ECLI:NL:TGZRSHE:2026:12 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8046
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:12 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-01-2026 |
| Datum publicatie: | 14-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8046 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Gedeeltelijk gegronde klacht tegen huisarts in PI. Waarschuwing. Vader van overleden patiënte verwijt de huisarts een gebrekkige algemene analyse en diagnose van de gezondheidsklachten van patiënte. Klacht gegrond ten aanzien schildklierproblemen, gewichtstoename, oedeemvorming en de controle op de combinatie de gebruikte medicijnen. Ongegrond ten aanzien van de rugpijn. Zeer complexe medische situatie van patiënte. Ondraaglijke lijdensdruk. Alternatieve behandelmethoden waren uitgeput. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 14 januari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigden: mr. H.J. Oosterhagen en mr. H.L. Hendriks werkzaam in Bodegraven,
tegen
[C],
huisarts, werkzaam in [D], verweerder,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De dochter van klager (hierna aangeduid als ‘patiënte’) was van 16 oktober
2020 tot
15 december 2020 en van 26 januari 2021 tot aan haar overlijden op [.....] gedetineerd
in
een penitentiaire inrichting (hierna: de PI). In de tussenliggende periode verbleef
zij in een
verslavingskliniek. Verweerder, als huisarts aan de PI verbonden, was een aanmerkelijk
deel van de
tijd waarin patiënte in de PI verbleef, haar vaste huisarts.
1.2 Klager verwijt verweerder in een zevental klachten, samengevat, dat hij zijn
taak als
huisarts van patiënte gebrekkig heeft uitgevoerd. In het algemeen stelt klager dat
sprake is van
een gebrekkige algemene analyse en diagnose van haar gezondheidsklachten. Meer bepaald
voert hij
aan dat verweerder onjuist heeft gehandeld waar het gaat om de volgende punten:
de
schildklierproblemen van patiënte, haar rugpijn, haar gewichtstoename, haar oedeem
in de benen en
haar medicijnen (ten onrechte voorschrijven van morfine en onvoldoende controle
op de combinatie
van de diverse medicijnen). Verweerder is van mening dat hem geen tuchtrechtelijk
verwijt treft.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is, voor zover deze betrekking
heeft
op de schildklierproblemen, de gewichtstoename, het oedeem in de benen en de controle
op de
combinatie van de door patiënte gebruikte medicijnen. Voor het overige oordeelt
het college dat de
klacht ongegrond is. Aan verweerder wordt de maatregel van een
waarschuwing opgelegd. Hierna licht het college toe hoe het tot dit oordeel is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2025;
- het proces-verbaal van het op 11 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de brief van de gemachtigde van klager van 28 oktober 2025, met bijlage.
2.2 De klacht is behandeld tijdens de zitting van het college op 14 november 2025.
Klagers
gemachtigden waren daar aanwezig. Klager zelf was afwezig. Verweerder was aanwezig,
met zijn
gemachtigde. Zij hebben hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigden van klager
aan de hand
van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het college en de wederpartij overgelegd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënte was van 16 oktober 2020 tot 15 december 2020 gedetineerd in de PI.
Van
15 december 2020 tot 26 januari 2021 verbleef zij in een verslavingskliniek. Vanaf
26 januari 2021
tot aan haar overlijden op [.....] verbleef zij weer in de PI. In de PI is een team
van huisartsen werkzaam. Van 16 oktober 2020 tot 15 december 2020 en van 25 oktober
2021 tot aan
haar overlijden was verweerder de vaste huisarts van patiënte. Bij zijn verhindering
werd die zorg
waargenomen door een van zijn collega-huisartsen in de PI. Tussen 26 januari 2021
en 25 oktober
2021 was een collega van verweerder de vaste huisarts van patiënte, maar verweerder
is in die
periode wel een aantal malen als waarnemer van die collega bij de zorg voor patiënte
betrokken
geweest.
3.2 Patiënte is bij aanvang van haar verblijf in de PI gezien door een verpleegkundige
en
verweerder heeft haar medische intake verzorgd. Patiënte was al voor haar detentie
onder
behandeling van een neuroloog in verband met clusterhoofdpijn en gebruikte in verband
daarmee
zuurstof en morfine. Een verblijf in een verslavingskliniek was destijds al aangevraagd.
Patiënte
gebruikte bij aanvang van haar detentie de volgende medicijnen:
- injectieampullen morfine, 1 ampul met 1 ml (10 mg per ml) per dag
- injectieampullen sumatriptan, 1 ampul ad 0,5 ml (12 mg per ml) per dag
- salbutamol aerosol, 100 microgram per dosis, 4 doses per dag
- quetiapine, 25 mg per tablet, 1 tablet per dag
- morfinetabletten, 10 mg per tablet, 2 tabletten per dag
- Movicolon naturel, 1 sachet per dag
- Euthyrox, 125 microgram per tablet, 1 tablet per dag
- gabapentine, 600 mg per tablet, 3 tabletten per dag
- gabapentine, 300 mg per capsule, 3 capsules per dag
- fluticason/vilante, 92/22 microgram per dosis, 1 dosis per dag
- diazepam, 10 mg per tablet, 3 tabletten per dag
- topiramaat, 25 mg per tablet, tweemaal twee tabletten per dag
- escitalopram, 10 mg per tablet, 1 tablet per dag.
3.3 Verweerder heeft de door patiënte gebruikte medicatie bij gelegenheid van de
intake met de
psychiater van de PI besproken. Verweerder heeft op 19 oktober 2020 contact gehad
met de neuroloog
van patiënte. Daarbij heeft hij vernomen dat, ondanks langdurige pogingen, nog geen
afdoende
medicatie was gevonden tegen de clusterhoofdpijn en dat de morfine in vloeibare
vorm wel een goed
effect heeft, maar de morfine in tabletvorm niet. Ook nadien heeft verweerder contact
gehad met die
neuroloog over de clusterhoofdpijn en de medicatie daarvoor, onder meer naar aanleiding
van de
wegrakingen van patiënte, die ook in de PI, tot aan haar overlijden aan toe, voorkwamen.
Op 26
oktober 2020 heeft verweerder de dagelijkse escilatopram verhoogd van 10 mg naar
15 mg en heeft hij
patiënte temazepam 20 mg per tablet, 1 tablet per dag, voorgeschreven.
3.4 Van 15 december 2020 tot 26 januari 2021 verbleef patiënte in een verslavingskliniek,
waar
zij aan de morfine ontwend is. Zij gebruikte bij terugkomst in de PI dezelfde medicijnen
als onder
3.2 genoemd, met uitzondering van de morfine.
Op 4 februari 2021 is haar medicatie uitgebreid met ibuprofen, 600 mg per sachet,
1 tot 3 sachets
per dag en op 23 februari 2021 met doxazosine, 4 mg per tablet, 1 tablet per dag,
per 5 maart 2021
2 tabletten per dag.
3.5 Op 24 maart 2021 heeft, naar aanleiding van gestage gewichtstoename van patiënte,
laboratoriumonderzoek naar haar schildklierwaarden plaatsgehad. De uitslag daarvan
was dat de
TSH-waarde 0,01 bedroeg, de FT4-waarde 21,8 en de FT3-waarde 1,8. Na overleg met
de neuroloog heeft
de aan de PI verbonden psychiater besloten aan patiënte, in verband met haar bipolaire
stoornis,
lithium voor te schrijven. In dat overleg is besproken pas na het opstarten van
de lithium te
starten met het afbouwen van de gabapentine en dat de topiramaat kon worden gehandhaafd
in verband
met de nachtmerries van patiënte.
3.6 Begin april 2021 is gestart met lithium. Ook heeft patiënte toen kortdurend promethazine
voorgeschreven gekregen in verband met huiduitslag.
3.7 Patiënte leed aan chronische lage-rugpijn. Die verergerden na het stoppen met
morfine en
tramadol. Naar aanleiding daarvan is patiënte medio juni 2021 aangemeld bij de pijnpoli.
In juli
2021 heeft er overleg plaatsgehad met de neuroloog van patiënte over haar rugpijn
en de bevindingen
van de neuroloog daarover. Op 15 en 22 juli 2021 heeft patiënte bursa-injecties
in haar heup gehad,
die geen verlichting gaven.
3.8 Op 9 juli 2021 is de medicatie van patiënte uitgebreid met tamsulosine, 0,4
mg per capsule, 2
capsules per dag. De doxazosine was een dag ervoor gestopt. Beide middelen gebruikte
patiënte op
voorschrift van de psychiater.
3.9 Op 19 augustus 2021 had patiënte weer last van erge rugpijn. Zij is daarvoor
opnieuw verwezen
naar de pijnpoli en haar is naproxen 500 mg per tablet voorgeschreven.
3.10 Op 22 september 2021 heeft herhaald laboratoriumonderzoek naar de schildklierwaarden
van
patiënte plaatsgehad. De uitslag daarvan was dat de TSH-waarde 0,05 bedroeg, de
FT4-waarde 14,9 en
de FT3-waarde 1,9.
3.11 Op 3 november 2021 is aan patiënte pregabaline 25 mg per capsule, driemaal daags
twee
capsules, voorgeschreven. De inname van gabapentine werd vanaf 5 november 2021 verminderd
van 600
mg per tablet, driemaal daags één tablet, naar 400 mg per capsule, driemaal daags
één capsule.
Patiënte had daarna meer last van clusterhoofdpijn. Op 12 november 2021 is de dosis
pregabaline
verhoogd naar 150 mg per capsule, tweemaal daags één capsule.
3.12 Op 12 november 2021 is op de pijnpoli besloten bij patiënte een zenuwblokkade
aan te brengen
in verband met haar voortdurende rugpijn. Op 26 november 2021 is de dosis pregabaline
verder
verhoogd naar 300 mg per capsule, tweemaal daags één capsule.
3.13 Sinds begin februari 2022 had patiënte last van vochtophoping in haar benen.
Daarvoor is
bloedonderzoek aangevraagd en haar is kortdurend furosemide 40 mg per tablet, 1
tablet per dag,
voorgeschreven. De dosis furosemide is op 10 maart 2022 verdubbeld, wat werd beslist
door een
huisarts-collega van verweerder. Op 12 maart 2022 zijn de benen van patiënte gezwachteld.
Toen is
haar ook, in verband met aanhoudende pijnen, waardoor zij al vijf nachten niet had
geslapen, door
verweerder oxycodon voorgeschreven. Het voorschrift betrof een capsule van 10 mg
(kortwerkend; een
capsule per dag) en 30 tabletten van 10 mg met gereguleerde afgifte (langwerkend;
tweemaal daags
een tablet). De tramadol werd gestopt. Op 14 maart 2022 is de dosis van de oxycodon
verlaagd naar 5
mg per tablet, tweemaal daags een tablet.
3.14 Op 2 maart 2022 heeft herhaald laboratoriumonderzoek naar de schildklierwaarden
van patiënte
plaatsgehad. De uitslag daarvan was dat de TSH-waarde 0,15 bedroeg, en de FT4-waarde
16,2.
3.15 In de ochtend van [.....] is patiënte levenloos in haar cel aangetroffen. Haar
gewicht
bij haar overlijden was 97,52 kilo. Bij aanvang van haar detentie woog zij 57 kilo.
3.16 In de PI vindt een wekelijks psychomedisch overleg (hierna: PMO) plaats, waarin
kwetsbare
gedetineerden worden besproken. Aan dat overleg nemen deel de aan de PI verbonden
psychiater,
psychologen, verpleegkundigen en de (die dag dienstdoende) huisarts. Ook patiënte
en haar
gezondheidssituatie werden in het PMO besproken. Wat in het PMO besproken werd,
werd teruggekoppeld
aan de eerst aangewezen huisarts van een patiënt, wanneer die niet zelf bij het
overleg aanwezig
was geweest.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager heeft in zijn aanvankelijke klaagschrift 14 verwijten aan verweerder
gemaakt. Kort
voor de mondelinge behandeling van zijn klacht heeft hij een aantal van die verwijten
ingetrokken.
De gehandhaafde verwijten houden in dat verweerder:
a) tekort is geschoten in de algemene analyse en diagnose van patiëntes gezondheidssituatie;
b) de uitkomsten van de onderzoeken van patiëntes schildklierwaarden verkeerd heeft
geïnterpreteerd;
c) ten onrechte een gevaarlijke combinatie van medicijnen aan patiënte heeft voorgeschreven;
d) tekort is geschoten in de behandeling van patiëntes rugpijn;
e) patiënte ten onrechte morfine heeft voorgeschreven, gelet op haar morfineverslaving;
f) onvoldoende heeft gedaan ter behandeling van patiëntes gewichtstoename;
g) heeft verzuimd nader onderzoek te doen naar het oedeem in de benen van patiënte.
4.2 Klager beroept zich ter onderbouwing van zijn klachten op een rapport van een
medisch
specialist en hoogleraar, hierna: de deskundige. Deze heeft zijn rapport, omtrent
de tijdens de
detentie aan patiënte verleende zorg, opgesteld op verzoek van de rechtbank, in
een civiele
aansprakelijkheidszaak die klager heeft aangespannen. Onder verwijzing naar dat
rapport licht
klager zijn diverse klachtonderdelen als volgt nader toe:
a) Het heeft ontbroken aan een overkoepelende analyse en behandeling van patiëntes
klachten,
waarbij het brede perspectief van haar situatie als geheel werd recht gedaan.
b) De onderzoeken naar de schildklierwaarden van patiënte (de TSH-waarden steeds
te laag, de
FT4-waarden steeds binnen de norm, de FT3-waarden veelal te laag) hadden verweerder
aanleiding
moeten geven tot nader onderzoek, heroverweging van haar dosis thyroxine of verwijzing
naar een
internist-endocrinoloog, mede gezien haar gewichtstoename en relatief trage hartslag.
c) Verweerder heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de risicovolle uitwerkingen
die de
diverse medicijnen van patiënte onderling konden hebben en van het geheel aan bijwerkingen
van die
medicijnen, bijvoorbeeld ten aanzien van de combinatie pregabaline en oxycodon en
de combinatie
furosemide en naproxen.
d) Verweerder heeft ten onrechte geen nadere diagnostiek naar de rugpijn verricht
en hij heeft
teveel gefocust op pijnstilling.
e) Het voorschrijven van morfine aan een patiënte die verslavingsgevoelig is voor
opiaten (en bij
wie de hoofdpijnklachten aan opiatengebruik waren gerelateerd) is niet verantwoord.
f) Er ontbreekt een volledige medisch-somatische (incluis medicamenteuze) analyse
van patiëntes
gewichtstoename en daarmee ook een therapeutisch plan en een begeleidingstraject
door een diëtist.
g) Ten onrechte zijn slechts de symptomen van het oedeem in patiëntes benen behandeld,
zonder
analyse van de oorzaak. Ook was er onvoldoende toezicht op de gevolgen van de aan
patiënte
voorgeschreven furosemide.
4.3 Verweerder is het niet eens met de verwijten die klager hem maakt. Verweerder
stelt dat de
klachten ongegrond moeten worden verklaard en hij licht dat als volgt toe:
a) Er was steeds sprake van een zorgvuldige, klinisch beredeneerde, behandeling
van patiënte,
waarbij ook overleg heeft plaatsgehad met specialisten, zoals de neuroloog en de
pijnpoli. Van
belang is dat patiënte een complexe voorgeschiedenis had met somatische en psychische
problematiek.
b) De bij patiënte gevonden FT4-waarden binnen de NHG-standaarden en de TSH-waarden
waren licht
onderdrukt, wat niet wijst op een pathologische hyperthyreoïdie (te snel werkende
schildklier);
verweerder heeft het terechte beleid voortgezet van zijn collega-huisarts in de
PI om niet de
medicatie van patiënte te verhogen (zoals patiënte wilde met het oog op gewichtsverlies).
Er was
geen indicatie voor verwijzing naar een internist en de interpretatie van FT3-waarden
behoort niet
tot eerstelijnsdiagnostiek. Het beleid was terughoudend, verantwoord en richtlijnconform.
c) De uitgebreide lijst met aan patiënte voorgeschreven medicatie is opgenomen
in het
registratiesysteem HIS (dat interacties signaleert) en de medicatie is zonodig besproken
met de
apotheker. De twee specifieke combinaties van medicijnen die klager noemt, zijn
slechts kort
toegepast en waren medisch onderbouwd. Verweerder heeft geprobeerd af te bouwen
waar dat kon en ten
aanzien van de gabapentine is dat in overleg met de neuroloog gebeurd.
d) Voor de rugpijn, waar patiënte al lang last van had, is zij naar de pijnpoli
verwezen en daar
is een zenuwblokkade uitgevoerd. In de PI heeft zij pijnmedicatie gekregen en (voor
zover mogelijk
in de PI) fysiotherapie. De behandeling is steeds geëvalueerd en aangepast aan de
medische situatie
van patiënte, haar voorgeschiedenis en haar beperkte mobiliteit.
e) Verweerder heeft steeds rekening gehouden met patiëntes verslavingsverleden
en was daardoor
terughoudend in het voorschrijven van morfine. De oxycodon is pas – in een beperkte
en
gecontroleerde dosis en na teamoverleg – voorgeschreven in de laatste weken van
patiëntes leven.
Dat was verantwoord omdat de andere pijnmedicatie niet hielp tegen de ernstige rugpijn
en patiëntes
functionele beperkingen en zij een hoge lijdensdruk ervaarde.
f) Er is voldoende aandacht geweest voor de gewichtstoename. Zo is in overleg met
de neuroloog de
gabapentine afgebouwd ten gunste van de pregabaline. Ook was er aandacht voor leefstijl,
beweging
en voeding.
g) Verweerder heeft patiënte in februari en maart 2022 meermalen gezien in verband
met het oedeem
in haar benen. Daarvoor is furosemide voorgeschreven waarvan nadien de dosis nog
is verhoogd. Het
beleid werd klinisch geëvalueerd en was, bij de eerder gevonden normale nierwaarden,
verantwoord.
Dat bij de verhoging van de dosis furosemide geen aanvullend bloedonderzoek is gedaan
naar
elektrolyten en nierfunctie (zoals wel had gemoeten), betekent niet dat verweerders
beleid
gebrekkig was.
4.4 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Voor het college overgaat tot de beoordeling van de klacht en het verweer,
merkt het college
op dat het heel goed begrijpt hoe verdrietig en ingrijpend het overlijden van patiënte
is voor
klager en haar andere naasten. Dat neemt niet weg dat het de taak van het college
is om de klacht
en het verweer te beoordelen aan de hand van de zakelijke normen die in een tuchtprocedure
als deze
gelden. Hoe die beoordeling plaatsvindt wordt hierna toegelicht.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat
een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
5.3 Omdat klachtonderdeel a) een algemeen geformuleerde klacht is en de overige
onderdelen
specifieke deelverwijten aan verweerder inhouden, zal het college eerst die overige
verwijten – b)
tot en met g) – behandelen. Daarna kan worden beoordeeld of er, anders dan op de
punten van die
overige klachten, in het algemeen sprake is van klachtwaardig handelen van verweerder.
5.4 Klachtonderdeel b): het handelen omtrent de schildklierwaarden van patiënte
5.4.1 Het college stelt ten aanzien van de schildklierwaarden van patiënte, zoals
die bleken uit
haar bloedonderzoeken van 24 maart 2021, 22 september 2021 en 2 maart 2022 (zie
onder 3.5, 3.10 en
3.14), het volgende vast. Voor de gevonden FT4-waarden geldt dat deze (respectievelijk
21,8, 14,9
en 16,2 pmol/l) binnen de marge zijn die daarvoor op grond van de toepasselijke
richtlijn geldt (
9-24 pmol/l). Die richtlijn betreft de NHG Standaard Schildklierafwijkingen. De
gevonden
TSH-waarden (respectievelijk) 0,01, 0,05 en 0,15 mU/l) liggen onder de – op basis
van diezelfde
richtlijn – daarvoor geldende marge (0,4 – 4.0 mU/l).
5.4.2 Uit het medisch dossier en de toelichtingen tijdens de zitting volgt dat verweerder
het eens
was met de beslissing van zijn collega-huisarts in de PI om– ondanks dat patiënte
daarom vroeg met
het oog op haar gewichtstoename – de aan patiënte voorgeschreven medicatie (Euthyrox)
niet te
verhogen. Ook verweerder zelf is om die reden niet tot verhoging daarvan overgegaan.
Op zichzelf
bezien is die beslissing te billijken, aangezien een verhoging tot verdere verslechtering
van (met
name de TSH-)waarden had kunnen leiden. Maar dat neemt niet weg dat verweerder naar
het oordeel van
het college gehouden was om een alternatieve behandeling voor patiëntes schildklierproblemen
te
overwegen en in te zetten, zoals de verlaging van de voorgeschreven medicatiedosis.
De aanhoudende
lage TSH-waarden rechtvaardigen niet dat verweerder, zoals het geval was, het gelaten
heeft bij de
bestaande medicatiedosis. In zoverre is hij tekort geschoten in de zorg die van
hem mocht worden verlangd. In zoverre is dit klachtonderdeel gegrond. Aan de stelling
dat verweerder
ten onrechte heeft verzuimd patiënte door te verwijzen naar een specialist
(internist-endocrinoloog) gaat het college voorbij, omdat de beoordeling en behandeling
van een
schildklierprobleem als hier aan de orde, tot de reguliere taken van een huisarts
behoren en een
verwijzing dus niet noodzakelijk was.
5.5 Klachtonderdeel c): het handelen omtrent het totaal aan medicijnen die aan patiënte
waren
voorgeschreven
5.5.1 Ten aanzien van twee combinaties van telkens twee geneesmiddelen is het college
van oordeel
dat verweerder onvoldoende heeft gedaan ter controle van de uitwerking van die combinaties
op de
gezondheidssituatie van patiënte. Daarbij gaat het allereerst om de combinatie van
pregabaline en
oxycodon. Deze medicijncombinatie, zoals vanaf 12 maart 2022 deel uitmakend van
patiëntes
medicatie, is weliswaar niet een combinatie die een zodanig risico aan bijwerkingen
meebrengt dat
er sprake is van een absolute contra-indicatie om die combinatie voor te schrijven.
Maar er is wel
sprake van een mogelijke contra-indicatie. De combinatie brengt namelijk een risico
mee op sufheid
en ademhalingsproblemen. De omvang van dat risico vereist dat de voorschrijvende
arts zich dient te
beraden op de beleidsmatige vraag of en onder welke voorwaarden de betrokken patiënt
(en diens
gezondheidssituatie) dat risico kan dragen. Dat gold temeer voor verweerder omdat
sprake was van
een complexe gezondheidssituatie van patiënte, haar wegrakingen (die tot aan het
einde toe
voorkwamen) en de veelheid van haar medicijnen, waaronder ook andere vormen van
pijnmedicatie. In
het geval van patiënte was om die reden een nader bloedonderzoek nodig geweest,
alvorens tot deze
medicatie kon worden overgegaan. Zo’n onderzoek is er niet geweest en ook overigens
is aan het
college niet gebleken dat verweerder de vereiste beleidsoverwegingen heeft gemaakt,
bij aanvang van
de bedoelde medicijncombinatie, noch gedurende de tijd daarna.
5.5.2 De andere combinatie van medicijnen waartegen dit klachtonderdeel is gericht,
is de
combinatie van naproxen en furosemide. Naproxen kan de nierfunctie verslechteren
en dat effect kan
vergroot worden wanneer daarnaast ook furosemide wordt gebruikt. Dat risico vereiste
in het geval
van patiënte dat, direct toen de bedoelde medicijnen beide werden voorgeschreven
(begin februari
2022) of kort daarna, nieronderzoek werd gedaan. Ook hier is de complexe gezondheidssituatie
van
patiënte van belang, maar vooral het totale pakket van de door haar gebruikte medicatie.
Alleen aan
de hand van een recent nieronderzoek had kunnen worden beoordeeld of het bedoelde
risico in het
geval van patiënte aanvaardbaar was. Verweerder mocht daarbij niet uitgaan van een
nieronderzoek
dat patiënte ongeveer een jaar eerder, in maart 2021, had ondergaan. De resultaten
van dat
onderzoek waren te oud om in februari 2022 te kunnen dienen als ondersteuning van
het toen gevoerde
medicatiebeleid. Weliswaar heeft, hoewel een dergelijk onderzoek gepland was, per
abuis op 28
februari 2022 geen nierfunctie-onderzoek van patiënte plaatsgehad en had verweerder
de intentie dat
onderzoek nadien alsnog te laten plaatsvinden, maar daarop heeft hij niet mogen
wachten.
5.5.3 Het voorgaande betekent dat verweerder, waar het op de beide combinaties van
medicijnen
aankomt, niet de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. In zoverre
is het
klachtonderdeel gegrond. Voor zover klager heeft willen aanvoeren dat de zorg van
verweerder
omtrent de diverse medicijnen ook overigens tekort is geschoten, faalt die stelling.
Het college
heeft in het dossier en de standpunten van klager en verweerder geen grond gevonden
voor de slotsom
dat verweerder, voor zover hij die medicijnen zelf voorschreef, onvoldoende heeft
gelet op de
werkzaamheid van de medicijnen in hun onderlinge verband of op hun bijwerkingen.
5.6 Klachtonderdeel d): het handelen omtrent de rugklachten van patiënte
Het college stelt op grond van het medisch dossier van patiënte vast dat haar langdurige
lage-rugpijn veelvuldig onderwerp is geweest van de door verweerder aan haar verleende
zorg,
waarbij het gevoerde beleid is geëvalueerd en aangepast, op geleide van haar medische
situatie en
beperkte mobiliteit. Zo heeft er telkens een beoordeling plaatsgevonden van de aan
patiënte voor te
schrijven pijnstilling, is zij naar de pijnpoli verwezen alwaar een zenuwblokkade
is uitgevoerd en
is haar (voor zover mogelijk in de PI) fysiotherapie aangeboden. Het college ziet
niet dat
verweerder in deze zorg is tekortgeschoten doordat hij zaken onjuist zou hebben
beoordeeld of ten
onrechte geïndiceerd nader onderzoek zou hebben nagelaten. Dit klachtonderdeel is
daarom ongegrond.
5.7 Klachtonderdeel e): het handelen omtrent het voorschrijven van morfine (oxycodon)
5.7.1 In het algemeen dient terughoudend te worden omgegaan met het voorschrijven
van morfine of
andere opiaten aan patiënten die daaraan verslaafd zijn geweest, gelet op het risico
van terugval.
Verweerder heeft aangevoerd zich daarvan bewust te zijn geweest maar desondanks
toch te hebben
mogen overgaan tot het voorschrijven van een gecontroleerde en beperkte dosis oxycodon.
5.7.2 Naar het oordeel van het college is voldoende komen vast te staan dat de alternatieve
behandelwijzen van patiëntes rugpijn, die geen soelaas boden, waren uitgeput en
dat patiënte door
haar ernstige pijn een ondraaglijke lijdensdruk (waaronder het niet kunnen slapen,
slecht kunnen
bewegen en steeds meer beperkte mobiliteit) ervaarde. Niets doen was daardoor voor
verweerder geen
optie. Onder die omstandigheden kan het college billijken dat verweerder, ook ondanks
de voornoemde
terughoudendheid, op 11 maart 2022 kortdurend (voor circa 15 dagen) oxycodon in
een beperkte – en
op 14 maart 2022 aangepaste (verhoogd naar tweemaal daags 15 mg) dosis voorschreef,
na overleg
binnen het PMO. Daarbij is van belang, zoals door verweerder op de zitting is toegelicht,
dat het
voorschrijven plaatsvond kort voor een gepland herbezoek van patiënte aan de pijnpoli.
Van een
acute, hernieuwde, verslavingsproblematiek die verweerder toch van het voorschrijven
had moeten
weerhouden, is het college niet gebleken. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
5.8 Klachtonderdeel f): het handelen omtrent de gewichtstoename van patiënte Klachtonderdeel
g):
het handelen omtrent het oedeem in de benen van patiënte
5.8.1 Het college behandelt deze klachtonderdelen tezamen, omdat zij onderling met
elkaar
samenhangen.
5.8.2 Aan verweerder moet worden toegegeven dat hij beleid heeft ingezet ten aanzien
van zowel de
gewichtstoename van patiënte als het oedeem in haar benen. Het beleid ten aanzien
van de
gewichtstoename bestond in de afbouw van de gabapentine ten gunste van de pregabaline
en advisering
omtrent beweging, leefstijl en voeding. Het beleid ten aanzien van het oedeem bestond
in het
voorschrijven van furosemide (waarvan de dosering nadien is verhoogd).
5.8.3 Gelet op de grote mate van gewichtstoename van patiënte gedurende haar detentie
in relatie
tot de aanmerkelijke en snel toenemende oedeemvorming in haar benen had verweerder
naar het oordeel
van het college niet met het genoemde beleid mogen volstaan. Het geheel van de genoemde
omstandigheden had hem ertoe moeten brengen daarnaar snel en adequaat diagnostisch
onderzoek te
doen, zoals – in ieder geval – bloedonderzoek. Dat geldt temeer nu de oedeemvorming
optrad vanaf
enkele weken voor het overlijden van patiënte, toen zij al - nagenoeg – het hoge
gewicht van ruim
97 kilo zal hebben gehad. Dat hij dat heeft nagelaten, betekent dat hij op dit punt
niet de van hem
te verwachten zorg heeft verleend. Deze klachtonderdelen zijn daarom gegrond.
5.9 Klachtonderdeel a): het overige handelen omtrent de analyse en behandeling van
patiëntes
gezondheidsklachten
5.9.1 Klager heeft dit klachtonderdeel in algemene bewoordingen geformuleerd, zonder
daarbij
(voldoende) concrete feiten of omstandigheden te noemen waarop hij zijn slotsom
baseert. Zijn
algemene verwijzing naar het rapport van de deskundige maakt dat niet anders, omdat
de door de
deskundige gebezigde argumenten feitelijk hoofdzakelijk betrekking hebben op de
overige
deelklachten van klager. Die deelklachten, voor zover door klager gehandhaafd, zijn
hiervoor door
het college beoordeeld.
5.9.2 Het college ziet ook eigener beweging in het medisch dossier van patiënte,
de overige in
geding gebrachte stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, geen grond
om te concluderen
dat verweerders algemene klacht hout snijdt. Dat klachtonderdeel is daarom ongegrond.
5.10 De slotsom van het voorgaande is dat de klacht gegrond is, waar het de onderdelen
b), c), f)
en g) betreft en dat de klacht voor het overige ongegrond is.
5.11 De aan verweerder op te leggen maatregel
5.11.1 Bij de overwegingen welke maatregel in verband met de gegrond verklaarde
klachtonderdelen
aan verweerder moet worden opgelegd, heeft het college enerzijds acht geslagen op
aard en ernst van
die klachtonderdelen. Het college neemt daarbij niet als maatstaf of, en zo, ja
in welke mate het klachtwaardige handelen of nalaten van verweerder in concreto tot
verslechtering van de gezondheidssituatie van patiënte heeft geleid. Die maatstaf maakt
geen deel uit van een tuchtrechtelijke beoordeling, omdat het gaat om de beoordeling
van dat
handelen of nalaten op het moment waarop het plaatsvond. Daarom kan worden afgezien
van de
beoordeling of er hier aanknopingspunten zijn die licht werpen op
die gevolgvraag.
5.11.2 Aan de andere kant heeft het college vastgesteld dat de gezondheidssituatie
van patiënte een
complexe was, omdat zij veel diverse, vaak langdurige, klachten had van somatische
en psychische
aard en daardoor intensieve en complexe huisartsenzorg verlangde. Daartoe behoorde
dat zij veel
pijn ervaarde en een hoge lijdensdruk, die verweerder heeft willen verlichten. De
weging van het
gedrag van verweerder moet, waar het gaat om de op te leggen maatregel, tegen die
achtergrond
plaatsvinden. Ook telt mee dat het college heeft vastgesteld dat verweerder zich
steeds toetsbaar
heeft opgesteld en heeft willen reflecteren op de kwaliteit van zijn handelen, gezien
zijn deelname
aan het PMO en de inbreng van de gegevens van patiënte daarin en gezien hetgeen
het college tijdens
het mondelinge vooronderzoek en op de zitting heeft waargenomen. Verder telt mee
dat niet eerder
aan verweerder een tuchtrechtelijke sanctie is opgelegd.
5.11.3 Deze overwegingen samen brengen het college tot het oordeel dat de maatregel
van een aan
verweerder op te leggen waarschuwing passend is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen b), c), f) en g) gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel op van een waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 14 januari 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk,
voorzitter, R.A. Steenbergen, lid-jurist, E. Jansen, N.B. van der Maas en
J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.M. Hillenaar, secretaris.