn
er aanwijzingen
voor persoonlijkheidsproblematiek, die volgens de psychiater aan te merken is als
een
persoonlijkheidsstoornis met vermijdende, dwangmatige en narcistische trekken. In
omgevingen
waarbij betrokkene gemakkelijk toegang kan krijgen tot opioïden schat de psychiater
het risico op
terugval in gebruik van opioïden als aanzienlijk in.
5.5 Het college stelt voorts vast dat de fysiotherapeut al vanaf 2015 bekend is met
verslavingsproblematiek. Hij is hiervoor momenteel niet onder behandeling. In het
verleden is de
fysiotherapeut wel meerdere keren onder behandeling geweest. Dit heeft echter niet
geleid tot een
blijvende remissie. Meerdere keren is de blootstelling aan de opioïden binnen zijn
werk een te
grote verleiding gebleken en heeft dit geresulteerd in een terugval in middelengebruik.
Dit
onderschrijft ook de inschatting van de psychiater dat er een aanzienlijk risico
op terugval
bestaat in omgevingen waarbij hij toegang heeft of zou kunnen krijgen tot die middelen.
De
fysiotherapeut heeft voorts ook erkend dat hij onder invloed van dat middelengebruik
patiënten
heeft behandeld. Weliswaar zijn er toen geen ernstige incidenten in de patiëntenzorg
geconstateerd,
maar dat biedt als zodanig geen afdoende waarborg dat hiervoor in de toekomst niet
behoeft te
worden gevreesd. De fysiotherapeut heeft zelf ook onderkend dat zijn situatie nog
steeds zeer
kwetsbaar is. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij ook zelf vindt dat werken
als zorgverlener
binnen de gezondheidszorg onverstandig zou zijn. Hij acht ook zelf de kans op recidive
groot als
hij weer toegang zou hebben tot middelen.
5.6 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de fysiotherapeut nu de geschiktheid
mist tot het
uitoefenen van zijn beroep wegens misbruik van opioïden, zijnde middelen als
bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.
5.7 Het college ziet geen mogelijkheden om bijzondere waarborgen te stellen waaronder
de
fysiotherapeut nog wel als zodanig zou kunnen werken zonder risico’s voor patiënten.
Het college
zal de voordracht van de inspectie dan ook volgen en de inschrijving van de fysiotherapeut
in het
BIG-register doorhalen. Het belang van de bescherming van de patiëntveiligheid maakt
het voorts
noodzakelijk dat verweerder met onmiddellijke ingang niet meer als fysiotherapeut
kan werken. Dit
vanwege de omstandigheid dat bij werk als fysiotherapeut de toegang tot medicatie
(hetzij in beheer
van patiënten, hetzij in beheer van de organisatie) nooit helemaal is uit te sluiten.
Gelet op al
het voorgaande zal aan de fysiotherapeut de maatregel van doorhaling worden opgelegd,
dan wel zal
aan de fysiotherapeut, voor het geval hij op het moment van onherroepelijk worden
van deze
beslissing niet is ingeschreven in het BIG-register, het recht om weer in dit register
te worden
ingeschreven worden ontzegd. Daarnaast zal bij wijze van voorlopige maatregel worden
bepaald dat de
fysiotherapeut wordt geschorst in zijn bevoegdheid om de aan de inschrijving verbonden
bevoegdheden
uit te oefenen, een en ander zoals bepaald in artikel 80 lid 5, in verbinding met
artikel 48 lid 1
aanhef en onder d Wet BIG, welke terstond van
kracht wordt.
6. De beslissing
Het college:
- bepaalt dat de inschrijving van de fysiotherapeut in het BIG-register wordt doorgehaald,
dan wel
ontzegt de fysiotherapeut, voor het geval hij op het moment van onherroepelijk worden
van deze
beslissing niet is ingeschreven in het BIG-register, het recht om weer in dit register
te worden
ingeschreven;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 80 lid 5
wet BIG terstond de
bevoegdheid van de fysiotherapeut om de aan die inschrijving verbonden bevoegdheid
uit te oefenen
totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden
dan wel in
beroep is vernietigd;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of
andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt.
Deze beslissing is gegeven door A.H.M.J.F. Piëtte, voorzitter, I.H.M. van Rijn, lid-jurist,
R.J.M. Lardinois, psychiater, Ch. Oele, klinisch psycholoog, en M.J.E. Lemmens,
klinisch
psycholoog, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
door de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 14 januari
2026.