We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:105 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9467

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:105
Datum uitspraak: 10-06-2026
Datum publicatie: 10-06-2026
Zaaknummer(s): H2025/9467
Onderwerp: Alcoholisch misbruik
Beslissingen: Gegrond, doorhaling inschrijving register
Inhoudsindicatie: Doorhaling, algemeen beroepsverbod bij klacht van IGJ over verpleegkundige. De IGJ verwijt verweerder dat hij zich presenteerde als professioneel hulpverlener terwijl hij toen BHV’er was en daarbij onprofessioneel en onzorgvuldig handelde. Ook verwijt de IGJ verweerder dat hij ondanks zijn alcoholgebruik in de zorg werkzaam blijft zonder randvoorwaarden. Verweerder erkent zijn alcoholprobleem, zijn presentatie als professioneel hulpverlener en de medische handelingen die hij niet mocht verrichten. Verweerder meent dat het wegnemen van opiaten bij werkgever niet vaststaat vanwege het hoger beroep van de strafrechtelijke veroordeling.College: verweerder was betrokken bij meerdere incidenten, was meermaals onder invloed, nuttigde alcohol op de parkeerplaats van het ziekenhuis, handelde niet volgens de richtlijnen, was niet aanspreekbaar voor de politie, ambulancedienst en IGJ, toont weinig zelfinzicht, reflectie en transparantie door onder andere het expertiserapport niet te delen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 10 juni 2026 op de klacht van:

INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd te Utrecht,
klaagster,
verder te noemen de IGJ,
vertegenwoordigd door K. Hamoen, coördinerend/specialistisch inspecteur en R. Hofman, inspecteur,
gemachtigde: mr. R. van Rijn, senior juridisch adviseur,

tegen

[A],
verpleegkundige,
(destijds) werkzaam in onder andere [B],
verweerder,
gemachtigde: mr. M. van Viegen, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Verweerder is als verpleegkundige werkzaam geweest bij verschillende instellingen. Verweerder 
is sinds 2021 bekend bij de IGJ na een melding van de instelling waar verweerder destijds werkzaam 
was. Er was sprake van het wegnemen van middelen die onder de Opiumwet vallen. In 2024 heeft het 
Openbaar Ministerie (verder: OM) melding gedaan bij de IGJ omdat verweerder zich op verschillende 
momenten had gepresenteerd als professioneel hulpverlener, een aantal keer onder invloed van 
alcohol was en zich niet heeft gedragen zoals van een behoorlijk verpleegkundige mag worden 
verwacht.

1.2   De IGJ heeft verweerder een LOOB (last tot onmiddellijke onthouding van de 
beroepsactiviteiten) opgelegd vanwege gedragingen die leiden tot ernstige benadeling van de 
gezondheid van personen. De IGJ is van mening dat sprake is van handelen dat ernstig in strijd is 
met hetgeen van een verpleegkundige mag worden verwacht. Volgens de IGJ heeft verweerder gehandeld 
in strijd met de Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden en diverse kwaliteitskaders die 
gelden voor verweerder. Daarnaast is verweerder werkzaam gebleven terwijl sprake is van 
problematisch alcoholgebruik en het gebruik van benzodiazepines waardoor gevaar bestaat voor het 
maken van fouten en het maken van een onjuiste inschatting. Volgens de IGJ is sprake van 
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld 
en de klacht gegrond is. Het college legt verweerder de maatregel op van doorhaling en een algeheel 
beroepsverbod. Hierna licht het college toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-    het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 december 2025;
-    het verweerschrift met de bijlage, per e-mail ontvangen op 25 maart 2026 en per post ontvangen 
     op 26 maart 2026;
-    de aanvullende stukken van de IGJ, ontvangen op 14 april 2026.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 april 2026. De partijen zijn verschenen. 
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten 
mondeling toegelicht. De IGJ heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere 
partij overhandigd.

2.3   De IGJ heeft gelijktijdig met de klacht ook een voordracht tegen verweerder ingediend. Die 
zaak is bekend onder nummer H2025/9468. De tuchtklacht en de voordracht zijn gelijktijdig maar niet 
gevoegd behandeld op de zitting met inachtneming van artikel 83 lid 3 en 4 van de Wet op de 
beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG). In beide zaken wordt vandaag 
afzonderlijk uitspraak gedaan. Deze beslissing gaat over de klacht.

3. De feiten
3.1   Op 20 augustus 2021 ontving de IGJ een melding van de voormalig werkgever van verweerder. 
Verweerder was toen werkzaam als anesthesiemedewerker. Hij had medicatie die onder de Opiumwet valt 
en ander materiaal uit het ziekenhuis weggenomen. Ook was verweerder bij een aanhouding door de 
politie onder invloed van alcohol. Verweerder had een alcoholpromillage van 1,18 en was zeer kort 
na het einde van zijn dienst aangehouden. Verweerder is op staande voet ontslagen, er is aangifte 
gedaan van ontvreemding van de medicatie en materialen en er is een melding gedaan bij de IGJ. 
Verweerder is daarna als ZZP-er in de zorg gaan werken. De IGJ heeft de melding beëindigd zonder 
verweerder een maatregel op te leggen.

3.2   Op 13 mei 2024 ontving de IGJ een melding van het OM over meerdere incidenten die hadden 
plaatsgevonden. Verweerder vertoonde daarbij gedrag dat het OM zorgwekkend noemde. Verweerder deed 
zich in privétijd voor als professioneel zorgverlener en verrichtte medische handelingen zoals het 
aanleggen van een infuus en het inbrengen van een mayotube. De politie had daarnaast herhaaldelijk 
een alcoholgeur waargenomen. Meer concreet betroffen het de volgende incidenten.

3.3   Op 30 juli 2022 was verweerder als burgerhulpverlener (hierna: BHV’er) bij een incident 
betrokken volgens het OM. Hij zou volgens de politie bij een onwel persoon zijn aangekomen met een 
tas met hulpmiddelen. De tas leek op een tas die de ambulancedienst doorgaans gebruikt. Verweerder 
legitimeerde zich met een ziekenhuispas. Hij gaf volgens de politie aan dat hij die dag dienst had en op straat een persoon had aangetroffen die in coma was. 
Verweerder heeft een infuus aangelegd en daarna kwam de ambulance. Verweerder zou volgens de 
politie hebben toegelicht dat hij op dat moment als hulpverlener en niet als burger op straat 
werkzaam was. Achteraf verklaarde verweerder dat hij inzag dat wat hij had gedaan niet de bedoeling 
was.

3.4   Op 27 april 2023 was verweerder bij een tweede incident als BHV’er betrokken. In het 
proces-verbaal van de politie is weergegeven dat verweerder op een evenement een EHBO-jas droeg. 
Hij legitimeerde zich met een ziekenhuispas en droeg een portofoon. Verweerder gaf aan dat hij geen 
zorg verlenende handelingen heeft verricht.

3.5   Op 26 augustus 2023 is er een derde incident waarbij verweerder als BHV’er was betrokken. Er 
was een onwel persoon op straat aangetroffen waarbij verweerder aankwam met een medische tas en een 
AED. De politie zag dat verweerder de AED wilde aansluiten op het slachtoffer en dat verweerder 
medische handelingen verrichtte, waaronder intubatie. De medewerkers van de ambulance hebben 
meerdere keren tegen verweerder gezegd dat hij moest weggaan.

3.6   Op 31 augustus 2023 is verweerder door de ambulancezorg van de regio (hierna: de 
ambulancezorg) gesommeerd om met de ambulancezorg in gesprek te gaan, omdat verweerder in een auto 
had gereden met zwaailichten, zuurstof en diverse medicatie. Aanleiding voor dit gesprek was ook de 
wijze waarop verweerder zich had gedragen tijdens het incident op 26 augustus 2023.

3.7   De IGJ heeft bij de ambulancezorg navraag gedaan over dit incident. De ambulancezorg gaf het 
volgende aan. Volgens de ambulancezorg was er sprake van een reanimatie en was dit een “totaal 
verkeerde inschatting”. De ambulancemedewerkers hebben verweerder weggestuurd en uiteindelijk 
hardhandig moeten verwijderen omdat verweerder niet direct de instructie opvolgde. Voor de 
omstanders was dit heftig en moeilijk te begrijpen. Verweerder toonde volgens de ambulancezorg geen 
reflectie. De ambulancezorg heeft bij de BHV-instantie gecheckt of verweerder daar was ingeschreven 
en dat bleek het geval. Verweerder was vanaf 17 maart 2023 ingeschreven. De ambulancezorg heeft de 
BHV-instantie verzocht om verweerder uit te schrijven. Op 29 september 2023 is het account van 
verweerder bij de BHV-instantie verwijderd en is verweerder op de zwarte lijst geplaatst. De 
ambulancezorg heeft een bevestiging van de uitschrijving ontvangen.

3.8   Verweerder werd op 13 februari 2024 wederom aangehouden in verband met rijden onder invloed 
van alcohol. Zijn rijbewijs werd hierbij ingevorderd.

3.9   Op 8 juli 2024 is verweerder door de rechtbank strafrechtelijk veroordeeld voor ontvreemding 
van medicatie en materialen uit het ziekenhuis. Verweerder heeft de uitspraak niet aan de IGJ 
gestuurd. De IGJ had hier wel om gevraagd. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze 
uitspraak.

3.10  Op 15 juli 2024 heeft de IGJ aan verweerder gevraagd om te reflecteren op zijn handelen als 
BHV’er, waarop verweerder heeft aangegeven dat er geen risico's voor de patiëntveiligheid waren. De 
politie en/of de ambulance was vaak al ter plaatse volgens verweerder. Dit was enkel niet het geval 
bij het derde incident. Verweerder heeft alleen de Basic Life Support (BLS) opgestart en de AED 
opgevolgd. Verweerder vertelde ook dat een BHV’er geen medicatie mag geven maar dat hij dat wel 
heeft gedaan. Over de verschillende materialen die door de politie in de auto van verweerder werden 
aangetroffen, zoals een alarmlicht voor op het dak, een lichtbalk, de medische tassen en een AED, 
heeft verweerder het volgende aangegeven. De AED huurde hij en deze werd automatisch dagelijks 
gecontroleerd. De lichtbalk gebruikte hij om op te vallen wanneer hij stil kwam te staan langs de 
weg. Hij had deze voorheen echter ook gebruikt als BHV’er.

3.11  Op 10 april 2025 vond wederom een gesprek plaats tussen de IGJ en verweerder. Verweerder had 
een psychiatrisch verpleegkundige van de persoonsgerichte aanpak (hierna: PGA) meegenomen. Tijdens 
dit gesprek heeft de PGA toegelicht zorgen te hebben over het alcoholgebruik van verweerder omdat 
verweerder dit niet altijd onder controle heeft. Verweerder heeft aangegeven dat zijn 
alcoholgebruik niet veel is veranderd en dat hij gemiddeld twee glazen alcohol per dag drinkt. 
Stress zou volgens verweerder een uitlokkende factor voor het alcoholgebruik zijn. Aan verweerder 
is medicatie voorgeschreven.

3.12  Na dit gesprek van 10 april 2025 heeft de IGJ, met toestemming van verweerder, informatie van 
de PGA ontvangen over het behandeltraject van verweerder.

3.13  Op 6 oktober 2025 had de IGJ wederom een gesprek met verweerder. Verweerder gaf aan dat hij 
voorafgaand aan het gesprek alcohol had gedronken. Op 17 oktober 2025 heeft de IGJ, met instemming 
van verweerder, van de verslavingszorg de medische informatie van verweerder ontvangen. De reden 
van de aanmelding was extreem/ernstig alcoholgebruik door verweerder.

3.14  Op 4 november 2025 heeft de IGJ aan verweerder een last tot onmiddellijke onthouding van de 
beroepsactiviteiten (hierna: LOOB) als verpleegkundige opgelegd. Verweerder was toen werkzaam in 
een kliniek als anesthesiemedewerker.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1   De IGJ verwijt verweerder dat hij heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk 
beroepsbeoefenaar betaamt en onprofessioneel heeft gehandeld want:
a)   hij heeft zich voorgedaan als professionele hulpverlener in een setting waar hij aanwezig was 
als BHV’er en als BHV’er niet professioneel en onzorgvuldig heeft gehandeld; en
b)   hij blijft ondanks zijn alcoholgebruik in de zorg werkzaam zonder dat hij voor zichzelf 
randvoorwaarden stelt om de patiëntveiligheid te waarborgen.

4.2   De IGJ is van mening dat verweerder zich niet heeft gedragen zoals van een verpleegkundige 
mag worden verwacht. Volgens de IGJ heeft verweerder gehandeld in strijd met de Beroepscode van 
Verpleegkundigen en Verzorgenden 2015 (hierna: Beroepscode) en diverse kwaliteitskaders die gelden 
voor verweerder. Daarnaast is verweerder werkzaam gebleven terwijl sprake is van problematisch 
alcoholgebruik en het gebruik van benzodiazepines waardoor gevaar bestaat voor het maken van fouten 
en het maken van een onjuiste inschatting. Door te handelen als verweerder heeft gedaan, is er 
risico ontstaan voor de gezondheid en veiligheid van patiënten volgens de IGJ. De IGJ heeft 
verzocht om de klacht gegrond te verklaren en verweerder door te halen.

4.3   Verweerder heeft niet bestreden dat hij heeft gehandeld in strijd met de geldende beroepscode 
en de diverse kwaliteitskaders. Verweerder is wel van mening dat het wegnemen van medicatie nog 
niet vast staat. Hij is namelijk in hoger beroep gegaan van de uitspraak. Volgens verweerder kan 
daarom dit onderdeel niet aan hem worden tegengeworpen. Voorts is verweerder van mening dat er geen 
bewijzen zijn dat hij daadwerkelijk onder invloed van alcohol op de werkvloer heeft gestaan. 
Volgens verweerder is niet voldaan aan de onschuldspresumptie en was er geen sprake van risico’s 
voor patiënten of collega’s. Verweerder zou graag nog een kans krijgen om zijn werk in de zorg uit 
te blijven voeren.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   In deze zaak gaat het niet om het tekortschieten van verweerder in zijn beroepsmatig handelen 
ten opzichte van een patiënt, maar om gedragingen die in de privésfeer hebben plaatsgevonden. Ook 
deze gedragingen kunnen door het college tuchtrechtelijk worden getoetst als deze een gevaar voor 
patiënten kunnen opleveren of het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig kunnen schaden. De 
vraag die het college moet beantwoorden, is of de gedragingen van verweerder, die verpleegkundige 
is, in strijd zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.

5.2   Voor die beoordeling is mede van belang hetgeen in de Beroepscode is opgenomen. Met name de 
volgende bepalingen zijn van belang:
Artikel 1.1. Als verpleegkundige (…) oefen ik het beroep uit met het oog op het welzijn en de 
gezondheid van de zorgvrager.
Artikel 1.2. Als verpleegkundige (…) handel ik bij de uitoefening van mijn beroep naar de normen, 
richtlijnen, protocollen, gedragsregels en eisen van zorgvuldigheid die invulling geven aan goed 
hulpverlenerschap (…).
Artikel 1.3. Als verpleegkundige (…) ben ik verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op mijn eigen 
handelen, bejegening en gedrag als professional.
Artikel 1.5. Als verpleegkundige (…) ken ik de grenzen van mijn eigen deskundigheid en 
beroepsverantwoordelijkheid en verricht ik alleen handelingen die binnen deze grenzen liggen.
Artikel 1.7. als verpleegkundige (…) draag ik bij aan een veilige zorgverlening.
Artikel 1.9. Als verpleegkundige (…) zorg ik goed voor mezelf.
Artikel 3.1. Als verpleegkundige (…) werk ik samen met teamgenoten en vakgenoten (…).
Artikel 3.2. Als verpleegkundige (…) werk ik samen met zorgverleners van andere disciplines.
Artikel 4.3. Als verpleegkundige (…) ondersteun ik activiteiten van de beroepsgroep om voorwaarden 
te scheppen voor een verantwoorde beroepsuitoefening.
Artikel 4.4. Als verpleegkundige (…) verleen ik ook buiten mijn werk vanuit mijn professionele 
deskundigheid voor zover mogelijk zorg in noodsituaties.
Artikel 4.7. Als verpleegkundige (…) bewaak ik de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en de 
geloofwaardigheid van mijzelf en van de beroepsgroep.

Klachtonderdelen a) hij heeft zich voorgedaan als professionele hulpverlener in een setting waar 
hij aanwezig was als BHV’er en als BHV’er niet professioneel en onzorgvuldig heeft gehandeld en b) 
hij blijft ondanks zijn alcoholgebruik in de zorg werkzaam zonder dat hij voor zichzelf 
randvoorwaarden stelt om de patiëntveiligheid te waarborgen
5.3   De IGJ heeft ter onderbouwing van klachtonderdeel a) gewezen op twee onderdelen, namelijk het 
handelen van verweerder in de hoedanigheid van BHV’er en het werkzaam blijven in de zorg ondanks 
het alcoholgebruik. Het college ziet redenen om klachtonderdeel a) en klachtonderdeel b) gezamenlijk te
behandelen.

5.4   Verweerder heeft erkend zich verschillende keren als BHV’er te hebben opgeworpen terwijl hij 
op dat moment niet formeel als BHV’er betrokken was. Hoewel verweerder meerdere verklaringen heeft 
gegeven over de reden waarom hij bij de betreffende personen en incidenten was betrokken, kan 
daaruit niet worden afgeleid dat verweerder formeel als BHV’er mocht worden aangemerkt. Verweerder 
heeft tijdens de mondelinge behandeling ook erkend geen formele rol te hebben gehad bij de 
personen/incidenten. Verweerder heeft uiteindelijk ook erkend dat een gemiddelde burger hem had 
kunnen verwarren met een professionele hulpverlener, gelet op de wijze waarop hij handelde, de 
attributen die hij bij zich had en hoe hij gekleed was. Ten slotte heeft verweerder erkend dat hij 
medische handelingen heeft verricht die hij als BHV’er niet zou mogen verrichten, zoals het 
aanleggen van een infuus en het inbrengen van een mayotube. Verweerder heeft daarover verklaard dat 
in het verleden opgelopen trauma’s hem ertoe hebben gebracht om deze handelingen te verrichten. Hij 
wilde levens redden.

5.5   Het college is van oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een 
behoorlijk handelend verpleegkundige mag worden verwacht. Verweerder heeft met name de artikelen 
1.2, 1.3, 1.5 en 1.7 van de Beroepscode geschonden. Door aldus te handelen heeft verweerder het 
vertrouwen in de beroepsgroep waartoe hij behoort ernstig beschaamd. De samenleving en patiënten 
moeten erop kunnen vertrouwen dat verpleegkundigen zich op de juiste wijze presenteren en geen 
handelingen verrichten die zij buiten hun professionele beroepsuitoefening niet mogen verrichten. 
Het inbrengen van een mayotube en het aanleggen van een infuus zijn handelingen die een 
verpleegkundige verricht onder verantwoordelijkheid van een arts. Vast staat dat er ten tijde van het handelen
van verweerder geen arts aanwezig was. Klachtonderdeel a) is dan ook gegrond.

5.6   Met betrekking tot het alcoholgebruik heeft verweerder aangevoerd dat hij nimmer alcohol 
heeft gebruikt tijdens het werk, zodat hem dat niet kan worden tegengeworpen. Volgens verweerder 
zijn de gezondheid en de veiligheid van patiënten ook nimmer in het geding geweest. Ook heeft 
verweerder aangevoerd dat zijn collega’s niet hebben geklaagd. Verweerder heeft wel erkend dat er 
langere tijd sprake is geweest van alcoholproblematiek. Dat was vooral het gevolg van problematiek 
in het verleden en een instabiele thuissituatie.

5.7   Het college oordeelt als volgt. Uit het dossier komt duidelijk naar voren dat verweerder een 
ernstig alcoholprobleem heeft. Verweerder werd al in augustus 2021 aangehouden voor rijden onder 
invloed, terwijl er daarnaast medicatie in de auto van verweerder werd aangetroffen. Vast staat ook 
dat hij in de vroege ochtend, kort na zijn dienst, werd aangehouden en toen al een 
alcoholpromillage had van 1,18. Dat staat gelijk aan ongeveer vijf glazen alcohol, ook volgens 
verweerder. Verweerder heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij direct ná 
zijn dienst is gaan drinken, terwijl hij nog op de parkeerplaats van het ziekenhuis stond waar hij 
destijds werkzaam was. Het college stelt vast dat verweerder in de vroege ochtend is aangehouden, 
kort nadat zijn dienst was afgelopen. Gelet op het vastgestelde alcoholpromillage van 1,18 en de 
erkenning van verweerder dat dit overeenkomt met ongeveer vijf glazen, kan worden aangenomen dat 
verweerder al tijdens zijn dienst dan wel tijdens de overdracht van de dienst is begonnen met 
drinken. In de periode daarna heeft de politie verweerder verschillende keren aangetroffen en bij 
verweerder een alcoholgeur waargenomen. De IGJ heeft zelf tijdens het gesprek op 6 oktober 2025 een 
alcoholgeur waargenomen en verweerder heeft tijdens dat gesprek bevestigd dat hij had gedronken. 
Naar het oordeel van het college kan uit deze feiten en omstandigheden, tezamen met de medische 
informatie over verweerder, niet anders worden opgemaakt dan dat bij verweerder sprake is van 
problematisch alcoholgebruik. Dat verweerder op het moment dat deze klacht wordt behandeld, heeft 
bepleit dat hij actief hulp heeft gezocht, doet niet af aan het voorgaande. Hoewel uit voornoemde 
feiten niet eenduidig kan worden afgeleid dat verweerder steeds tijdens zijn diensten alcohol 
nuttigde, heeft verweerder met zijn gedrag wel gehandeld in strijd met de tweede tuchtnorm en meer 
in het bijzonder in strijd met de artikelen 1.9 en 4.7 van de Beroepscode. Ten minste één keer moet 
worden aangenomen dat verweerder al tijdens (de overdracht van) zijn dienst is begonnen met 
drinken. Verweerder heeft met zijn handelen niet goed voor zichzelf gezorgd en daarnaast de 
betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van verweerder zelf en van de beroepsgroep ernstig 
geschaad. Vast staat ook dat verweerder, ondanks zijn problematisch alcoholgebruik, steeds in de 
zorg is blijven werken en dit voornemen ook tijdens de mondelinge behandeling heeft geuit. Het 
hebben van een blaasapparaat in huis is naar het oordeel van het college onvoldoende onderbouwing 
van een serieuze aanpak van een ernstige verslaving, zoals verweerder heeft betoogd. Dat 
behandelaren het kennelijk nodig vinden om verweerder te (laten) controleren middels blaastesten doet
vermoeden dat ook de behandelaren niet ervan overtuigd zijn dat verweerder zijn verslaving goed onder
controle heeft.

5.8   Het college is van oordeel dat ook het optreden van verweerder als BHV’er niet past bij het 
handelen als verpleegkundige. Vast staat dat verweerder niet alleen heeft opgetreden als BHV’er 
terwijl hij op dat moment geen formele/professionele rol had als BHV’er, maar ook dat hij als 
BHV’er handelingen heeft verricht die niet behoren tot de handelingen die een BHV’er mag uitvoeren. 
Daarmee heeft verweerder ook de gezondheid en veiligheid van de patiënt mogelijk in gevaar 
gebracht. Dit handelen is eveneens in strijd met hetgeen van een behoorlijk verpleegkundige mag 
worden verwacht alsmede met de artikelen 1.1, 1.2, 1.5, 1.7 en 4.7 van de Beroepscode. Verweerder was daarnaast niet aanspreekbaar op zijn handelen, noch door de politie, noch door de ambulancedienst. Daarmee heeft verweerder ook gehandeld in strijd met artikel 1.3 van de Beroepscode.

5.9  In het licht van al het vorenstaande zijn de klachtonderdelen a) en b) gegrond.

Slotsom
5.10  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is. Dat betekent dat het college 
staat voor de vraag of een maatregel en zo ja, welke maatregel aan verweerder moet worden opgelegd.

Maatregel
5.11  Het handelen van verweerder is ernstig verwijtbaar. De samenleving en de patiënten moeten 
erop kunnen vertrouwen dat een verpleegkundige zijn bevoegdheden kent en zeker ook zijn 
beperkingen. Het handelen van verweerder raakt het beroep van verpleegkundige in de kern. Aan 
verweerder is immers de zorg van kwetsbaren toevertrouwd en hij heeft daarmee de gezondheid en het 
welzijn van deze kwetsbaren voor ogen te houden, ook buiten de formele setting van een 
zorginstelling. De ernst van de gedragingen rechtvaardigt een beroepsbeperkende maatregel. Ook 
tijdens de zitting lijkt verweerder de ernst van zijn handelen niet in te zien. Het college is niet 
overtuigd van de motivatie van verweerder om te achterhalen welke factoren hebben bijgedragen aan 
zijn handelen. De mogelijke behandelingen die eerder werden ingezet, zijn door verweerder steeds 
afgebroken. Zowel de kliniek waar verweerder heeft verbleven voor behandeling, als de PGA zijn 
kritisch over de mate van inzicht en over de mogelijkheden voor herstel. Dat verweerder mogelijk 
naar .....
zal gaan om zich te melden bij een kliniek voor behandeling is verder niet op enigerlei wijze 
onderbouwd. Dat verweerder thuis beschikt over een blaasapparaat overtuigt het college allerminst. 
Integendeel, dit apparaat was voorgeschreven door de verslavingszorg om verweerder te kunnen 
monitoren en dat doet vermoeden dat de behandelaren van verweerder er niet van overtuigd zijn dat 
verweerder de alcoholverslaving heeft overwonnen. Daar komt bij dat het college er niet van 
overtuigd is dat het voor verweerder helder is welke risico’s voor de patiëntveiligheid dienen te 
worden voorkomen of weggenomen. Hier speelt niet alleen de zorg voor de beroepsuitoefening van 
verweerder, maar voor de hele gezondheidszorg. Ook werkt in zijn nadeel dat verweerder uiteindelijk 
niet heeft willen meewerken aan een expertiseonderzoek, zoals de IGJ verweerder had verzocht, en de gegevens daarvan niet bekend wenst te maken aan de IGJ en het college. Dat verweerder begrijpelijkerwijs trots is op 
zijn verpleegkundigentitel en graag zijn BIG-registratie wenst te behouden, is te waarderen. Juist 
dan had van verweerder verwacht mogen worden dat hij blijk gaf van voldoende inzicht en 
reflectievermogen in de oorzaken van zijn gedrag, dan wel dat hij daar intensief mee aan het werk 
was gegaan en hierover alle openheid had gegeven.

5.12  In het licht van deze feiten en omstandigheden is het college van oordeel dat er onvoldoende 
zekerheid is dat het risico op herhaling voldoende wordt weggenomen bij een tijdelijke maatregel. 
Het college acht geen andere maatregel passend dan de maatregel van doorhaling. Het college zal op 
basis van artikel 48 lid 2 Wet BIG de verpleegkundige naast de doorhaling ook een algeheel 
beroepsverbod opleggen.

5.13  Het college ziet geen redenen om het beroepsverbod om werkzaam te zijn in de individuele 
gezondheidszorg te beperken tot bepaalde categorieën patiënten, zoals in sommige gevallen mogelijk 
zou zijn. Het college is van oordeel dat voor alle patiënten geldt dat zij zich (in meer of mindere 
mate) in een kwetsbare positie bevinden ten opzichte van hun zorgverlener. Afgezet tegen de op 
onderdelen bagatelliserende houding van verweerder tegenover de risico’s voor de patiënt, de ernst 
van zijn alcoholverslaving en diens onwil om mee te werken aan het expertiseonderzoek, is de 
conclusie dat er onvoldoende vertrouwen is dat de gezondheidszorg met een geclausuleerd 
beroepsverbod voldoende zou zijn beschermd. Dit betekent ook dat zal worden bepaald dat het 
beroepsverbod onmiddellijk van kracht wordt, zoals bepaald in artikel 48 lid 8, tweede volzin, Wet 
BIG.

Publicatie
5.14  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor is overwogen. De 
publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties 
herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht gegrond;
-  beveelt de doorhaling van de inschrijving van verweerder in het BIG-register en ontzegt 
   verweerder het recht om weer in dit register te worden ingeschreven;
-  legt daarnaast een algeheel verbod op tot het beroepsmatig handelen op het gebied van de 
   individuele gezondheidszorg en bepaalt dat dit verbod onmiddellijk van kracht wordt;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
   of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
   publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Nursing, Nederlands Tijdschrift voor 
   Anesthesiemedewerkers en Medisch Contact.


Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths–van Meerwijk, voorzitter,
I.M.E.A. van Eldonk, lid-jurist, M. IJzerman, G.J.T. Kooiman, en C.E.B. Driessen, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar 
uitgesproken door de voorzitter op 10 juni 2026.