ECLI:NL:TGZRSHE:2026:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8366
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:104 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-06-2026 |
| Datum publicatie: | 10-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8366 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht van klager/orthodontist tegen collega orthodontist. Na beëindiging van de praktijk door klager hebben diverse patiënten zich tot verweerder gewend, die zich in (te) ferme en negatieve bewoordingen heeft uitgelaten over de kwaliteit van de zorg die klager had geleverd aan de patiënten en uitdrukkelijk de suggestie heeft gedaan dat een klacht hierover kon worden ingediend. Daarnaast heeft hij zeker in één geval een patiënt overgenomen die hij in het kader van een second opinion heeft gezien. De klacht van de collega orthodontist is ontvankelijk omdat het handelen gevolgen heeft voor de kwaliteit van de patiëntenzorg. Het handelen kan namelijk bijdragen aan onrust bij (ouders van) patiënten en het vertrouwen in de zorgverlening. De beoordeling vindt plaats met toepassing van de tweede tuchtnorm. De klacht is gegrond. Als maatregel wordt een berisping opgelegd. De gevraagde kostenveroordeling wordt toegekend aan de hand van de Oriëntatiepunten kostenveroordeling tuchtcolleges voor de gezondheidszorg. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 10 juni 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde A.C.H. Jansen, advocaat te Wijchen
tegen
[C],
orthodontist,
werkzaam in [D],
gemachtigde O. Planten, advocaat te Bussum verweerder.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager was werkzaam als orthodontist. Hij heeft zijn praktijk in oktober 2020
overgedragen
aan een beheerder van orthodontiepraktijken. Verweerder is orthodontist in dezelfde
regio als
klager. In ieder geval in de periode 2020 tot en met 2021 hebben zich meerdere (voormalige)
patiënten van klager tot verweerder gewend en heeft verweerder de behandeling van
deze patiënten
overgenomen. Een deel van deze patiënten heeft een tuchtklacht tegen klager ingediend.
1.2 Klager neemt het verweerder – samengevat weergegeven – kwalijk dat hij zich
onnodig negatief
over klager heeft uitgelaten tegenover (de ouders van) deze patiënten, (de ouders
van) patiënten
heeft aangezet tuchtklachten in te dienen en zonder overleg met hem na het geven
van een second
opinion de behandeling heeft overgenomen.
1.3 Verweerder is het hier niet mee eens. Hij vindt dat hij zich slechts feitelijk
heeft geuit,
dat er geen sprake was van het geven van een second opinion over patiënten, die
nog bij klager
onder behandeling waren en dat hij niemand tot het indienen van een tuchtklacht
heeft aangezet.
1.4 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt aan verweerder
de maatregel
van berisping op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, met bijlagen, ontvangen op 8 april 2025;
- het verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 17 juni 2025;
- de repliek, met bijlagen, ontvangen op 29 juli 2025;
- de dupliek, ontvangen op 27 augustus 2025;
- de brief van gemachtigde van klager, met bijlagen, ontvangen per e-mail op 30
maart 2026.
2.2 Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college
met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 april 2026. Partijen en hun
gemachtigden
zijn verschenen. Ook is een door verweerder aangebrachte getuige gehoord. De gemachtigden
hebben
een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De klachten
Klager verwijt verweerder dat hij in zijn hoedanigheid van orthodontist klachtwaardig
heeft
gehandeld door:
a. gedurende een periode van vele jaren ten overstaan van (ouders van) voormalige,
meest
minderjarige patiënten en collega’s van klager, stelselmatig negatieve uitlatingen
over klager als
orthodontist te doen;
b. (mondelinge en schriftelijke) negatieve opinies af te geven over de behandeling
door klager als
orthodontist van zijn voormalige patiënten;
c. na het overnemen van de patiënten van klager, niet op neutrale wijze met de overgenomen
patiënten dan wel hun ouders te communiceren;
d. als opvolgend behandelaar over de door klager uitgevoerde behandelingen stelselmatig
een
negatief waardeoordeel uit te spreken/te schrijven;
e. na het geven van een second opinion over voormalige patiënten van klager, deze
patiënten als
orthodontist in behandeling te nemen;
f. patiënten, althans de ouders van voormalige patiënten van klager, aan te zetten
dan wel te
adviseren tot het indienen van een klacht bij de aansprakelijkheidsverzekering
van klager en het
regionaal tuchtcollege.
Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
4. De feiten
4.1 Klager en verweerder zijn orthodontist. Klager heeft tot oktober 2020 een praktijk
gevoerd.
Verweerder heeft de behandeling van diverse patiënten van klager overgenomen.
4.2 Verweerder heeft bij een aantal voormalige patiënten schriftelijke uitlatingen
gedaan over de
behandeling door klager van de betreffende patiënt.
4.3 In een brief van 10 september 2020 (bijlage 2 klaagschrift) van verweerder staat
het volgende:
“De patiënt wil een klacht indienen tegen collega [naam klager] wegens malpraxis.
Ik kan dat
ondersteunen.”
In een brief van 19 november 2020 (bijlage 3 klaagschrift) van verweerder staat het
volgende:
“Advies: klacht indienen tegen [naam klager] wegens malpraxis.”
In een brief van 7 januari 2021 (bijlage 4 klaagschrift) van verweerder staat het
volgende:
“Conclusie: slecht geplande en uitgevoerde behandeling waardoor er voor de levensduur
van het gebit
potentieel gevaarlijke situaties ontstaan, tevens een onbevredigend resultaat wat
betreft de
esthetiek van het gebit en met name ook het profiel.”
In een brief van 19 januari 2021 (bijlage 9 klaagschrift) van verweerder staat het
volgende: “Mijn
advies is: klacht indienen bij medisch tuchtcollege in [naam vestigingsplaats college].”
In een brief van 28 januari 2021 (bijlage 5 klaagschrift) van verweerder staat het
volgende:
“Aangezien de patiënte na 4 jaar behandelen nog een keer 1,5 jaar bezig is en tevens
een, indien
het goed behandeld was, vermijdbare osteotomie moet ondergaan hebben we tevens besproken
om bij het
medisch tuchtcollege een klacht in te dienen wegens malpraxis. Er zijn inmiddels
meerdere patiënten
die dit traject hebben ingezet tegen
collega [naam klager].”
In een brief van 7 september 2021 (bijlage 6 klaagschrift) van verweerder staat het
volgende:
“Conclusie: collega [naam klager] houdt zich niet aan de richtlijn voor Diagnostiek
en
behandelplanning, noch aan de Orthondotische Radiologie, behandelplan met meerdere
opties is niet
besproken, geen informed consent, verkeerde therapiekeuze waardoor het gebit van
de patiënt in de
toekomst parodontaal risico loopt, en waardoor het profiel fors DP (dubbele protrusie)
vertoont en
de patiënt niet tot een normale lipsluiting kan komen, klasse 2 occlusie is niet
gecorrigeerd.
Extracties zijn noodzakelijk om dit goed en blijvend op te lossen en de behandeling
gaat daardoor
voor de patiënt veel langer duren dan noodzakelijk.
In een brief van 7 september 2021 (bijlage 7 klaagschrift) van verweerder staat het
volgende:
“Conclusie: deze afwijking had nooit zonder extracties behandeld mogen worden. Met
zo een fors
ruimtegebrek in de boven- en onderkaak leidt non-extractie therapie tot een groot
risico op
parondontale problemen in boven- en onderfront in de toekomst, een voor de patiënt
onacceptable profiel, en een onmogelijkheid om tot een normale ontspannen lipsluiting
te komen.”
In een brief van 18 maart 2021 (bijlage 8 klaagschrift) van verweerder staat het volgende:
“Conclusie: zeer slecht eindresultaat ten gevolge van ontoereikende diagnostiek
en
behandelplanning, slechte uitvoering van de behandeling, advies klacht indienen
bij medisch
tuchtcollege en/of civiele rechtszaak vanwege schadeclaim.”
In een brief van 29 maart 2022 (bijlage 15 klaagschrift) van verweerder staat het
volgende: “Mijn
advies is om een klacht in te dienen bij het medisch tuchtcollege in [vestigingsplaats
college].
(…)
Conclusie: een slecht geplande, te vroeg begonnen en niet conform behandelplan uitgevoerde
behandeling die daarvoor veel te lang reeds duurt met een bedroevend slecht resultaat.
Geen
behandelplan besproken met ouders, tussentijdse wijziging in behandelplan niet met
ouders
besproken, technisch slecht uitgevoerde behandeling, en ontoereikende dossiervoering.
Hier is maar
een woord voor; triest!”
In een brief van 18 maart 2022 (bijlage 16 klaagschrift) van verweerder staat het
volgende:
“Patiënte meldt zich in dec 2021 bij ons, de behandeling had op dat moment al lang
klaar kunnen en
moeten zijn. Conclusie: onvoldoende dossiervoering, onterecht gemaakte bite-wings,
slecht
uitgevoerde behandeling met als resultaat nog steeds een overjet van 6 mm, en een
slechte occlusie.
Het risico is groot dat de overjet niet meer orthodontisch gecorrigeerd kan worden
aangezien
patiënte ruim 16 jaar oud is en zo goed als zeker uitgegroeid. De enige oplossing
ter correctie van
de dysgnathie zou dan een verlengingsosteotomie van de onderkaak zijn.”
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Om een tuchtklacht ter beoordeling aan het college voor te kunnen leggen moet
klager aan te
merken zijn als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 lid 1 sub a
van de Wet op de
beroepen in de Gezondheidszorg (Wet BIG). Het belang moet een concreet eigen belang
inhouden dat
verband houdt met de individuele gezondheidszorg.
Daarbij moet het handelen waarover wordt geklaagd, vallen onder een van de twee
tuchtnormen. Er
moet sprake zijn van onzorgvuldig handelen of nalaten in de behandelrelatie ten
opzichte van de
patiënt of diens naaste betrekking (de eerste tuchtnorm, art. 46 lid 1 sub a Wet
BIG) of het moet
gaan om ander handelen of nalaten, in strijd met datgene dat een behoorlijk beroepsbeoefenaar
betaamt (de tweede tuchtnorm, art. 46 lid 1 sub b Wet BIG), waarbij deze norm wordt
begrensd tot
die gevallen waarin dat handelen voldoende weerslag heeft op de kwaliteit van de
individuele
gezondheidzorg. Het tuchtrecht voor de gezondheidszorg is immers bedoeld als instrument
om de
kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bevorderen en te bewaken. Dit alles
betekent
concreet als het gaat om klachten die worden ingediend door collega-zorgverleners
dat er in
beginsel in het tuchtrecht geen plaats is voor klachten die gaan over oncollegiaal
gedrag. Dat is volgens vaste
jurisprudentie alleen anders wanneer het oncollegiale gedrag tot gevolg heeft dat
er risico’s
ontstaan voor de kwaliteit van patiëntenzorg (CTG 26 mei 2025, ECLI:NL:TGZCTG:2025:89).
Het college
is van oordeel dat hiervan in deze zaak sprake is, omdat de verweten gedragingen
aanzetten tot of
bijdragen aan een gevoel van onrust bij (de ouders van) patiënten en hun vertrouwen
in de
zorgverlening schaden. Omdat het in deze zaak niet gaat om een klacht van (ouders
van) een patiënt,
maar om een klacht van een collega, wordt getoetst aan de tweede tuchtnorm.
Toetsingskader
5.2 Bij de beoordeling van de klachten zal het college het volgende tot uitgangspunt
nemen. Het
college moet beoordelen of verweerder heeft gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar
betaamt.
5.3 Rekening wordt gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere
professionele
standaarden, waaronder de Gedragsregels voor tandartsen (KNMT).
De gedragsregels voor tandartsen van het KNMT, in het bijzonder artikel 14 en 15:
“14 De tandarts zal in het belang van de patiënten en van de professie streven naar
een onderlinge
verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.
15 De tandarts zal zich onthouden van het in het openbaar of ten opzichte van patiënten
uiten van
kritiek op een collega. Indien de tandarts ervan overtuigd is dat een collega handelt
in strijd met
de gedragsregels zal hij dit aan de betrokken collega kenbaar maken. Het vertrouwen
in het beroep
kan echter met zich meebrengen dat de tandarts, indien er naar zijn oordeel sprake
is van een grove
nalatigheid en/of wanprestatie van een collega, dat oordeel, onder mededeling daarvan
aan de
betrokken collega, ter kennis brengt van de voorzitter van het afdelingsbestuur
of de geneeskundige
inspectie, dan wel van de patiënt, hem wijzend op de mogelijkheden om een klacht
aanhangig te
maken.”
5.4 Het college zal beoordelen of verweerder, gelet op de feiten, persoonlijk een
tuchtrechtelijk
verwijt kan worden gemaakt.
Klachtonderdelen a) tot en met d) negatieve uitlatingen
5.5 Het college zal de klachtonderdelen a) tot en met d) samen behandelen. Het
gaat in deze
klachten in de kern om het verwijt dat verweerder:
- zich negatief jegens (de ouders van) voormalige patiënten heeft uitgelaten over
de door klager
uitgevoerde behandelingen;
- negatieve opinies (het college begrijpt: een negatieve mening) en/of waardeoordelen
heeft
afgegeven en op niet neutrale wijze heeft gecommuniceerd over de behandeling door
klager ten
opzichte van (de ouders van) voormalige patiënten van klager.
5.6 Verweerder is het hier niet mee eens. Zijn betoog komt in de kern op het volgende
neer. Hij
heeft zich beperkt tot feitelijke observaties tijdens klinisch onderzoek en de dossiergegevens.
Er
is enkel over de toestand van het gebit geoordeeld, in het kader van de normale
zorgverlening.
Bovendien heeft klager in deze zaken duidelijke fouten gemaakt. Opmerkingen over
de behandeling
door klager zijn steeds met de nodige terughoudendheid en zorgvuldigheid geuit.
Verweerders
beoordelingen vonden steeds plaats vanuit een professionele context bij de start
van een nieuwe
behandeling om tot een noodzakelijk behandelplan te komen. Van stelselmatige diskwalificatie
of
beschadiging van klager is geen sprake, aldus verweerder.
5.7 Het college is van oordeel dat klager terecht klaagt over het handelen van verweerder.
Uit de
hiervoor geciteerde passages uit brieven van verweerder blijkt dat verweerder herhaaldelijk
zeer
kritisch is geweest over de behandeling van klager, daarover niet op neutrale wijze,
maar wel
negatief communiceert met (de ouders van) patiënten en vaak verregaande waardeoordelen
geeft over
de behandeling.
5.8 Deze passages kunnen niet anders worden gelezen dan dat verweerder herhaaldelijk
op een niet
neutrale wijze ernstige en negatieve kritiek uit op de door klager uitgevoerde behandeling
richting
(de ouders van) voormalige patiënten van klager. Verweerder geeft in niet mis te
verstane woorden
negatieve waardeoordelen over de behandeling door klager. Tijdens de zitting op
17 april 2026 heeft
verweerder het college niet duidelijk kunnen maken dat zijn brieven anders zouden
moeten worden
gelezen.
5.9 Daarbij is de in zijn brieven tot drie keer toe genoemde term “malpraxis” (zie
hiervoor bij
de feiten) een behoorlijk zware aantijging, althans diskwalificatie van hetgeen
wordt
geconstateerd. Deze term mag niet lichtvaardig worden gebruikt. Het college is van
oordeel dat dit
een waardeoordeel is waarvan verweerder zich had moeten onthouden richting (de ouders
van)
patiënten.
5.10 Het college neemt verder in aanmerking dat verweerder nooit contact met klager
heeft
opgenomen om zijn bevindingen over de door klager uitgevoerde behandeling te bespreken.
Dat
verweerder, zoals hij tijdens de zitting heeft aangegeven, daar nooit bij stil heeft
gestaan, ook
niet wist dat dit in de gedragsregels was opgenomen en er overigens ook geen behoefte
aan heeft
gehad, is hem aan te rekenen
5.11 Klager schrijft in zijn klacht dat verweerder stelselmatig heeft gehandeld (klacht
a en
klacht d). Het college begrijpt dit, gezien de inhoud van het klaagschrift en hetgeen
ter zitting
is toegelicht, als “meermaals” of “herhaaldelijk”. Uit het voorgaande volgt dat
verweerder zich
aantoonbaar meerdere keren schriftelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft uitgelaten
over de door
klager uitgevoerde behandeling in de periode 2020 tot en met 2022. De klachtonderdelen
a) tot en
met d) zijn gegrond.
Klachtonderdeel e) in behandeling nemen van patiënten na afgeven second opinion.
5.12 Ter zitting is door klager naar voren gebracht dat verweerder aantoonbaar
twee keer een
patiënt van hem heeft overgenomen na het geven van een second opinion en zonder
aan klager
toestemming te vragen. Klager baseert zijn klacht op twee brieven die hij bij zijn
klaagschrift
heeft overgelegd, bijlagen 3 en 5.
5.13 Verweerder weerspreekt de conclusies die klager daaraan verbindt. In zijn stukken
voert hij,
samengevat, aan dat geen sprake is geweest van second opinions, maar van reguliere
inschrijvingen.
De term second opinion gebruiken patiënten soms als zij zich aanmelden, ‘niet beter
wetend’ en de
secretaresse noteert dit dan als zodanig. Patiënten kwamen niet daadwerkelijk voor
een tweede
mening om daarna weer terug te gaan naar verweerder. Zij zijn ook behandeld als
bij een eerste
consult. Ter zitting heeft verweerder een ander betoog gehouden. Verweerder voerde
toen aan dat de
verwijzende tandarts om een second opinion heeft gevraagd en dat richting die tandarts
een
terugkoppeling is gegeven nadat een van de twee patiënten ook nog door de kaakchirurg
is gezien.
5.14 Het college stelt vast dat verweerder in zijn eigen brief letterlijk noteert
dat hij de
patiënten heeft gezien voor een second opinion. Dat zijn dus zijn eigen woorden.
Zo de patiënten
ten onrechte deze term zouden hebben gebruikt, mag van verweerder, als redelijk
bekwaam
beroepsbeoefenaar, worden verwacht dat hij deze term niet met een onjuiste strekking
opneemt in
zijn brieven. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om een
second opinion op
verzoek van de behandelend tandarts. Dat had hij wel moeten doen gezien de discussie
tussen klager
en verweerder in de stukken. Het college gaat er dus vanuit dat het gaat om een
second opinion op
verzoek van de patiënt.
5.15 Uit bijlagen 3 en 5 van het klaagschrift leidt klager af dat verweerder twee
patiënten die
hij voor een second opinion zou hebben gezien, in behandeling heeft genomen. Verweerder
betoogt dat
het om slechts één patiënt gaat. Het college is van oordeel dat dit in het midden
kan worden
gelaten. In de brieven is het volgende opgenomen:
”(…) dan zullen we de behandeling proberen zo goed mogelijk af te maken maar goed
zal het nooit
worden, wij zijn ook niet aansprakelijk voor schade aan het gebit op lange termijn
(…). Na uw
uitleg zal de patiënte met ons weer contact opnemen voor de eventuele verdere afspraken.
(..)”
(bijlage 3, tweede pagina, onderaan en de derde pagina).
“(…) dan zullen we de behandeling proberen zo goed mogelijk af te maken maar goed
zal het nooit
worden, wij zijn ook niet aansprakelijk voor schade aan het gebit op lange termijn
(…).” (bijlage
5, tweede pagina, onder 1.)
5.16 Verweerder erkent dat hij nooit toestemming heeft gevraagd om de behandeling
te mogen
overnemen. En uit niets blijkt dat de behandeling door klager of diens opvolger
al was afgesloten
op het moment dat aan verweerder om zijn mening werd gevraagd, zoals verweerder
stelt.
5.17 Het college komt daarom tot de conclusie dat kan worden vastgesteld dat verweerder
in ieder
geval één keer een patiënt heeft overgenomen nadat de patiënt om een second opinion
had verzocht en
zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen van klager c.q. de behandelend tandarts/opvolger
van
klager. Dit is in strijd met de praktijkrichtlijnen die de KNMT heeft opgesteld
voor second
opinion. Onder punt 4 is daarin bepaald dat de second opinion gever zich in principe
zal onthouden
van overname van een patiënt. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan in overleg
met de behandeld
orthodontist worden afgeweken. Ook deze klacht is gegrond.
Klachtonderdeel f) het aanzetten of adviseren van voormalige patiënten tot het indienen
van een
klacht bij het regionaal tuchtcollege
5.18 Volgens klager heeft verweerder zijn voormalige patiënten aangezet en/of geadviseerd
tot het
indienen van een klacht bij zijn verzekeraar of het regionaal tuchtcollege. Hij
verwijst daarbij
naar de door hem overgelegde brieven.
5.19 Verweerder is het hier niet mee eens. Hij betwist dat hij patiënten heeft aangezet
tot het
indienen van een klacht bij het tuchtcollege en vindt dat hem daarvan geen verwijt
kan worden
gemaakt. Hij wijst patiënten alleen op de mogelijkheden waaronder het indienen van
een klacht. Dat
is ook zijn plicht, vindt verweerder.
5.20 Het college is van oordeel dat ook deze klacht gegrond is. Uit de bij het klaagschrift
overgelegde brieven (bijlagen 2, 3, 5, 8, 9 en 15 van het klaagschrift) volgt duidelijk
dat
verweerder patiënten adviseert om een klacht in te dienen bij het medisch tuchtcollege.
De
toelichting ter zitting van verweerder dat zijn woorden zo moeten worden gelezen
dat de patiënt
overwoog om een klacht in te dienen en dat hij vond dat daarvoor aanleiding was,
gaat volgens het
college niet op. Dit volgt op geen enkele manier uit de overgelegde brieven. Evenmin
volgt uit de
brieven dat verweerder ook andere mogelijkheden met de patiënt heeft besproken en
verweerder heeft
dat ook niet anderszins aangetoond. Ook aan het betoog van verweerder dat het altijd
aan de patiënt
zelf is om te besluiten om een klacht in te dienen, gaat het college voorbij. De
vraag hier is of
verweerder de patiënt in die richting heeft geadviseerd en dat is volgens het college
vast komen
staan. Dat is verwijtbaar.
5.21 Het college stelt ook vast dat verweerder in ieder geval één keer een patiënt
zelfs heeft
aangezet tot het indienen van een klacht. Klager heeft een proces-verbaal overgelegd
van een
mondeling vooronderzoek uit een andere zaak dat op 15 januari 2024 voor het college
is gehouden.
Uit dit proces-verbaal volgt dat verweerder de ouders tot drie keer toe eraan heeft
herinnerd dat
de behandeling van klager zo slecht was geweest dat zij daar iets mee moesten doen.
Zij hebben
vervolgens besloten een klacht in te dienen. Waarom verweerder de ouders drie keer
heeft gewezen op
de slechte behandeling door klager en daarbij ook heeft geadviseerd om daar iets
mee te doen, is
onvoldoende toegelicht door verweerder op zitting.
5.22 Niet kan worden vastgesteld dat verweerder patiënten heeft geadviseerd om een
klacht in te
dienen bij de aansprakelijkheidsverzekering van klager. In zoverre is de klacht
ongegrond.
Slotsom
5.23 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle klachten (nagenoeg volledig) gegrond
zijn. Het
college komt tot het oordeel dat verweerder in strijd met de tweede tuchtnorm heeft
gehandeld. Hij
heeft meerdere keren negatieve uitlatingen gedaan over de toestand van het gebit
met de opmerking
dat dit niet meer kan worden verholpen. Daarmee draagt hij bij aan een gevoel van
onrust bij
patiënten. Verweerder heeft zich herhaaldelijk negatief en onprofessioneel uitgelaten
over de
kwaliteit van de behandeling door klager. Door zich op deze manier uit te laten
heeft hij onrust
veroorzaakt bij de patiënten over de behandeling door klager. Niet alleen schaadt
verweerder
daarmee het vertrouwen in het medisch handelen van klager maar ook het vertrouwen
in de
orthodontistische zorg.
Maatregel
5.24 Het college zal verweerder een berisping opleggen. Het college licht dit als
volgt toe. Kort
gezegd moet de maatregel passen bij de ernst van het gegrond verklaarde verwijt.
Verweerder heeft
patiënten meerdere keren geadviseerd om klachten in te dienen over de behandeling
van klager bij
het medisch tuchtcollege. Daarnaast heeft hij diverse malen op een niet neutrale
wijze ernstige en
negatieve kritiek geuit op de door klager uitgevoerde behandeling richting (de ouders
van)
voormalige patiënten van klager. Hij heeft regelmatig negatieve waardeoordelen gegeven
richting de
patiënten over de behandeling door klager. Het college is van oordeel dat verweerder
te ver is
gegaan in zijn bewoordingen, waarvan hem een verwijt kan worden gemaakt. Inherent
aan dit vakgebied
is dat er verschillende keuzes mogelijk zijn om een behandeling in te steken. Verweerder
had zich
moeten en kunnen realiseren dat zijn handelen en woordkeuze ten aanzien van de door
klager
uitgevoerde behandeling niet passen binnen de professionele grenzen van de zorgverlening.
Nimmer
lijkt verweerder ook maar te hebben overwogen om zijn bevindingen over de door klager
uitgevoerde
behandeling met klager zelf te bespreken of een klacht in te dienen bij de KNMT
of de inspectie.
Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij dat niet heeft gedaan, ondanks
dat dit gezien de
gedragsregels wel op zijn weg had gelegen. Het college rekent hem dat aan. Zoals
uit het voorgaande
volgt, kan aan verweerder meerdere keren een verwijt worden gemaakt. Het college
vindt daarom een
berisping op zijn plaats.
Publicatie
5.25 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van deze zaak. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
Kostenveroordeling
5.26 Klager heeft verzocht verweerder te veroordelen in de kosten die hij heeft
gemaakt in deze
procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk)
gegrond
verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Dat is in deze zaak het geval.
Klager heeft
professionele bijstand genoten bij het opstellen van zijn klaagschrift en repliek
en bij de zitting
van het college op 17 april 2026. Op grond van de Oriëntatiepunten kostenveroordeling
tuchtcolleges
voor de gezondheidszorg worden daarom door verweerder aan klager te vergoeden kosten
toegekend van
2,5 punt, overeenkomend met € 1.665,00 en daarnaast reiskosten die zijn gerelateerd
aan zijn enkele
reisafstand die valt in de categorie 10 tot 50 kilometer, te weten € 25,00.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachten deels gegrond, zoals hiervoor overwogen;
- legt verweerder de maatregel op van berisping;
- veroordeelt verweerder in de hierboven vastgestelde kosten van klager van in
totaal € 1.690,00 aan advocaat-
en reiskosten en veroordeelt hem dit bedrag te voldoen op de bankrekening
van klager binnen een maand nadat deze hem schriftelijk het bankrekeningnummer
en de tenaamstelling
van de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort heeft laten weten;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift NT/Dentz/De Tandartspraktijk.
Deze beslissing is gegeven door Ch. Schollen-den Besten, voorzitter, C.M.H.M. van
Lent, lid-jurist,
W.J.D.M. van Beers, R.W.F. Huyskens en G.L.M.M. van der Werff, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door I.F. Schouwink, secretaris, en op 10 juni 2026 uitgesproken door K.A.J.C.M.
van den Berg
Jeths-van Meerwijk.