ECLI:NL:TGZRSHE:2026:11 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8044
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:11 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-01-2026 |
| Datum publicatie: | 14-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8044 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen huisarts in PI. Vader van overleden patiënte verwijt de huisarts het voorschrijven van gevaarlijke combinaties van medicijnen, het voorschrijven van morfine terwijl patiënte morfineverslaafd was en het doen van onvoldoende onderzoek naar oedeem. Zeer complexe medische situatie van patiënte. Ondraaglijke lijdensdruk. Alternatieve behandelmethoden waren uitgeput. Geen absolute contra-indicaties. Voorschrijven medicatie is te billijken. Het volgen van het reeds ingezette beleid voor oedeemvorming, was niet onjuist. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 14 januari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in[B]
klager,
gemachtigden: mr. H.J. Oosterhagen en mr. H.L. Hendriks werkzaam in Bodegraven,
tegen
[C],
arts, destijds huisarts,
werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. L.F.W van Zuijlen werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De dochter van klager (hierna aangeduid als ‘patiënte’) was van 16 oktober
2020 tot
15 december 2020 en van 26 januari 2021 tot aan haar overlijden op [.....] gedetineerd
in
een penitentiaire inrichting (hierna : de PI). In de tussenliggende periode verbleef
zij in een
verslavingskliniek. Aan de PI is een aantal huisartsen verbonden. Een gedetineerde
heeft één van
hen als vaste huisarts. Verweerder is nimmer de vaste huisarts van patiënte geweest,
maar hij heeft
haar wel in maart 2022 een aantal keren gezien, toen hij inviel voor haar
vaste huisarts.
1.2 Klager verwijt verweerder dat hij a) een gevaarlijke combinatie van medicijnen
aan patiënte
heeft voorgeschreven, b) haar morfine heeft voorgeschreven terwijl zij morfineverslaafd
was en c)
geen nader onderzoek heeft gedaan naar het oedeem in haar benen. Verweerder is van
mening dat hem
geen tuchtrechtelijk verwijt treft.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna licht het
college toe hoe
het tot dit oordeel is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2025;
- de brief van de gemachtigde van klager van 7 november 2025, met bijlage.
2.2 De klacht is behandeld tijdens de zitting van het college op 14 november 2025.
Klagers
gemachtigden waren daar aanwezig. Klager zelf was afwezig. Verweerder was aanwezig,
met zijn
gemachtigde. Zij hebben hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigden van klager
aan de hand
van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het college en de wederpartij overgelegd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënte was van 16 oktober 2020 tot 15 december 2020 gedetineerd in de PI.
Van 15 december
2020 tot 26 januari 2021 verbleef zij in een verslavingskliniek. Vanaf 26 januari
2021 tot aan haar
overlijden op [.....] verbleef zij weer in de PI. In de PI is een team van
huisartsen werkzaam. Verweerder was op geen moment van haar verblijf in de PI haar
vaste huisarts,
maar hij heeft – in maart 2022, tegen het einde van dat verblijf – patiënte wel
driemaal gezien als
vervanger van haar vaste huisarts.
3.2 Patiënte was al voor haar detentie onder behandeling van een neuroloog in verband
met
clusterhoofdpijn en gebruikte in verband daarmee zuurstof en morfine. Een verblijf
in een
verslavingskliniek was destijds al aangevraagd. Patiënte gebruikte bij aanvang van
haar detentie de
volgende medicijnen:
- injectieampullen morfine, 1 ampul met 1 ml (10 mg per ml) per dag
- injectieampullen sumatriptan, 1 ampul ad 0,5 ml (12 mg per ml) per dag
- salbutamol aerosol, 100 microgram per dosis, 4 doses per dag
- quetiapine, 25 mg per tablet, 1 tablet per dag
- morfinetabletten, 10 mg per tablet, 2 tabletten per dag
- Movicolon naturel, 1 sachet per dag
- Euthyrox, 125 microgram per tablet, 1 tablet per dag
- gabapentine, 600 mg per tablet, 3 tabletten per dag
- gabapentine, 300 mg per capsule, 3 capsules per dag
- fluticason/vilante, 92/22 microgram per dosis, 1 dosis per dag
- diazepam, 10 mg per tablet, 3 tabletten per dag
- topiramaat, 25 mg per tablet, tweemaal twee tabletten per dag
- escitalopram, 10 mg per tablet, 1 tablet per dag.
3.3 De vaste huisarts van patiënte in de PI heeft de door patiënte gebruikte medicatie
bij
gelegenheid van de intake met de psychiater van de PI besproken. Die collega van
verweerder heeft
op 19 oktober 2020 contact gehad met de neuroloog van patiënte. Daarbij heeft hij
vernomen dat,
ondanks langdurige pogingen, nog geen afdoende medicatie was gevonden tegen de clusterhoofdpijn
en
dat de morfine in vloeibare vorm wel een goed effect heeft, maar de morfine in tabletvorm
niet. Ook
nadien heeft die collega contact gehad met die neuroloog over de clusterhoofdpijn
en de medicatie
daarvoor, onder meer naar aanleiding van de wegrakingen van patiënte, die ook in
de PI, tot aan
haar overlijden aan toe, voorkwamen. Op 26 oktober 2020 heeft die collega de dagelijkse
escilatopram verhoogd van
10 mg naar 15 mg en heeft hij patiënte temazepam 20 mg per tablet, 1 tablet per
dag,
voorgeschreven.
3.4 Van 15 december 2020 tot 26 januari 2021 verbleef patiënte in een verslavingskliniek,
waar
zij aan de morfine ontwend is. Zij gebruikte bij terugkomst in de PI dezelfde medicijnen
als onder
3.2. genoemd, met uitzondering van de morfine.
Op 4 februari 2021 is haar medicatie uitgebreid met ibuprofen, 600 mg per sachet,
1 tot 3 sachets
per dag en op 23 februari 2021 met doxazosine, 4 mg per tablet, 1 tablet per dag,
per 5 maart 2021
2 tabletten per dag.
3.5 Op 24 maart 2021 heeft, naar aanleiding van gestage gewichtstoename van patiënte,
laboratoriumonderzoek naar haar schildklierwaarden plaatsgehad. Na overleg met de
neuroloog heeft
de aan de PI verbonden psychiater besloten aan patiënte, in verband met haar bipolaire
stoornis,
lithium voor te schrijven. In dat overleg is besproken dat pas na het opstarten
van de lithium de
gabapentine kon worden afgebouwd en dat de topiramaat kon worden gehandhaafd in
verband met de
nachtmerries van patiënte.
3.6 Begin april 2021 is gestart met lithium. Ook heeft patiënte toen kortdurend promethazine
voorgeschreven gekregen in verband met huiduitslag.
3.7 Patiënte leed aan chronische lage-rugpijn. Die verergerden na het stoppen met
morfine en
tramadol. Naar aanleiding daarvan is patiënte medio juni 2021 aangemeld bij de pijnpoli.
In juli
2021 heeft er overleg plaatsgehad met de neuroloog van patiënte over haar rugpijn
en de bevindingen
van de neuroloog daarover. Op 15 en 22 juli 2021 heeft patiënte bursa-injecties
in haar heup gehad,
die geen verlichting gaven.
3.8 Op 9 juli 2021 is de medicatie van patiënte uitgebreid met tamsulosine, 0,4
mg per capsule, 2
capsules per dag. De doxazosine was een dag ervoor gestopt.
3.9 Op 19 augustus 2021 had patiënte weer last van erge rugpijn. Zij is daarvoor
opnieuw verwezen
naar de pijnpoli en haar is naproxen 500 mg per tablet voorgeschreven.
3.10 Op 22 september 2021 heeft herhaald laboratoriumonderzoek naar de schildklierwaarden
van
patiënte plaatsgehad.
3.11 Op 3 november 2021 is aan patiënte pregabaline 25 mg per capsule, driemaal daags
twee
capsules, voorgeschreven. De inname van gabapentine werd vanaf 5 november 2021 verminderd,
van 600
mg per tablet, driemaal daags één tablet, naar 400 mg per capsule, driemaal daags
één capsule.
Patiënte had daarna meer last van clusterhoofdpijn. Op 12 november 2021 is de dosis
pregabaline
verhoogd naar 150 mg per capsule, tweemaal daags één capsule.
3.12 Op 12 november 2021 is op de pijnpoli besloten bij patiënte een zenuwblokkade
aan te brengen
in verband met haar voortdurende rugpijn. Op 26 november 2021 is de dosis pregabaline
verder
verhoogd naar 300 mg per capsule, tweemaal daags één capsule.
3.13 Op maandag 7 maart 2022 heeft verweerder, die toen als waarnemer voor de vaste
huisarts van
patiënte optrad, haar in verband met haar aanhoudende rugpijnen, tramadol voorgeschreven,
50 mg per
capsule, driemaal daags een capsule. Hij heeft daarover in het medisch dossier opgeschreven
(alle
citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven): “vrij eigen ha voor
definitief
beleid” (het college begrijpt: vrijdag eigen huisarts voor definitief beleid). Op
8 maart 2022, ook
toen trad hij op als waarnemer, heeft verweerder die dosis verhoogd naar 100 mg
per capsule,
tweemaal daags een capsule. Dit was naar aanleiding van de uitlating van patiënte
“dat ze het in de
nacht niet redt qua pijn”.
3.14 Sinds begin februari 2022 had patiënte last van vochtophoping in haar benen.
Daarvoor is
bloedonderzoek aangevraagd en haar is kortdurend furosemide 40 mg per tablet, 1
tablet per dag,
voorgeschreven. Verweerder, die ook toen als waarnemer voor de vaste huisarts van
patiënte optrad,
heeft de dosis furosemide op 10 maart 2022 verdubbeld (40 mg per tablet, tweemaal
daags een
tablet). Na 10 maart 2022 werd patiënte weer gezien door haar vaste huisarts. Al
enige dagen voor
vrijdag 11 maart 2022 stond een afspraak op die dag gepland van patiënte met haar
vaste huisarts.
Die huisarts heeft op 11 maart 2022 besloten de tramadol te stoppen.
3.15 Op 2 maart 2022 heeft herhaald laboratoriumonderzoek naar de schildklierwaarden
van patiënte
plaatsgehad.
3.16 In de ochtend van [.....] is patiënte levenloos in haar cel aangetroffen.
3.17 In de PI vindt een wekelijks psychomedisch overleg (hierna: PMO) plaats, waarin
kwetsbare
gedetineerden worden besproken. Aan dat overleg nemen deel de aan de PI verbonden
psychiater,
psychologen, verpleegkundigen en de (die dag dienstdoende) huisarts. Ook patiënte
en haar
gezondheidssituatie werden in het PMO besproken. Wat in het PMO besproken werd,
werd teruggekoppeld
aan de eerst aangewezen huisarts van een patiënt, wanneer die niet zelf bij het
overleg aanwezig
was geweest.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager heeft in zijn aanvankelijke klaagschrift 14 verwijten aan verweerder
gemaakt. Kort
voor de mondelinge behandeling van zijn klacht heeft hij een aantal van die verwijten
ingetrokken.
De gehandhaafde verwijten houden in dat verweerder:
a) ten onrechte een gevaarlijke combinatie van medicijnen aan patiënte heeft voorgeschreven;
b) patiënte ten onrechte morfine heeft voorgeschreven, gelet op haar morfineverslaving;
c) heeft verzuimd nader onderzoek te doen naar het oedeem in de benen van patiënte.
4.2 Klager beroept zich ter onderbouwing van zijn klachten op een rapport van een
medisch
specialist en hoogleraar, hierna: de deskundige. Deze heeft zijn rapport, omtrent
de tijdens de
detentie aan patiënte verleende zorg, opgesteld op verzoek van de rechtbank, in
een civiele
aansprakelijkheidszaak die klager heeft aangespannen. Onder verwijzing naar dat
rapport licht
klager zijn klachtonderdelen als volgt nader toe:
a) Verweerder heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de risicovolle uitwerkingen
die de
diverse medicijnen van patiënte onderling konden hebben en van het geheel aan bijwerkingen
van die
medicijnen, met name waar het gaat om de combinatie van pregabaline, tramadol, furosemide
en
naproxen.
b) Het voorschrijven van morfine aan een patiënte die verslavingsgevoelig is voor
opiaten (en bij
wie de hoofdpijnklachten aan opiatengebruik waren gerelateerd) is niet verantwoord.
c) Ten onrechte zijn slechts de symptomen van het oedeem in patiëntes benen behandeld,
zonder
analyse van de oorzaak. Ook was er onvoldoende toezicht op de gevolgen van de aan
patiënte
voorgeschreven furosemide.
4.3 Verweerder is het niet eens met de verwijten die klager hem maakt. Verweerder
stelt dat de
klachten ongegrond moeten worden verklaard en hij licht dat als volgt toe:
a) Verweerder heeft uitsluitend (op 7 en 8 maart 2022) tramadol aan patiënte voorgeschreven
en (op
10 maart 2022) de verdubbelde dosis furosemide. Bij het voorschrijven van andere
medicijnen was hij
niet betrokken. Er waren geen aanwijzingen voorhanden dat de bedoelde middelen niet
mochten worden
voorgeschreven in combinatie met de al door patiënte gebruikte medicijnen. Bovendien
was er al een
afspraak van patiënte met haar vaste huisarts gemaakt voor 11 maart 2022, die op
die dag het
definitieve beleid zou vaststellen. Het voorschrijven van tramadol was verantwoord
omdat patiënte
sinds enkele dagen weer hevige rugpijn had en verweerder wist van de daarvoor (onder
andere bij de
pijnpoli) ingezette behandeling, die kennelijk onvoldoende hielp. Het voorschrijven
van de
verdubbelde dosis furosemide was ook verantwoord. De eigen huisarts van patiënte
was op
11 februari 2022 gestart met furosemide en verweerder constateerde op 10 maart 2022
dat de
furosemide, pijnmedicatie en compressietherapie geen voldoende resultaat hadden
voor de oedeem- en
pijnklachten in patiëntes benen. Verweerder heeft daarop de furosemidedosis tijdelijk
verhoogd, in
afwachting van de genoemde afspraak op
11 maart 2022.
b) Verweerder heeft bij het voorschrijven van tramadol rekening gehouden met het
verslavingsverleden van patiënte, maar had – waar andere vormen van pijnbestrijding
onvoldoende
hielpen – geen andere keuze.
c) Verweerder was niet gehouden nader onderzoek te doen naar het oedeem in patiëntes
benen, gelet
op het beleid dat haar vaste huisarts had ingezet en het feit dat patiënte daags
na 10 maart 2022
een afspraak met die eigen huisarts had.
4.4 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Voor het college overgaat tot de beoordeling van de klacht en het verweer,
merkt het college
op dat het heel goed begrijpt hoe verdrietig en ingrijpend het overlijden van patiënte
is voor
klager en haar andere naasten. Dat neemt niet weg dat het de taak van het college
is om de klacht
en het verweer te beoordelen aan de hand van de zakelijke normen die in een tuchtprocedure
als deze
gelden. Hoe die beoordeling plaatsvindt wordt hierna toegelicht.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat
een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
5.3 Klachtonderdeel a: het handelen omtrent de aan patiënte voorgeschreven medicijnen
Klachtonderdeel b: het voorschrijven van morfine (tramadol), gelet op de morfineverslaving
van
patiënte
5.3.1 Het college zal de klachtonderdelen a en b gezamenlijk behandelen, omdat
daar een
gedeeltelijke overlap in zit. Wat de middelen tramadol en furosemide betreft, betoogt
klager immers
dat die middelen op tweeërlei grond niet hadden mogen worden voorgeschreven: gelet
op hun
individuele werkzaamheid en gelet op hun combinatie met de overige medicijnen die
patiënte
gebruikte.
5.3.2 In het algemeen dient terughoudend te worden omgegaan met het voorschrijven
van morfine of
andere opiaten aan patiënten die daaraan verslaafd zijn geweest, gelet op het risico
van terugval.
Verweerder heeft aangevoerd zich daarvan bewust te zijn geweest maar desondanks
toch te hebben
mogen overgaan tot het voorschrijven van een gecontroleerde en beperkte dosis tramadol.
Naar het
oordeel van het college is voldoende komen vast te staan dat alternatieve behandelwijzen
van
patiëntes rugpijn, die geen soelaas boden, waren uitgeput en dat patiënte door haar
ernstige pijn
een ondraaglijk lijden (zoals al enkele nachten niet slapen) ervaarde. Met die pijnklachten
heeft
patiënte zich ook op 7 en 8 maart 2022 tot verweerder gewend. Omdat de bedoelde
vergeefse
behandelwijzen verweerder bekend waren, was niets doen voor hem geen optie. Onder
die
omstandigheden kan het college billijken dat verweerder, ook ondanks de voornoemde
terughoudendheid, op 7 maart 2022 een dagelijkse dosis van 150 mg en op 8 maart
2022 een dagelijkse
dosis van 200 mg tramadol heeft voorgeschreven aan patiënte. Daarbij is van belang
dat het gaat om
een zwakwerkend opiaat dat is voorgeschreven voor een korte duur, namelijk tot 11
maart 2022, de
dag waarop – zoals verweerder wist – patiënte haar eigen huisarts zou zien en deze
het verdere
beleid omtrent de pijnstilling zou beoordelen. Van een acute, hernieuwde, verslavingsproblematiek
die verweerder toch van dat voorschrijven had moeten weerhouden, is het college
niet gebleken. Voor zover klager aanvoert dat verweerder de tramadol hoe dan ook niet
had mogen voorschrijven, is dat om die reden onterecht.
5.3.3 Wat de furosemide betreft is hier van belang dat verweerder op 10 maart 2022,
toen hij
kennis nam van patiëntes oedeemvorming in haar benen, geconfronteerd werd met het
door haar vaste
huisarts op 11 februari 2022 ingezette beleid: compressietherapie en furosemidetabletten
(dagelijkse dosis 40 mg). Gezien de voortdurende oedeemvorming en het reeds ingezette
beleid is het
naar het oordeel van het college niet onjuist dat verweerder dat beleid heeft gevolgd.
Hem kan
daarom niet worden verweten dat hij het voorschrijven van furosemide niet heeft
gestopt of niet
heeft overwogen te stoppen. Het college ziet evenwel niet voldoende grond voor de
beslissing op 10
maart 2022 om de dagelijkse dosis furosemide te verdubbelen tot 80 mg. De medicamenteus
geïnduceerde toegenomen vochtafvoer uit het lichaam kan weliswaar de oedeemvorming
verminderen,
maar heeft elders in het lichaam mogelijk ongunstige gevolgen voor de vochthuishouding.
Bovendien
verhelpt furosemide niet de oorzaak van de oedeemvorming. Verweerder had er beter
aan gedaan de
bestaande dagelijkse dosis furosemide te handhaven en de herbeoordeling van het
furosemide-voorschrift aan patiëntes eigen huisarts over te laten, temeer omdat
patiënte die
huisarts al de dag daarna zou zien. Het voorgaande neemt niet weg dat het verdubbelen
van de dosis
furosemide naar het oordeel van het college niet tot gegrondheid van de klacht leidt.
Daarvoor is
de reden dat de medische situatie van patiënte zeer complex was en dat, als onderdeel
van die
problematiek, verweerder een patiënte zag die door de oedeemvorming veel last en
pijn ervaarde. Dat
maakt begrijpelijk dat verweerder zich ervoor heeft willen inzetten aan haar lijden
al het
mogelijke te doen en dat zijn focus daarbij lag op de verhoging van de mate van
vochtafvoer. Ook
telt hierbij dat de verdubbeling van de dosis furosemide maar voor één dag zou gelden,
omdat
patiëntes eigen huisarts de bedoelde klachten op 11 maart 2022 zou herbeoordelen.
Ook het handelen
van verweerder omtrent de furosemide leidt daarom, op zichzelf bezien, niet tot
gegrondheid van de
klacht.
5.3.4 In het licht van de klachtonderdelen a en b resteert de vraag of het voorschrijven
van
tramadol en furosemide door verweerder achterwege had moeten blijven op grond van
het feit dat zij
werden gecombineerd met de middelen die patiënte voorheen al gebruikte. Naar het
oordeel van het
college bestaan er geen absolute contra-indicaties ten aanzien van die beide middelen,
die
meebrengen dat zij hoe dan ook niet mogen worden voorgeschreven in combinatie met
de middelen
(zoals pregabaline, gabapentine en naproxen) die patiënte al gebruikte. Wel kan
sprake zijn van
relatieve contra-indicaties, afhankelijk van de gezondheidssituatie van de betrokken
patiënt en de
wijze waarop deze op de combinatie van medicijnen reageert. Het is noodzakelijk
een daarop gericht
beleid te voeren door tijdige controles en door, voor het geval de bedoelde contra-indicaties
gaan
spelen, in een vangnet te voorzien. Daaraan was, zo volgt uit het medisch dossier
en hetgeen ter
zitting is besproken, voldaan in het geval van patiënte. Dat betekent dat ook de
stelling dat
tramadol en furosemide niet mochten worden voorgeschreven gelet op de combinatie
met de andere
medicijnen, faalt en dat de genoemde klachtonderdelen ongegrond zijn.
5.4 Klachtonderdeel c): het handelen omtrent het oedeem in de benen van patiënte
5.4.1 Wat het voorschrijven van de verdubbelde dosis furosemide betreft, verwijst
het college naar
hetgeen hiervoor onder 5.3.3 is overwogen. Daarnaast betoogt klager dat verweerder
heeft nagelaten
nader onderzoek naar de oedeemklachten van patiënte te doen. Ook die stelling volgt
het college
niet. Verweerder was niet de eigen huisarts van patiënte en, bij kennisname van
haar oedeemklachten
op 10 maart 2022, was het beleid dat zijn collega in dat verband had ingezet, uitgangspunt.
Hij
wist op die dag dat patiënte de dag erna haar vaste huisarts zou zien en dat deze
opnieuw naar de
oedeemklachten en dat beleid zou kijken. Om die redenen was hij niet gehouden om
(op 10 maart 2022)
verdere of andere stappen te nemen omtrent de oedeemklachten dan hij heeft gedaan.
Ook dit
klachtonderdeel is ongegrond.
5.5 Slotsom
De slotsom van het voorgaande is dat de klacht in al zijn onderdelen ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 14 januari 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk,
voorzitter, R.A. Steenbergen, lid-jurist, E. Jansen, N.B. van der Maas en
J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.M. Hillenaar, secretaris.