ECLI:NL:TGZRSHE:2026:107 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9468
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:107 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-06-2026 |
| Datum publicatie: | 10-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/9468 |
| Onderwerp: | Alcoholisch misbruik |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Doorhaling, algemeen beroepsverbod bij voordacht van IGJ over verpleegkundige vanwege het missen van de geschiktheid tot het uitoefenen van het beroep als verpleegkundige door middelenmisbruik.College: problematisch alcoholgebruik, verweerder is aangehouden voor rijden onder invloed met medicatie in de auto, heeft alcohol gedronken op de parkeerplaats van het ziekenhuis, is meermaals onder invloed. De medische informatie geeft blijk van een hardnekkige verslaving. Voor verweerder is een zorgmachtiging afgegeven voor het ondergaan van verplichte zorg. Verweerder verklaarde in het verleden meermaals niet naar waarheid, was niet aanspreekbaar voor de politie, ambulancedienst en IGJ, toont weinig zelfinzicht, reflectie en transparantie door onder andere het expertiserapport niet te delen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 10 juni 2026 op de voordracht van:
INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd te Utrecht, klaagster,
verder te noemen: inspectie,
vertegenwoordigd door K. Hamoen, coördinerend/specialistisch inspecteur en R. Hofman,
inspecteur,
gemachtigde: mr. R. van Rijn, senior juridisch adviseur,
tegen
[A],
verpleegkundige,
(destijds) werkzaam onder andere in [B],
verweerder,
gemachtigde: mr. M. van Viegen, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Verweerder is als verpleegkundige werkzaam geweest bij verschillende instellingen.
Verweerder
is sinds 2021 bekend bij de inspectie na een melding van de instelling waar verweerder
destijds
werkzaam was. Verweerder had middelen die onder de Opiumwet vallen uit de instelling
weggenomen. In
2024 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: OM) melding gedaan bij de inspectie
omdat verweerder
zich op verschillende momenten had gepresenteerd als professioneel hulpverlener,
een aantal keer
onder invloed van alcohol was en zich niet heeft gedragen zoals van een behoorlijk
verpleegkundige
mag worden verwacht.
1.2 De inspectie heeft verweerder een LOOB (last tot onthouding van de beroepsactiviteiten)
opgelegd vanwege gedragingen die leiden tot ernstige benadeling van de gezondheid
van personen. De
inspectie heeft vanwege het ernstige alcoholgebruik van verweerder ernstige zorgen
over de
geschiktheid van verweerder tot het uitoefenen van zijn beroep als verpleegkundige
of een andere
functie in de individuele gezondheidszorg.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat verweerder de geschiktheid mist tot het
uitoefenen van
zijn beroep en dat de voorziening van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register
is
aangewezen. Het college treft ook een voorlopige voorziening. Hierna licht het college
toe hoe zij
tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 december 2025;
- het verweerschrift met de bijlage, per e-mail ontvangen op 25 maart 2026 en
per post ontvangen
op 26 maart 2026;
- de aanvullende stukken van de inspectie, ontvangen op 14 april 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 april 2026. De partijen zijn
verschenen.
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De inspectie heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het
college en de
andere partij overhandigd.
2.3 De inspectie heeft gelijktijdig met de voordracht ook een tuchtklacht tegen
verweerder
ingediend. Die zaak is bekend onder nummer H2025/9467. De tuchtklacht en de voordracht
zijn
gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld op de zitting met inachtneming van artikel
83 lid 3 en 4
van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG). In
beide zaken wordt
vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan. Deze beslissing gaat over de voordracht.
3. De feiten
3.1 Op 20 augustus 2021 ontving de inspectie een melding van de voormalig werkgever
van
verweerder. Verweerder was toen werkzaam als anesthesiemedewerker. Hij had medicatie
die onder de
Opiumwet valt en ander materiaal uit het ziekenhuis weggenomen. Ook was verweerder
bij een
aanhouding door de politie onder invloed van alcohol. Verweerder had een alcoholpromillage
van
1,18. Verweerder is op staande voet ontslagen, er is aangifte gedaan van ontvreemding
van de
medicatie en materialen en er is een melding gedaan bij de inspectie. Verweerder
is daarna als
ZZP’er in de zorg gaan werken. De inspectie heeft de melding onderzocht en beëindigd
zonder
verweerder een maatregel op te leggen. In 2024 heeft de inspectie een melding ontvangen
van het OM
in verband met zorgen die het OM had over de handelwijze van verweerder. Het gaat
in het bijzonder
om de volgende incidenten die hierna worden weergegeven.
3.2 Incident 1 betreft een incident op 30 juli 2022 waarbij verweerder als burgerhulpverlener
(hierna: BHV’er) volgens het OM was betrokken. In het proces-verbaal van bevindingen
van de politie
is hierover opgenomen (alle citaten voor zover van belang en letterlijk overgenomen):
“(…) Op 30 juli 2022 was (…) [verweerder] aanwezig bij een onwel geworden
persoon. (…) Het betrof een vrouw, buiten bewustzijn (…). De politie ziet dat (…)
[verweerder] een
tas bij zich heeft die door de ambulancedienst ook wordt gebruikt. Tevens ziet de
politie dat (…)
[verweerder] een infuus bij de vrouw aanlegt. (…) [Verweerder] legitimeert zich
met een
ziekenhuispas. Het ambulancepersoneel, dat bij de onwelwording is geroepen, reageert
verontwaardigd
op het aangesloten infuus en verwijderd dit direct. (…)”
Achteraf verklaarde verweerder dat hij inzag dat wat hij had gedaan niet de bedoeling
was.
3.3 Het tweede incident vond plaats op 27 april 2023. Verweerder was aanwezig bij
een evenement.
In het proces-verbaal van de politie is hierover weergegeven:
“(…) [verweerder was] aanwezig bij een evenement (…) Hij droeg een jas van een EHBO-organisatie,
legitimeerde zich met een (…) Ziekenhuispas en droeg een portofoon. Zodoende wekte
hij de indruk
inzetbaar te zijn als EHBO-er. De politie verwijderd (…) [verweerder] omdat hij
(zwaar) onder
invloed van alcohol was.”
3.4 Op 26 augustus 2023 is wederom sprake van een incident waarbij verweerder was
betrokken. In
het proces-verbaal van de politie is hierover vermeld:
“(…) was [verweerder] betrokken bij (...) een onwel wording (…). De politie ziet
(…) [verweerder]
naast het slachtoffer zitten met een aantal tassen die, qua uiterlijk zeer gelijkend
zijn aan die
de ambulancezorg gebruikt, met daarin medische materialen en een AED. De politie
had derhalve de
indruk dat (…) [verweerder] professioneel hulpverlener was en mogelijk werkzaam
was bij een
ambulancedienst. (…) [Verweerder] zegt tegen de politie zijn AED te gaan aansluiten
op het
slachtoffer. De politie ziet (…) [verweerder] allerlei medische handelingen bij
het slachtoffer
uitvoeren, waaronder het inbrengen van een intubatietube. Wanneer (…) [verweerder]
dit doet, begint
het slachtoffer te kokhalzen. Na enige tijd arriveren
medewerkers van de ambulancezorg en roepen direct naar (…) [verweerder]: “Ik wil
dat jij hier
weggaat, ik weet wie jij bent en hoe jij aan je spullen komt”! De politie hoort
de
ambulancemedewerker meerdere keren tegen (…) [verweerder] roepen dat hij weg moet
gaan. (…)
[Verweerder] verklaard aan de politie dat hij instructeur voor complexe reanimaties
is.
Tegelijkertijd neemt de politie een sterke alcoholgeur bij (…) [verweerder] waar.”
3.5 Op 31 augustus 2023 is verweerder door de ambulancezorg van de regio (hierna:
ambulancezorg)
gesommeerd om met de ambulancezorg in gesprek te gaan omdat verweerder in een auto
had gereden met
zwaailichten, zuurstof en diverse medicatie. Aanleiding voor dit gesprek was ook
de wijze waarop
verweerder zich had gedragen tijdens het incident op 26 augustus 2023.
3.6 De inspectie heeft bij de ambulancezorg navraag gedaan over dit incident. Volgens
de
ambulancezorg was de reanimatie een “totaal verkeerde inschatting”. De ambulancemedewerkers
hebben
verweerder weggestuurd en uiteindelijk hardhandig moeten verwijderen omdat verweerder
niet direct
de instructie opvolgde. Voor de omstanders was dit heftig en moeilijk te begrijpen.
Verweerder
toonde volgens de ambulancezorg geen reflectie. De ambulancezorg heeft bij de BHV-instantie
geverifieerd of verweerder was ingeschreven en dat bleek het geval vanaf 17 maart
2023. De
ambulancezorg heeft de BHV-instantie verzocht om verweerder uit te schrijven. Op
29 september 2023
is het account van verweerder bij de BHV-instantie verwijderd en is verweerder op
de zwarte lijst
geplaatst. De ambulancezorg heeft een bevestiging van de uitschrijving ontvangen.
3.7 Op 21 oktober 2023 vindt wederom een incident plaats. Hierover vermeldt het proces-verbaal
van
bevindingen van de politie:
“Op 21 oktober 2023, nachtelijke uren, komt de politie ter plaatse bij een onwel
wording (…) en
verleend, samen met de ambulancezorg, hulp. Op enig moment komt (…) [verweerder]
uit zijn huis
gelopen, het incident vond namelijk plaats in de portiek voor zijn woning. De politie
ziet dat (…)
[verweerder] (…) op echt gelijkende vuur-, wapens (…) bij zich draagt (…). De politie
neemt een
sterke alcoholgeur bij (…) [verweerder] waar en hoort dat (…) [verweerder] met dubbele
tong
spreekt. (…) [Verweerder] verklaard inderdaad ook alcohol te hebben genuttigd. De
politie treedt op
dat moment niet direct op. Dit omdat bij het eerste contact de ambulancemedewerker
(…) [verweerder]
herkende. Tijdens een telefoongesprek, dat later plaats vond, verklaarde deze ambulancemedewerker
aan de politie dat hij (…) [verweerder] (…) herkende. Hij wist dat (…) [verweerder]
bij meerdere
incidenten
aanwezig was waar ook de ambulancezorg was. (…) Op 21 oktober 2023, in de ochtend,
spreekt de
politie met (…) [verweerder] over het incident van de nacht ervoor. (…) [Verweerder]
verklaard aan
de politie ZZP-er in de zorg te zijn en werkzaam te zijn als de anesthesist-medewerker.
(…)”
3.8 Op 28 oktober 2023 voeren wijkagenten een gesprek met verweerder. Hierover is
het volgende
genoteerd in het proces-verbaal van bevindingen van de politie:
“(…) Op 28 oktober 2023 spreken de wijkagenten met (…) [verweerder] over het incident
van 21
oktober, in context met de eerdere incidenten. (…) Tijdens het gesprek (…) neemt
de politie een
alcoholgeur bij (…) [verweerder] waar. (…) [Verweerder] verklaart (…) over allerhande
hulpverleningshandelingen en -
werkzaamheden (…). Naar gelang het gesprek vordert, worden de verhalen die (…) [verweerder]
verteld
mooier en mooier, zo registreert de politie. De politie legt (…) [verweerder] voor
zich ernstig
zorgen te maken over het gedrag van (…) [verweerder], (…) alcoholgebruik en de incidenten
waarbij
hij betrokken is. Om nieuwe incidenten te voorkomen neemt de politie, overigens
in samenspraak met
(…) [verweerder] de aanwezige wapens in bewaring. Tussen 28 oktober en 31 januari
2024 meldt (…)
[verweerder] zich geregeld bij de politie aan de balie om naar zijn wapens te vragen.
De politie
registreert dat (…) [verweerder] in nagenoeg al die gevallen onder invloed van alcohol
was.”
3.9 Op 13 februari 2024 houdt de politie verweerder aan in verband met rijden onder
invloed van
alcohol. Zijn rijbewijs is hierbij ingevorderd. In het proces-verbaal van bevindingen
van die datum
is hierover vermeld:
“(…) De politie ziet dat de auto waarmee (…) [verweerder] rijdt voorzien is van
een alarmlicht op
het dak en een lichtbalk achter de achteruit. In de auto treft de politie een klapmes
aan (…) en
tassen die door de ambulancezorg worden gebruikt als ook een AED (…). (…) [Verweerder]
krijgt een
rijverbod opgelegd, die hij overtreedt.
Hierop is (…) [verweerder] wederom aangehouden. Tijdens zijn verhoor verklaard (…)
[verweerder] in
het verleden opgenomen te zijn in een kliniek om behandeld te worden voor een alcoholverslaving.
(…)”
3.10 Op 8 juli 2024 is verweerder door de rechtbank strafrechtelijk veroordeeld voor
ontvreemding
van medicatie en materialen uit de instelling. Verweerder heeft de uitspraak niet
aan de inspectie
gestuurd. De inspectie had hier wel om gevraagd. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld
tegen deze
uitspraak. Volgens verweerder moest hij zich onder toezicht van de reclassering
laten behandelen
voor zijn alcoholgebruik.
3.11 Op 15 juli 2024 heeft de inspectie verweerder gevraagd om te reflecteren op
zijn handelen als
BHV’er, waarop verweerder heeft aangegeven dat er geen risico's voor de patiëntveiligheid
waren. De
politie en/of de ambulance waren vaak al ter plaatse volgens verweerder. Dit was
enkel niet het
geval bij het derde incident. Verweerder heeft alleen de Basic Life Support (BLS)
opgestart en de
AED opgevolgd. Verweerder vertelde ook dat een BHV’er geen medicatie mag geven maar
dat hij dat wel
heeft gedaan. Over de verschillende materialen die door de politie in de auto van
verweerder werden
aangetroffen zoals een alarmlicht voor op het dak, een lichtbalk, de medische tassen
en een AED,
heeft verweerder het volgende aangegeven. De AED huurde hij en deze werd automatisch
dagelijks
gecontroleerd. De lichtbalk gebruikte hij om op te vallen wanneer hij stil kwam
te staan langs de
weg. De inspectie heeft ook met verweerder gesproken over zijn alcoholgebruik, en
over de afspraak
die verweerder met de ambulancedienst in 2023 had gemaakt over het niet hebben van
medische tassen
in zijn auto, die hij bij de aanhouding vanwege rijden onder invloed in februari
2024 toch in zijn
auto had liggen.
3.12 Op 10 april 2025 heeft de inspectie nogmaals met verweerder gesproken. Verweerder
had een
psychiatrisch verpleegkundige van de persoonsgerichte aanpak (hierna: PGA) meegenomen.
Verweerder
heeft toegelicht dat hij vaak werd geprezen door de directeur van de kliniek waar
hij werkte,
dikwijls werd gevraagd om te komen werken, dat hij een ‘pleaser’ is en dat het voor
hem lastig is
om grenzen aan te geven. Ook erkende verweerder dat hij de ambulancedienst in 2023
had toegezegd de
medische tassen uit zijn auto te halen. Echter toen verweerder in februari 2024
door de politie
werd aangehouden vanwege rijden onder invloed lagen deze medische tassen toch in
de auto van
verweerder. De inspectie heeft verweerder erop gewezen dat hij eerder dingen vertelde
die, na
verificatie, niet bleken te kloppen. Verweerder lichtte toe dat hij zich de situatie
niet meer
precies kon herinneren. Verweerder en de PGA hebben erkend dat zij samen het alcoholgebruik
van
verweerder veel hebben besproken. De PGA heeft aangegeven dat er verschil van inzicht
is over de
mate van alcoholgebruik en de invloed daarvan.
3.13 Na dit gesprek van 10 april 2025 heeft de inspectie, met toestemming van verweerder,
informatie van de PGA ontvangen over het behandeltraject van verweerder. Hieruit
bleek, samengevat,
dat verweerder in gesprekken met de PGA onder invloed was, dat verweerder dat in
eerste instantie
ontkende en pas na doorvragen het gebruik erkende. Uit de informatie van de PGA
blijken de zorgen
over het alcohol-/middelengebruik. Volgens de PGA heeft de verweerder weinig inzicht
in de redenen
waarom hij drinkt.
3.14 In mei 2025 heeft de huisarts van verweerder, verweerder aangemeld bij verslavingszorg
vanwege een onttrekkingsinsult bij het acuut stoppen van alcoholgebruik.
3.15 Op 20 augustus 2025 was er sprake van somatische spoed waarvoor een detoxificatiebehandeling
was geïndiceerd vanwege gewichtstoename, vergrote lever en insulinegevoeligheid.
3.16 Op 29 augustus 2025 vond een intake plaats met het Flexible Assertive Community
Treatment-team (hierna: FACT-team) omdat de poliklinische behandeling niet van de
grond kwam. De
verslavingszorg gaf aan dat verweerder de behandelafspraken meermalen annuleerde.
3.17 Op 6 oktober 2025 sprak de inspectie verweerder nogmaals. Na vragen van de inspectie
gaf
verweerder aan dat hij voorafgaand aan dat gesprek alcohol had gedronken. Verweerder
gaf echter ook
aan gemotiveerd te zijn om geheel geen alcohol te gebruiken. Ook lichtte verweerder
toe stress te
ervaren voor het gesprek. Verweerder bevestigde dat hij in het dagelijks leven ook
veel stress
ervaart. De PGA-zorgverlener vertelde dat deze met verweerder meeging naar twee
intakegesprekken in
de verslavingszorg. Vanwege de zorgen over het middelengebruik en de invloed daarvan
op de
somatische toestand van verweerder, heeft de PGA een verkennend onderzoek aangevraagd
bij de GGD om
na te gaan of verplichte behandeling van verweerder met een zorgmachtiging geïndiceerd
was. Deze
zorgmachtiging werd afgewezen omdat verweerder eerst de mogelijkheid moest worden
geboden om zich
vrijwillig te laten behandelen. Verweerder heeft gekozen voor een behandeling via
het FACT-team.
3.18 De inspectie heeft verweerder gevraagd mee te werken aan een expertiseonderzoek.
Verweerder
heeft toegezegd aan dit onderzoek mee te werken. De inspectie heeft een extern expert
(hierna:
expert) op het gebied van psychiatrie en verslavingsproblematiek (een psychiater)
gevraagd
onderzoek te doen naar de (actuele) gezondheidstoestand van verweerder en de (mogelijke)
invloed
daarvan op zijn beroepsmatig functioneren. Op 18 juni 2025 had verweerder de eerste
afspraak met de
expert. Op 19 juni 2025 mailde hij aan de inspectie het eerste gesprek met de expert
gevoerd te
hebben en niet tevreden te zijn met het verloop daarvan. Hij wilde in eerste instantie
geen tweede
afspraak met deze expert, maar na de inspectie te hebben gesproken was hij toch
bereid om een
tweede gesprek te voeren. Op 16 juli 2025 mailde de expert een uitnodiging voor
een tweede gesprek
met verweerder op 22 augustus 2025. Verweerder verscheen niet op dit gesprek. De
expert informeerde
de inspectie hierover en op 8 september 2025 nam de inspectie telefonisch contact
op met
verweerder. Hij gaf aan geen uitnodiging te hebben ontvangen voor het tweede gesprek.
Uiteindelijk
is hij opnieuw uitgenodigd voor een tweede gesprek op
10 oktober 2025 om 10.00 uur. Op 10 oktober 2025 belde verweerder om 9.55 uur met
de inspectie. Hij
stond in ….. in plaats van in ….., waar de afspraak met de expert plaatsvond. Een
tweede gesprek
kwam uiteindelijk niet tot stand en het expertisetraject werd niet afgerond. Er
werd wel een
verslag opgemaakt. Op 2 november 2025 stuurde de expert het conceptverslag naar
verweerder ter controle van feitelijke onjuistheden.
Op 7 november 2025 liet verweerder weten dat de expert geen informatie mag delen
met de inspectie
en gebruikte zijn blokkeringsrecht. De inspectie heeft daarmee geen informatie van
de expert
ontvangen.
3.19 Op 17 oktober 2025 heeft de inspectie, met instemming van verweerder, van de
verslavingszorg
de medische informatie van verweerder ontvangen. De reden van de aanmelding was
ernstig
alcoholgebruik door verweerder met een gemiddelde van 1-15 eenheden per dag en gebruik
van
lorazepam (benzodiazepine) 1-2 mg per dag. Sinds zijn 14e jaar is er bij verweerder
sprake van
problematisch alcoholgebruik. Het resultaat van de eerdere behandelingen was volgens
de
verslavingszorg zwak. De verslavingszorg vermeldt dat tijdens de intake verweerder
het gebruik van
lorazepam had ontkend, terwijl er volgens de verslavingszorg wel sprake van is.
3.20 Op 28 oktober 2025 ontving de inspectie desgevraagd en met instemming van verweerder
informatie van de werkgever van verweerder. De werkgever gaf aan dat er geen bijzonderheden
zijn
over het functioneren van verweerder als anesthesiemedewerker. Hij is niet betrokken
bij incidenten
of calamiteiten. Er is enige traagheid tijdens zijn werkzaamheden opgevallen.
3.21 Op 4 november 2025 heeft de inspectie verweerder een last tot onmiddellijke
onthouding van de
beroepsactiviteiten (hierna: LOOB) opgelegd. Verweerder mag als gevolg daarvan geen
werkzaamheden
als verpleegkundige verrichten totdat het college heeft geoordeeld over de voordracht
over de
geschiktheid van verweerder. Verweerder was toen werkzaam als anesthesiemedewerker.
3.22 Na een hernieuwd verzoekschrift voor een zorgmachtiging is op 13 april 2026
dit verzoek op
zitting behandeld. Verweerder en zijn gemachtigde hebben tijdens de zitting van
20 april 2026
aangegeven dat de rechter de zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke
gezondheidszorg (hierna: Wvggz) heeft verleend.
4. De voordracht en de reactie van verweerder
4.1 De inspectie concludeert dat verweerder moet worden geacht de geschiktheid
tot het uitoefenen
van zijn beroep als verpleegkundige te missen, als bedoeld in artikel 79 van de
Wet BIG, gelet op
zijn gewoonte van alcoholmisbruik (stoornis in alcoholgebruik). De inspectie verzoekt
vanwege deze
reden om aan verweerder op grond van artikel 80, eerste lid, onder c, van de Wet
BIG als
voorziening een doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op te leggen.
Daarnaast verzoekt
de inspectie om op grond van artikel 80, vijfde lid, van de Wet BIG de bevoegdheid
tot uitoefening
van aan de BIG-inschrijving verbonden bevoegdheden te schorsen tot de beslissing
tot doorhaling
onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is vernietigd.
4.2 De inspectie licht toe dat verweerder weliswaar medewerking heeft verleend aan
het onderzoek
van de inspectie, maar dat de inspectie ook is gebleken dat verweerder niet altijd
de vragen van de
inspectie open en naar waarheid heeft beantwoord. Ook heeft de inspectie toegelicht
dat de gewoonte
van drankmisbruik al meerdere jaren aanwezig is en er sprake is van ernstige alcoholproblematiek
die intensieve behandelingen en toezicht behoeft. Tot slot heeft de inspectie aangegeven
dat
verweerder onvolledige medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de externe
expert om de
(actuele) gezondheidstoestand en de invloed daarvan op het beroepsmatig functioneren
van verweerder
te laten beoordelen. Verweerder heeft tot slot het verslag van de expert geblokkeerd.
4.3 Verweerder heeft het college verzocht om hem niet door te halen en om een voorwaardelijke
schorsing op te leggen onder de volgende bijzondere voorwaarden:
- blaastesten overhandigen voor (en tijdens) de start van zijn werkzaamheden;
- behandeltrajecten verplichten en volledig inzage en terugkoppeling geven;
- andere bijzondere voorwaarden die het college van verweerder verlangt om de
patiëntveiligheid
te waarborgen.
Verweerder heeft aangegeven op dit moment onder intensieve behandeling te staan
en daaraan
prioriteit te geven. Verweerder heeft aangevoerd dat hij – als hij weer beter is
– in staat zal
zijn om onder bijzondere voorwaarden veilige patiëntenzorg te verlenen.
4.4 Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Op basis van artikel 79 Wet BIG is het college bevoegd op schriftelijke voordracht
van de
inspectie een voorziening te treffen, die ertoe strekt dat een BIG-geregistreerde
beroepsbeoefenaar
uit het BIG-register wordt verwijderd dan wel dat de uitoefening van zijn beroep
met bijzondere
waarborgen wordt omkleed. Een dergelijke maatregel kan worden getroffen als de beroepsbeoefenaar
wegens zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid of zijn gewoonte van drank-
of middelenmisbruik
moet worden geacht de geschiktheid tot het uitoefenen, dan wel tot het zonder waarborgen
uitoefenen, van zijn beroep te missen.
5.2 Bij een voordracht staat de gezondheidstoestand van de beroepsbeoefenaar zelf
en de invloed
hiervan op zijn beroepsuitoefening centraal. Een maatregel wegens ongeschiktheid
heeft vooral een
preventieve, beveiligende functie. Het doel is schade aan de gezondheid van door
de
beroepsbeoefenaar te behandelen patiënten in de toekomst te voorkomen en daarmee
bescherming van de
maatschappij tegen onaanvaardbare risico’s voor de individuele gezondheidszorg.
5.3 Het college stelt voorop dat de alcoholverslaving van verweerder in het verleden
risico’s heeft opgeleverd voor de patiëntveiligheid in de uitoefening van zijn BHV-activiteiten.
Zowel het verlenen van zorg onder invloed van alcohol als het verlenen van zorg
op het moment dat
voorafgaand aan het verlenen van die zorg een grote hoeveelheid alcohol is genuttigd,
en verweerder
daarvan moet herstellen, geeft een verhoogd risico op fouten met mogelijk ernstige
gevolgen. Bij de
beantwoording van de vraag of verweerder vanwege zijn middelenverslaving de geschiktheid
mist tot
het uitoefenen van zijn beroep, is van belang of de patiëntveiligheid daarbij voldoende
is gewaarborgd.
Uit het dossier komt duidelijk naar voren dat verweerder lijdt aan een ernstige
stoornis in het gebruik van
alcohol. Verweerder werd al in augustus 2021 aangehouden voor rijden onder invloed,
terwijl er daarnaast
edicatie in de auto van verweerder werd aangetroffen. Vast staat ook dat hij toen
kort na zijn dienst al een alcoholpromillage had van 1,18. Dat staat gelijk aan ongeveer
vijf glazen alcohol. Verweerder heeft daarover
ijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij direct na zijn dienst is gaan
drinken, terwijl hij nog op
de parkeerplaats van het ziekenhuis stond waar hij destijds werkzaam was. Ook in
de periode daarna
heeft de politie verweerder verschillende keren aangetroffen en bij verweerder een
alcoholgeur
waargenomen. De inspectie heeft zelf tijdens het gesprek op 6 oktober 2025 een alcoholgeur
waargenomen en verweerder heeft dat tijdens het gesprek bevestigd. Naar het oordeel
van het college
kan uit deze feiten en omstandigheden samen met de medische informatie over verweerder
niet anders
worden opgemaakt dan dat bij verweerder sprake is van problematisch alcoholgebruik.
Dat verweerder
naar eigen zeggen niet gebruikt tijdens zijn werkzaamheden als verpleegkundige,
maakt niet dat
sprake is van een minder ernstige alcoholverslaving.
Integendeel, hoewel zijn werkgever heeft aangegeven dat er geen klachten zijn over
zijn
functioneren, is ook opgemerkt dat verweerder traag is in het uitoefenen van zijn
taken. Daarmee
staat vast dat het alcoholgebruik wel degelijk een risico op een ontwrichtend effect
heeft op de
zorg die verweerder moet bieden aan kwetsbare patiënten.
5.4 Het college overweegt dat verweerder slechts beperkt informatie heeft gegeven
aan het college
over zijn behandeltraject. Dat neemt niet weg dat uit deze informatie een zorgelijk
beeld blijkt
van een persoon die nog steeds niet met overgave aan het behandeltraject deelneemt.
Ook blijkt uit
deze informatie dat verweerder de stappen die gezet moeten worden enkel wenst te
zetten op de wijze
die verweerder zelf het beste schikt. Verweerder heeft opgemerkt de komende periode
in ..... een
behandeling te ondergaan,
maar waaruit die behandeling dan bestaat, hoe lang deze zal zijn en of er gewerkt
wordt aan een
netwerk waarop verweerder kan terugvallen wanneer hij terug is, blijkt nergens uit.
Uit de reeds
gevolgde behandelingen die verweerder heeft ondergaan en het intensieve toezicht
van de
zorgverleners op verweerder, blijkt dat de verslaving van verweerder hardnekkig
en moeilijk onder
controle te krijgen is.
5.5 Het college weegt bij de beoordeling mee dat er een lopende zorgmachtiging is
afgegeven op
grond van de Wvggz met een indicatie om verplichte zorg te verlenen. Deze zorgmachtiging
is
afgegeven omdat de rechtbank op grond van de haar ter beschikking staande gegevens
van oordeel is
dat verweerder lijdende is aan een stoornis waaruit gedrag voortvloeit dat ernstig
nadeel
veroorzaakt. Dit gedrag kan volgens de rechtbank zonder verplichte zorg niet worden
afgewend.
5.6 Daarbij weegt mee dat verweerder in het verleden meerdere malen niet naar waarheid
heeft
verklaard. Er is een melding gedaan van ontslag dat in de kern verband hield met
middelenverslaving. Daarnaast was verweerder in eerste instantie dikwijls niet open
over zijn
verslaving en verviel hij in het oude (verslavings)gedrag. Ondanks de goede intenties
van
verweerder bleek hij telkens niet in staat zich te houden aan de met de inspectie
en de
ambulancedienst gemaakte afspraken. Verweerder heeft meermalen behandelafspraken
afgezegd.
Bovendien is verweerder niet verschenen op een afspraak met de externe expert die
in opdracht van
de inspectie de actuele gezondheidstoestand van verweerder beoordeelde. Tot slot
heeft verweerder
het verslag van de externe expert geblokkeerd. Hoewel verweerder stappen lijkt te
zetten in de
goede richting, zijn deze stappen niet voldoende inzichtelijk gemaakt voor het college
en blijft
het bij de intenties die verweerder uitspreekt.
5.7 Gelet op al het vorenstaande is het college van oordeel dat verweerder de geschiktheid
mist
om zijn beroep uit te oefenen. Dat betekent dat het college moet oordelen over de
vraag of
verweerder, die als verpleegkundige in het BIG-register ingeschreven staat, in dat
register zal
moeten worden doorgehaald dan wel dat de uitoefening van het betrokken beroep met
bijzondere
waarborgen moet worden omkleed. Het college oordeelt daarover als volgt.
5.8 De aard en ernst van de stoornis in middelengebruik waaraan verweerder lijdt,
de beperkte
informatie die verweerder wenst te geven, het feit dat verweerder op verschillende
momenten geen of
onvoldoende openheid heeft willen geven aan de inspectie en het feit dat verweerder
ook tijdens de
mondelinge behandeling slechts beperkt open stond voor enige reflectie op zijn handelen,
in
onderlinge samenhang bezien, leiden ertoe dat het college onvoldoende vertrouwen
heeft dat
verweerder met de inzet van bijzondere waarborgen, niet langer een (verhoogd) risico
zou vormen
voor de patiëntveiligheid. Het college zal de voordracht van de inspectie dan ook
volgen en de
inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register doorhalen.
Voorlopige voorziening
5.9 In de periode tot aan het onherroepelijk worden van deze uitspraak zijn er
geen wettelijke
belemmeringen voor verweerder om werkzaam te zijn als verpleegkundige. In het belang
van de
individuele gezondheidszorg zal het college daarom als voorlopige voorziening zijn
bevoegdheid om
de aan de inschrijving in het BIG-register verbonden bevoegdheden uit te oefenen
schorsen, totdat
de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden dan
wel in beroep is
vernietigd.
Publicatie
5.10 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk in deze situatie handvatten kunnen vinden
hoe met
dergelijke ingewikkelde materie om te gaan. De publicatie zal plaatsvinden zonder
vermelding van
namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- beveelt de doorhaling van de inschrijving van verweerder in het BIG-register;
- schorst, bij wijze van voorlopige voorziening, de bevoegdheid van de verpleegkundige
om de aan
die inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen totdat de beslissing tot
doorhaling van de
inschrijving onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is vernietigd;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
I.M.E.A. van Eldonk, lid-jurist, R.J.M. Lardinois, H.J. Kolthof en S. Kuijl,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken op 10 juni 2026.