ECLI:NL:TGZRSHE:2026:102 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8162
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:102 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-06-2026 |
| Datum publicatie: | 10-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8162 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht. Na een beugelbehandeling bij de tandarts gedurende 10 maanden is de behandeling aan de opvolger van de tandarts overgedragen. Klaagster verwijt de tandarts op meerdere onderdelen een onjuiste behandeling te hebben uitgevoerd. Ook zouden geen goede diagnose en behandelplan zijn opgesteld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 10 juni 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
tandarts in ruste,
destijds werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de tandarts,
gemachtigde: mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De patiënt heeft gedurende 10 maanden een beugelbehandeling ondergaan bij
de tandarts, waarna
de behandeling aan de opvolger van de tandarts is overgedragen. Klaagster, moeder
van de patiënt,
verwijt de tandarts op meerdere onderdelen een onjuiste behandeling te hebben uitgevoerd.
Ook
zouden geen goede diagnose en behandelplan zijn opgesteld. De tandarts heeft verweer
gevoerd tegen
de klacht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 13 februari 2025;
- de brief van 4 maart 2025 van de secretaris aan klaagster;
- het herziene klaagschrift, ontvangen op 8 april 2025;
- de USB-stick, behorende bij het herziene klaagschrift;
- het verweerschrift, per e-mail ontvangen op 11 juni 2025 en per post op 16 juni
2025;
- de repliek, ontvangen op 1 september 2025;
- de dupliek, ontvangen op 25 september 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1. Klaagster is met haar zoon (hierna: de patiënt), geboren op […..], op 10 februari
2022 voor
het eerst bij de tandarts geweest in verband met een mogelijke orthodontische behandeling.
Afgesproken werd om nog te wachten, omdat de patiënt nog aan het wisselen was. Op
15 juni 2023 is
de patiënt opnieuw bij de tandarts geweest. Zij heeft toen een verwijsbrief meegegeven
voor het
trekken van de 53 en 54 (de melkhoektand en eerste melkkies rechtsboven) door de
reguliere
tandarts.
3.2. Op 21 september 2023 heeft de tandarts gelaatsfoto’s, OPT (orthopantomogram,
een röntgenfoto
van het hele gebit) en een RSP (röntgenschedelprofielfoto) gemaakt en gebitsafdrukken
genomen. Ook
heeft zij een zogenaamde ortho-analyse ingevuld. Op basis van de aldus verkregen
gegevens heeft de
tandarts een behandelplan opgesteld. Het behandelplan is aan de hand van een (schriftelijke)
begroting en begeleidende brief met klaagster besproken op 12 oktober 2023. In het
medisch dossier
is genoteerd (alle citaten worden letterlijk weergegeven):
“12-10-2023: 2e gesprek
12-10-2023: Status brief +verwijsbrief extractie 85 + OPT gestuurd naar [reguliere
tandarts].”
De te trekken 85 was het melkelement rechtsonder ter plaatse van de 45, de definitieve
kies. Op de
foto’s was te zien dat de 45 bleek te ontbreken (agenesie).
3.3. In het medisch dossier is verder genoteerd, voor zover relevant:
“09-11-2023: sep. B+O (7)
16-11-2023: bandjes B+O en brack. BK gepl. Met 014 nitidraad PI 11-01-2024: nwe
elst. BK brack
metr 014 nitrii gepl.
LET OP bij pl. 35 ook de 13 verpl.
05-02-2024: BK 014 SS, ketting 11-21, ligatuur 33
14-03-2024: BK 016 SS, ketting 12-22
08-04-2024: BK 020 SS
07-05-2024: Ketting elast 12 t/m 22, vlgkr graag met moeder over extractie 75 [achterste
melkelement linksonder] hebben.
06-06-2024: Even gesproken met vader over verw. Brief extr. 75. 09-06-2024: Verwijsbrief
extractie gestuurd bij email.
11-07-2024: nwe. elast.
29-08-2024: Element 75 is verwijderd, brack. 35 gep. ketting 12-22
19-09-2024: OK 014 SS”
3.4. Na 19 september 2024 heeft de tandarts de patiënt niet meer gezien. Zij heeft
kort daarna
haar praktijk neergelegd en de patiënt op 27 september 2024 overgedragen aan degene
die haar
praktijk heeft overgenomen.
4. De klacht en de reactie van de tandarts
4.1 Klaagster verwijt de tandarts dat:
a. zij de beugel onjuist heeft geplaatst;
b. zij de bovenkaak te breed heeft gemaakt;
c. er ongewenste tandverplaatsingen zijn ontstaan;
d. wortels van meerdere elementen in een verkeerde positie staan;
e. kiezen niet goed op elkaar passen;
f. zij geen beleid heeft gevoerd betreffende de ontbrekende kies 45;
g. de hoek boventanden en ondertanden onjuist is;
h. zij niet goed heeft gehandeld op de bestaande overbeet en diepe beet;
i. zij geen goede diagnose en behandelplan heeft opgesteld conform de richtlijnen
van de NVvO.
4.2 De tandarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het
college gaat
hierna voor zover nodig verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de tandarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Het
gaat hierbij niet om de vraag of de zorgverlener het beter of anders had kunnen
doen, maar of zij
binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
Klachtonderdelen a, b, c, d, e, g en h
5.2 Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
5.3 Het college stelt voorop dat de patiënt slechts korte tijd bij de tandarts in
behandeling is
geweest (10 maanden). Een orthodontisch traject vergt tijd en in dit geval was de
behandeling nog
niet halverwege toen die aan de opvolger van de tandarts werd overgedragen. Het
is normaal dat de
stand van de tanden en kiezen geleidelijk wordt bijgesteld en het is gebruikelijk
dat in de loop
van de behandeling - waar nodig - correcties en aanpassingen plaatsvinden om het
beoogde resultaat
te kunnen bereiken. Er was bij de patiënt nog lang geen sprake van een eindsituatie.
De
klachtonderdelen moeten met inachtneming van die - tussentijdse - stand van zaken
worden
beoordeeld.
Volledigheidshalve merkt het college aanvullend op dat op de tandarts geen resultaatsverplichting
rust, maar een inspanningsverplichting.
5.4 Het college is van oordeel dat de plaatsing van de brackets (de metalen onderdelen
die op de
tanden zijn geplaatst) voldoet aan de professionele standaard. Dat is te zien op
de foto’s van de
opvolgend behandelaar van de patiënt. Uit die foto’s blijkt ook dat de plaatsing
in overeenstemming
is met de asrichting van de wortels. Er is voor gekozen om de brackets wat meer
incisaal (naar de
snijrand van de tanden) te plaatsen om correctie van de diepe beet te vereenvoudigen.
Op deze
manier is het wat moeilijker om de juiste torque (druk voor het kantelen van de
tanden) te
handhaven, maar het is gebruikelijk om dat in de loop van de behandeling zo nodig
aan te passen.
Daarvoor bestonden nog voldoende mogelijkheden.
5.5 Voor zover de bovenkaak te breed is gemaakt, dan betreft dat (zoals te zien
is op de foto’s)
slechts enkele millimeters. Het is een tijdelijke situatie die gedurende de verdere
behandeling nog
op eenvoudige wijze kan worden gecorrigeerd, zeker wanneer de ondertandboog nog
naar voren zou
komen tijdens de behandeling.
5.6 Het college constateert dat de fronten van de tanden iets te ver naar binnen
staan. Hoewel
men dit zoveel mogelijk wil voorkomen, kan het toch tijdens de behandeling optreden.
Er was echter
nog voldoende geplande behandeltijd om deze stand gedurende het traject te corrigeren.
5.7 De stand van de wortels was acceptabel, gelet op het stadium waarin de behandeling
zich
bevond. Bovendien bestond ook hier nog de mogelijkheid om corrigerend op te treden.
Hetzelfde geldt
voor de niet goed op elkaar passende kiezen, de hoek van de boventanden en ondertanden
en de
behandeling van de overbeet en diepe beet. Gelet op het stadium van de behandeling
was er nog de
mogelijkheid om te corrigeren. De voorspelde behandeltermijn was nog niet voor de
helft verlopen,
zodat de eindsituatie niet kan worden voorspeld.
5.8 De klachtonderdelen a, b, c, d, e, g en h zijn op grond van het voorgaande kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel f – geen beleid voor ontbrekende 45
5.9 De tandarts heeft een behandelplan gemaakt op basis van de foto’s en hierover
op 12 oktober
2023 met klaagster en de reguliere tandarts gecommuniceerd. De bedoeling was om
de ruimte van de
ontbrekende kies te sluiten door de achterliggende kiezen naar voren te halen. In
het kader van dat
plan is ook besloten de 85 te laten trekken. In het stadium waarin de behandeling
zich bevond toen
de patiënt werd overgedragen, was naar het oordeel van het college geen sprake van
zodanige
afwijkingen van een gebruikelijk behandeltraject dat het onmogelijk moet worden
geacht om de
behandeling binnen een redelijke termijn te kunnen afronden. Ook klachtonderdeel
f is kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel i – diagnose en behandelplan
5.10 Een tandarts die orthodontie uitvoert is daartoe bevoegd, maar moet ook bekwaam
zijn. Daarbij
hoort ook dat de richtlijnen, die bij de orthodontie gelden, moeten worden nageleefd.
De
orthodontierichtlijnen beschrijven uitvoerig waaraan de schriftelijke diagnose en
behandelplanning
moeten voldoen. De tandarts heeft een en ander niet zo uitgebreid beschreven als
in de richtlijn
wordt geadviseerd. Een en ander is summier vastgelegd maar wel voldoende, mede rekening
houdend met
wat gebruikelijk is. Klachtonderdeel i is eveneens kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door Ch. Schollen-den Besten, voorzitter, W.J.D.M. van
Beers en
R.W.F. Huyskens, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris,
en op
10 juni 2026 uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.