We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8366

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:104
Datum uitspraak: 10-06-2026
Datum publicatie: 10-06-2026
Zaaknummer(s): H2025/8366
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klacht van klager/orthodontist tegen collega orthodontist.  Na beëindiging van de praktijk door klager hebben diverse patiënten zich tot verweerder gewend, die zich in (te) ferme en negatieve bewoordingen heeft uitgelaten over de kwaliteit van de zorg die klager had geleverd aan de patiënten en uitdrukkelijk de suggestie heeft gedaan dat een klacht hierover kon worden ingediend. Daarnaast heeft hij zeker in één geval een patiënt overgenomen die hij in het kader van een second opinion heeft gezien. De klacht van de collega orthodontist is ontvankelijk omdat het handelen gevolgen heeft voor de kwaliteit van de patiëntenzorg. Het handelen kan namelijk bijdragen aan onrust bij (ouders van) patiënten en het vertrouwen in de zorgverlening. De beoordeling vindt plaats met toepassing van de tweede tuchtnorm. De klacht is gegrond. Als maatregel wordt een berisping opgelegd. De gevraagde kostenveroordeling wordt toegekend aan de hand van de Oriëntatiepunten kostenveroordeling tuchtcolleges voor de gezondheidszorg.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 10 juni 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde A.C.H. Jansen, advocaat te Wijchen

tegen

[C],
orthodontist,
werkzaam in [D],
gemachtigde O. Planten, advocaat te Bussum verweerder.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager was werkzaam als orthodontist. Hij heeft zijn praktijk in oktober 2020 overgedragen 
aan een beheerder van orthodontiepraktijken. Verweerder is orthodontist in dezelfde regio als 
klager. In ieder geval in de periode 2020 tot en met 2021 hebben zich meerdere (voormalige) 
patiënten van klager tot verweerder gewend en heeft verweerder de behandeling van deze patiënten 
overgenomen. Een deel van deze patiënten heeft een tuchtklacht tegen klager ingediend.

1.2   Klager neemt het verweerder – samengevat weergegeven – kwalijk dat hij zich onnodig negatief 
over klager heeft uitgelaten tegenover (de ouders van) deze patiënten, (de ouders van) patiënten 
heeft aangezet tuchtklachten in te dienen en zonder overleg met hem na het geven van een second 
opinion de behandeling heeft overgenomen.

1.3   Verweerder is het hier niet mee eens. Hij vindt dat hij zich slechts feitelijk heeft geuit, 
dat er geen sprake was van het geven van een second opinion over patiënten, die nog bij klager 
onder behandeling waren en dat hij niemand tot het indienen van een tuchtklacht heeft aangezet.

1.4   Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt aan verweerder de maatregel 
van berisping op. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, met bijlagen, ontvangen op 8 april 2025;
- het verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 17 juni 2025;
- de repliek, met bijlagen, ontvangen op 29 juli 2025;
- de dupliek, ontvangen op 27 augustus 2025;
- de brief van gemachtigde van klager, met bijlagen, ontvangen per e-mail op 30 maart 2026.

2.2   Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college 
met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 april 2026. Partijen en hun gemachtigden 
zijn verschenen. Ook is een door verweerder aangebrachte getuige gehoord. De gemachtigden hebben 
een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. De klachten
Klager verwijt verweerder dat hij in zijn hoedanigheid van orthodontist klachtwaardig heeft 
gehandeld door:
a. gedurende een periode van vele jaren ten overstaan van (ouders van) voormalige, meest 
    minderjarige patiënten en collega’s van klager, stelselmatig negatieve uitlatingen over klager als 
    orthodontist te doen;
b. (mondelinge en schriftelijke) negatieve opinies af te geven over de behandeling door klager als 
    orthodontist van zijn voormalige patiënten;
c. na het overnemen van de patiënten van klager, niet op neutrale wijze met de overgenomen 
    patiënten dan wel hun ouders te communiceren;
d. als opvolgend behandelaar over de door klager uitgevoerde behandelingen stelselmatig een 
    negatief waardeoordeel uit te spreken/te schrijven;
e. na het geven van een second opinion over voormalige patiënten van klager, deze patiënten als 
   orthodontist in behandeling te nemen;
f. patiënten, althans de ouders van voormalige patiënten van klager, aan te zetten dan wel te 
   adviseren tot het indienen van een klacht bij de aansprakelijkheidsverzekering van klager en het 
   regionaal tuchtcollege.

Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

4. De feiten
4.1 Klager en verweerder zijn orthodontist. Klager heeft tot oktober 2020 een praktijk gevoerd. 
Verweerder heeft de behandeling van diverse patiënten van klager overgenomen.

4.2 Verweerder heeft bij een aantal voormalige patiënten schriftelijke uitlatingen gedaan over de 
behandeling door klager van de betreffende patiënt.

4.3 In een brief van 10 september 2020 (bijlage 2 klaagschrift) van verweerder staat het volgende:
“De patiënt wil een klacht indienen tegen collega [naam klager] wegens malpraxis. Ik kan dat 
ondersteunen.”

In een brief van 19 november 2020 (bijlage 3 klaagschrift) van verweerder staat het volgende:
“Advies: klacht indienen tegen [naam klager] wegens malpraxis.”

In een brief van 7 januari 2021 (bijlage 4 klaagschrift) van verweerder staat het volgende: 
“Conclusie: slecht geplande en uitgevoerde behandeling waardoor er voor de levensduur van het gebit 
potentieel gevaarlijke situaties ontstaan, tevens een onbevredigend resultaat wat betreft de 
esthetiek van het gebit en met name ook het profiel.”

In een brief van 19 januari 2021 (bijlage 9 klaagschrift) van verweerder staat het volgende: “Mijn 
advies is: klacht indienen bij medisch tuchtcollege in [naam vestigingsplaats college].”

In een brief van 28 januari 2021 (bijlage 5 klaagschrift) van verweerder staat het volgende: 
“Aangezien de patiënte na 4 jaar behandelen nog een keer 1,5 jaar bezig is en tevens een, indien 
het goed behandeld was, vermijdbare osteotomie moet ondergaan hebben we tevens besproken om bij het 
medisch tuchtcollege een klacht in te dienen wegens malpraxis. Er zijn inmiddels meerdere patiënten 
die dit traject hebben ingezet tegen
collega [naam klager].”

In een brief van 7 september 2021 (bijlage 6 klaagschrift) van verweerder staat het volgende:
“Conclusie: collega [naam klager] houdt zich niet aan de richtlijn voor Diagnostiek en 
behandelplanning, noch aan de Orthondotische Radiologie, behandelplan met meerdere opties is niet 
besproken, geen informed consent, verkeerde therapiekeuze waardoor het gebit van de patiënt in de 
toekomst parodontaal risico loopt, en waardoor het profiel fors DP (dubbele protrusie) vertoont en 
de patiënt niet tot een normale lipsluiting kan komen, klasse 2 occlusie is niet gecorrigeerd. 
Extracties zijn noodzakelijk om dit goed en blijvend op te lossen en de behandeling gaat daardoor 
voor de patiënt veel langer duren dan noodzakelijk.

In een brief van 7 september 2021 (bijlage 7 klaagschrift) van verweerder staat het volgende:
“Conclusie: deze afwijking had nooit zonder extracties behandeld mogen worden. Met zo een fors 
ruimtegebrek in de boven- en onderkaak leidt non-extractie therapie tot een groot risico op 
parondontale problemen in boven- en onderfront in de toekomst, een voor de patiënt onacceptable profiel, en een onmogelijkheid om tot een normale ontspannen lipsluiting te komen.”

In een brief van 18 maart 2021 (bijlage 8 klaagschrift) van verweerder staat het volgende: 
“Conclusie: zeer slecht eindresultaat ten gevolge van ontoereikende diagnostiek en 
behandelplanning, slechte uitvoering van de behandeling, advies klacht indienen bij medisch 
tuchtcollege en/of civiele rechtszaak vanwege schadeclaim.”

In een brief van 29 maart 2022 (bijlage 15 klaagschrift) van verweerder staat het volgende: “Mijn 
advies is om een klacht in te dienen bij het medisch tuchtcollege in [vestigingsplaats college].
(…)
Conclusie: een slecht geplande, te vroeg begonnen en niet conform behandelplan uitgevoerde 
behandeling die daarvoor veel te lang reeds duurt met een bedroevend slecht resultaat. Geen 
behandelplan besproken met ouders, tussentijdse wijziging in behandelplan niet met ouders 
besproken, technisch slecht uitgevoerde behandeling, en ontoereikende dossiervoering. Hier is maar 
een woord voor; triest!”

In een brief van 18 maart 2022 (bijlage 16 klaagschrift) van verweerder staat het volgende: 
“Patiënte meldt zich in dec 2021 bij ons, de behandeling had op dat moment al lang klaar kunnen en 
moeten zijn. Conclusie: onvoldoende dossiervoering, onterecht gemaakte bite-wings, slecht 
uitgevoerde behandeling met als resultaat nog steeds een overjet van 6 mm, en een slechte occlusie. 
Het risico is groot dat de overjet niet meer orthodontisch gecorrigeerd kan worden aangezien 
patiënte ruim 16 jaar oud is en zo goed als zeker uitgegroeid. De enige oplossing ter correctie van 
de dysgnathie zou dan een verlengingsosteotomie van de onderkaak zijn.”

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1   Om een tuchtklacht ter beoordeling aan het college voor te kunnen leggen moet klager aan te 
merken zijn als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 lid 1 sub a van de Wet op de 
beroepen in de Gezondheidszorg (Wet BIG). Het belang moet een concreet eigen belang inhouden dat 
verband houdt met de individuele gezondheidszorg.
Daarbij moet het handelen waarover wordt geklaagd, vallen onder een van de twee tuchtnormen. Er 
moet sprake zijn van onzorgvuldig handelen of nalaten in de behandelrelatie ten opzichte van de 
patiënt of diens naaste betrekking (de eerste tuchtnorm, art. 46 lid 1 sub a Wet BIG) of het moet 
gaan om ander handelen of nalaten, in strijd met datgene dat een behoorlijk beroepsbeoefenaar 
betaamt (de tweede tuchtnorm, art. 46 lid 1 sub b Wet BIG), waarbij deze norm wordt begrensd tot 
die gevallen waarin dat handelen voldoende weerslag heeft op de kwaliteit van de individuele 
gezondheidzorg. Het tuchtrecht voor de gezondheidszorg is immers bedoeld als instrument om de 
kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bevorderen en te bewaken. Dit alles betekent 
concreet als het gaat om klachten die worden ingediend door collega-zorgverleners dat er in 
beginsel in het tuchtrecht geen plaats is voor klachten die gaan over oncollegiaal gedrag. Dat is volgens vaste
jurisprudentie alleen anders wanneer het oncollegiale gedrag tot gevolg heeft dat er risico’s 
ontstaan voor de kwaliteit van patiëntenzorg (CTG 26 mei 2025, ECLI:NL:TGZCTG:2025:89). Het college 
is van oordeel dat hiervan in deze zaak sprake is, omdat de verweten gedragingen aanzetten tot of 
bijdragen aan een gevoel van onrust bij (de ouders van) patiënten en hun vertrouwen in de 
zorgverlening schaden. Omdat het in deze zaak niet gaat om een klacht van (ouders van) een patiënt, 
maar om een klacht van een collega, wordt getoetst aan de tweede tuchtnorm.

Toetsingskader
5.2   Bij de beoordeling van de klachten zal het college het volgende tot uitgangspunt nemen. Het 
college moet beoordelen of verweerder heeft gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar 
betaamt.

5.3  Rekening wordt gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden, waaronder de Gedragsregels voor tandartsen (KNMT).

De gedragsregels voor tandartsen van het KNMT, in het bijzonder artikel 14 en 15:
“14 De tandarts zal in het belang van de patiënten en van de professie streven naar een onderlinge 
verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.

15 De tandarts zal zich onthouden van het in het openbaar of ten opzichte van patiënten uiten van 
kritiek op een collega. Indien de tandarts ervan overtuigd is dat een collega handelt in strijd met 
de gedragsregels zal hij dit aan de betrokken collega kenbaar maken. Het vertrouwen in het beroep 
kan echter met zich meebrengen dat de tandarts, indien er naar zijn oordeel sprake is van een grove 
nalatigheid en/of wanprestatie van een collega, dat oordeel, onder mededeling daarvan aan de 
betrokken collega, ter kennis brengt van de voorzitter van het afdelingsbestuur of de geneeskundige 
inspectie, dan wel van de patiënt, hem wijzend op de mogelijkheden om een klacht aanhangig te 
maken.”

5.4  Het college zal beoordelen of verweerder, gelet op de feiten, persoonlijk een tuchtrechtelijk 
verwijt kan worden gemaakt.

Klachtonderdelen a) tot en met d) negatieve uitlatingen
5.5   Het college zal de klachtonderdelen a) tot en met d) samen behandelen. Het gaat in deze 
klachten in de kern om het verwijt dat verweerder:
- zich negatief jegens (de ouders van) voormalige patiënten heeft uitgelaten over de door klager 
  uitgevoerde behandelingen;
- negatieve opinies (het college begrijpt: een negatieve mening) en/of waardeoordelen heeft 
  afgegeven en op niet neutrale wijze heeft gecommuniceerd over de behandeling door klager ten 
  opzichte van (de ouders van) voormalige patiënten van klager.

5.6   Verweerder is het hier niet mee eens. Zijn betoog komt in de kern op het volgende neer. Hij 
heeft zich beperkt tot feitelijke observaties tijdens klinisch onderzoek en de dossiergegevens. Er 
is enkel over de toestand van het gebit geoordeeld, in het kader van de normale zorgverlening. 
Bovendien heeft klager in deze zaken duidelijke fouten gemaakt. Opmerkingen over de behandeling 
door klager zijn steeds met de nodige terughoudendheid en zorgvuldigheid geuit. Verweerders 
beoordelingen vonden steeds plaats vanuit een professionele context bij de start van een nieuwe 
behandeling om tot een noodzakelijk behandelplan te komen. Van stelselmatige diskwalificatie of 
beschadiging van klager is geen sprake, aldus verweerder.

5.7   Het college is van oordeel dat klager terecht klaagt over het handelen van verweerder. Uit de 
hiervoor geciteerde passages uit brieven van verweerder blijkt dat verweerder herhaaldelijk zeer 
kritisch is geweest over de behandeling van klager, daarover niet op neutrale wijze, maar wel 
negatief communiceert met (de ouders van) patiënten en vaak verregaande waardeoordelen geeft over 
de behandeling.

5.8   Deze passages kunnen niet anders worden gelezen dan dat verweerder herhaaldelijk op een niet 
neutrale wijze ernstige en negatieve kritiek uit op de door klager uitgevoerde behandeling richting 
(de ouders van) voormalige patiënten van klager. Verweerder geeft in niet mis te verstane woorden 
negatieve waardeoordelen over de behandeling door klager. Tijdens de zitting op 17 april 2026 heeft 
verweerder het college niet duidelijk kunnen maken dat zijn brieven anders zouden moeten worden 
gelezen.

5.9   Daarbij is de in zijn brieven tot drie keer toe genoemde term “malpraxis” (zie hiervoor bij 
de feiten) een behoorlijk zware aantijging, althans diskwalificatie van hetgeen wordt 
geconstateerd. Deze term mag niet lichtvaardig worden gebruikt. Het college is van oordeel dat dit 
een waardeoordeel is waarvan verweerder zich had moeten onthouden richting (de ouders van) 
patiënten.

5.10  Het college neemt verder in aanmerking dat verweerder nooit contact met klager heeft 
opgenomen om zijn bevindingen over de door klager uitgevoerde behandeling te bespreken. Dat 
verweerder, zoals hij tijdens de zitting heeft aangegeven, daar nooit bij stil heeft gestaan, ook 
niet wist dat dit in de gedragsregels was opgenomen en er overigens ook geen behoefte aan heeft 
gehad, is hem aan te rekenen

5.11  Klager schrijft in zijn klacht dat verweerder stelselmatig heeft gehandeld (klacht a en 
klacht d). Het college begrijpt dit, gezien de inhoud van het klaagschrift en hetgeen ter zitting 
is toegelicht, als “meermaals” of “herhaaldelijk”. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich 
aantoonbaar meerdere keren schriftelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft uitgelaten over de door 
klager uitgevoerde behandeling in de periode 2020 tot en met 2022. De klachtonderdelen a) tot en 
met d) zijn gegrond.

Klachtonderdeel e) in behandeling nemen van patiënten na afgeven second opinion.
5.12  Ter zitting is door klager naar voren gebracht dat verweerder aantoonbaar twee keer een 
patiënt van hem heeft overgenomen na het geven van een second opinion en zonder aan klager 
toestemming te vragen. Klager baseert zijn klacht op twee brieven die hij bij zijn klaagschrift 
heeft overgelegd, bijlagen 3 en 5.

5.13  Verweerder weerspreekt de conclusies die klager daaraan verbindt. In zijn stukken voert hij, 
samengevat, aan dat geen sprake is geweest van second opinions, maar van reguliere inschrijvingen. 
De term second opinion gebruiken patiënten soms als zij zich aanmelden, ‘niet beter wetend’ en de 
secretaresse noteert dit dan als zodanig. Patiënten kwamen niet daadwerkelijk voor een tweede 
mening om daarna weer terug te gaan naar verweerder. Zij zijn ook behandeld als bij een eerste 
consult. Ter zitting heeft verweerder een ander betoog gehouden. Verweerder voerde toen aan dat de 
verwijzende tandarts om een second opinion heeft gevraagd en dat richting die tandarts een 
terugkoppeling is gegeven nadat een van de twee patiënten ook nog door de kaakchirurg is gezien.

5.14  Het college stelt vast dat verweerder in zijn eigen brief letterlijk noteert dat hij de 
patiënten heeft gezien voor een second opinion. Dat zijn dus zijn eigen woorden. Zo de patiënten 
ten onrechte deze term zouden hebben gebruikt, mag van verweerder, als redelijk bekwaam 
beroepsbeoefenaar, worden verwacht dat hij deze term niet met een onjuiste strekking opneemt in 
zijn brieven. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om een second opinion op 
verzoek van de behandelend tandarts. Dat had hij wel moeten doen gezien de discussie tussen klager 
en verweerder in de stukken. Het college gaat er dus vanuit dat het gaat om een second opinion op 
verzoek van de patiënt.

5.15  Uit bijlagen 3 en 5 van het klaagschrift leidt klager af dat verweerder twee patiënten die 
hij voor een second opinion zou hebben gezien, in behandeling heeft genomen. Verweerder betoogt dat 
het om slechts één patiënt gaat. Het college is van oordeel dat dit in het midden kan worden 
gelaten. In de brieven is het volgende opgenomen:

”(…) dan zullen we de behandeling proberen zo goed mogelijk af te maken maar goed zal het nooit 
worden, wij zijn ook niet aansprakelijk voor schade aan het gebit op lange termijn (…). Na uw 
uitleg zal de patiënte met ons weer contact opnemen voor de eventuele verdere afspraken. (..)” 
(bijlage 3, tweede pagina, onderaan en de derde pagina).

“(…) dan zullen we de behandeling proberen zo goed mogelijk af te maken maar goed zal het nooit 
worden, wij zijn ook niet aansprakelijk voor schade aan het gebit op lange termijn (…).” (bijlage 
5, tweede pagina, onder 1.)

5.16  Verweerder erkent dat hij nooit toestemming heeft gevraagd om de behandeling te mogen 
overnemen. En uit niets blijkt dat de behandeling door klager of diens opvolger al was afgesloten 
op het moment dat aan verweerder om zijn mening werd gevraagd, zoals verweerder stelt.

5.17  Het college komt daarom tot de conclusie dat kan worden vastgesteld dat verweerder in ieder 
geval één keer een patiënt heeft overgenomen nadat de patiënt om een second opinion had verzocht en 
zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen van klager c.q. de behandelend tandarts/opvolger van 
klager. Dit is in strijd met de praktijkrichtlijnen die de KNMT heeft opgesteld voor second 
opinion. Onder punt 4 is daarin bepaald dat de second opinion gever zich in principe zal onthouden 
van overname van een patiënt. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan in overleg met de behandeld 
orthodontist worden afgeweken. Ook deze klacht is gegrond.

Klachtonderdeel f) het aanzetten of adviseren van voormalige patiënten tot het indienen van een 
klacht bij het regionaal tuchtcollege
5.18  Volgens klager heeft verweerder zijn voormalige patiënten aangezet en/of geadviseerd tot het 
indienen van een klacht bij zijn verzekeraar of het regionaal tuchtcollege. Hij verwijst daarbij 
naar de door hem overgelegde brieven.

5.19  Verweerder is het hier niet mee eens. Hij betwist dat hij patiënten heeft aangezet tot het 
indienen van een klacht bij het tuchtcollege en vindt dat hem daarvan geen verwijt kan worden 
gemaakt. Hij wijst patiënten alleen op de mogelijkheden waaronder het indienen van een klacht. Dat 
is ook zijn plicht, vindt verweerder.

5.20  Het college is van oordeel dat ook deze klacht gegrond is. Uit de bij het klaagschrift 
overgelegde brieven (bijlagen 2, 3, 5, 8, 9 en 15 van het klaagschrift) volgt duidelijk dat 
verweerder patiënten adviseert om een klacht in te dienen bij het medisch tuchtcollege. De 
toelichting ter zitting van verweerder dat zijn woorden zo moeten worden gelezen dat de patiënt 
overwoog om een klacht in te dienen en dat hij vond dat daarvoor aanleiding was, gaat volgens het 
college niet op. Dit volgt op geen enkele manier uit de overgelegde brieven. Evenmin volgt uit de 
brieven dat verweerder ook andere mogelijkheden met de patiënt heeft besproken en verweerder heeft 
dat ook niet anderszins aangetoond. Ook aan het betoog van verweerder dat het altijd aan de patiënt 
zelf is om te besluiten om een klacht in te dienen, gaat het college voorbij. De vraag hier is of 
verweerder de patiënt in die richting heeft geadviseerd en dat is volgens het college vast komen 
staan. Dat is verwijtbaar.

5.21  Het college stelt ook vast dat verweerder in ieder geval één keer een patiënt zelfs heeft 
aangezet tot het indienen van een klacht. Klager heeft een proces-verbaal overgelegd van een 
mondeling vooronderzoek uit een andere zaak dat op 15 januari 2024 voor het college is gehouden. 
Uit dit proces-verbaal volgt dat verweerder de ouders tot drie keer toe eraan heeft herinnerd dat 
de behandeling van klager zo slecht was geweest dat zij daar iets mee moesten doen. Zij hebben 
vervolgens besloten een klacht in te dienen. Waarom verweerder de ouders drie keer heeft gewezen op 
de slechte behandeling door klager en daarbij ook heeft geadviseerd om daar iets mee te doen, is 
onvoldoende toegelicht door verweerder op zitting.

5.22  Niet kan worden vastgesteld dat verweerder patiënten heeft geadviseerd om een klacht in te 
dienen bij de aansprakelijkheidsverzekering van klager. In zoverre is de klacht ongegrond.

Slotsom
5.23  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle klachten (nagenoeg volledig) gegrond zijn. Het 
college komt tot het oordeel dat verweerder in strijd met de tweede tuchtnorm heeft gehandeld. Hij 
heeft meerdere keren negatieve uitlatingen gedaan over de toestand van het gebit met de opmerking 
dat dit niet meer kan worden verholpen. Daarmee draagt hij bij aan een gevoel van onrust bij 
patiënten. Verweerder heeft zich herhaaldelijk negatief en onprofessioneel uitgelaten over de 
kwaliteit van de behandeling door klager. Door zich op deze manier uit te laten heeft hij onrust 
veroorzaakt bij de patiënten over de behandeling door klager. Niet alleen schaadt verweerder 
daarmee het vertrouwen in het medisch handelen van klager maar ook het vertrouwen in de 
orthodontistische zorg.

Maatregel
5.24  Het college zal verweerder een berisping opleggen. Het college licht dit als volgt toe. Kort 
gezegd moet de maatregel passen bij de ernst van het gegrond verklaarde verwijt. Verweerder heeft 
patiënten meerdere keren geadviseerd om klachten in te dienen over de behandeling van klager bij 
het medisch tuchtcollege. Daarnaast heeft hij diverse malen op een niet neutrale wijze ernstige en 
negatieve kritiek geuit op de door klager uitgevoerde behandeling richting (de ouders van) 
voormalige patiënten van klager. Hij heeft regelmatig negatieve waardeoordelen gegeven richting de 
patiënten over de behandeling door klager. Het college is van oordeel dat verweerder te ver is 
gegaan in zijn bewoordingen, waarvan hem een verwijt kan worden gemaakt. Inherent aan dit vakgebied 
is dat er verschillende keuzes mogelijk zijn om een behandeling in te steken. Verweerder had zich 
moeten en kunnen realiseren dat zijn handelen en woordkeuze ten aanzien van de door klager 
uitgevoerde behandeling niet passen binnen de professionele grenzen van de zorgverlening. Nimmer 
lijkt verweerder ook maar te hebben overwogen om zijn bevindingen over de door klager uitgevoerde 
behandeling met klager zelf te bespreken of een klacht in te dienen bij de KNMT of de inspectie. 
Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij dat niet heeft gedaan, ondanks dat dit gezien de 
gedragsregels wel op zijn weg had gelegen. Het college rekent hem dat aan. Zoals uit het voorgaande 
volgt, kan aan verweerder meerdere keren een verwijt worden gemaakt. Het college vindt daarom een 
berisping op zijn plaats.

Publicatie
5.25  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van deze zaak. De publicatie zal 
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

Kostenveroordeling
5.26  Klager heeft verzocht verweerder te veroordelen in de kosten die hij heeft gemaakt in deze 
procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond 
verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Dat is in deze zaak het geval. Klager heeft 
professionele bijstand genoten bij het opstellen van zijn klaagschrift en repliek en bij de zitting 
van het college op 17 april 2026. Op grond van de Oriëntatiepunten kostenveroordeling tuchtcolleges 
voor de gezondheidszorg worden daarom door verweerder aan klager te vergoeden kosten toegekend van 
2,5 punt, overeenkomend met € 1.665,00 en daarnaast reiskosten die zijn gerelateerd aan zijn enkele 
reisafstand die valt in de categorie 10 tot 50 kilometer, te weten € 25,00.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klachten deels gegrond, zoals hiervoor overwogen;
-  legt verweerder de maatregel op van berisping;
-  veroordeelt verweerder in de hierboven vastgestelde kosten van klager van in totaal € 1.690,00 aan advocaat-
   en reiskosten en veroordeelt hem dit bedrag te voldoen op de bankrekening 
   van klager binnen een maand nadat deze hem schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling 
   van de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort heeft laten weten;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
   of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
   publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift NT/Dentz/De Tandartspraktijk.

Deze beslissing is gegeven door Ch. Schollen-den Besten, voorzitter, C.M.H.M. van Lent, lid-jurist, 
W.J.D.M. van Beers, R.W.F. Huyskens en G.L.M.M. van der Werff, leden-beroepsgenoten, bijgestaan 
door I.F. Schouwink, secretaris, en op 10 juni 2026 uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg 
Jeths-van Meerwijk.