ECLI:NL:TGZRSHE:2026:101 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8404
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:101 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-06-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8404 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen chirurg ongegrond. Ductus choledochus doorgenomen in plaats van ductus cysticus. Gezien de voorgeschiedenis en beeldvorming was inzetten laparoscopische operatie niet verwijtbaar. Handelen tijdens operatie ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 3 juni 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde mr. E.J. Dennekamp te Utrecht,
tegen
[C],
chirurg, werkzaam in [B],
verweerder,
gemachtigde mr. M.S.E. van Beurden te Zoetermeer.
1. De zaak in het kort
1.1 In 2012 is klagers galblaas verwijderd in het ziekenhuis waaraan verweerder
is verbonden. In
2019 heeft klager zich in verband met buikklachten opnieuw tot het ziekenhuis gewend.
Naar
aanleiding van onderzoek dat toen heeft plaatsgehad, heeft verweerder geconcludeerd
dat klagers
buikklachten samenhingen met een ‘evidente
restgalblaas’ en voorgesteld deze te verwijderen. Op 2 mei 2019 heeft verweerder
klager geopereerd.
Aanvankelijk deed hij dat laparoscopisch (met een ‘kijkoperatie’). Daarbij heeft
verweerder bedoeld
(het restant van) de ductus cysticus door te nemen (het kanaal tussen galblaas en
grote galweg),
maar hij heeft de ductus choledochus doorgenomen (het kanaal waardoor de gal naar
de
twaalfvingerige darm wordt geleid).
1.2 Na dit te hebben opgemerkt, is verweerder overgeschakeld van kijkoperatie naar
‘open’
operatie. Hij heeft toen een bypass bij klager gemaakt die de functie van de ductus
choledochus
heeft overgenomen.
1.3 Klager verwijt verweerder, samengevat, dat hij voorafgaand aan de operatie op
onzorgvuldige
wijze tot de onjuiste – en dus ook onterecht aan klager meegedeelde – diagnose is
gekomen van een
evidente restgalblaas. Ook verwijt klager verweerder dat hij de operatie op onjuiste
wijze heeft
uitgevoerd: hij heeft de anatomische situatie verkeerd beoordeeld, heeft nagelaten
een
cholangiogram te maken, is te laat naar een ‘open’ operatietechniek overgeschakeld
en heeft het
verkeerde galkanaal doorgenomen.
1.4 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klacht.
1.5 Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld, zodat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 16 april 2025;
- het verweerschrift ontvangen op 17 juli 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van 14 oktober 2025;
- de brief van 23 maart 2026 met bijlage van de gemachtigde van klager;
- de dvd, ontvangen van verweerder op 2 april 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 8 april 2026. De partijen zijn
verschenen.
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerder heeft een pleitnotitie voorgelezen
en aan het
college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Op 3 mei 2012 is klager geopereerd in het ziekenhuis waaraan verweerder sinds
2013 als
hepato-pancreato-biliair (HPB) chirurg is verbonden. Bij klager is die dag op laparoscopische
wijze
de galblaas verwijderd. In het verslag dat van die ingreep is opgemaakt, is vermeld
(alle citaten
voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) Identificatie van de d. cysticus. Een evident dubbel window of safety wordt bereikt.
Daarna
clippen en plaatsen van een endoloop over de stomp. De galblaas wordt diathermisch
uit het leverbed
geprepareerd, alvorens de galblaas geheel los is vindt er controle op hemostase
van het galblaasbed
plaats. (…) Verwijderen van de galblaas via de subumbilicale trocar opening met
de endobag. (…)
Ongecompliceerd.(…)”
3.2 Hetgeen bij de ingreep verwijderd is, is pathologisch onderzocht. Het verslag daarvan luidt:
“(…) Macroscopie:
I: ontvangen een geopende galblaas, lengte 8,5 cm, diameter 2,5 cm. De ductus
cysticus is wel herkenbaar. Het serosale oppervlak is glad, bevat geen perforatie.
(…)
Ingesloten
1: ductus 6 cysticus resectievlak,
2: twee extra doorsneden van de wand, (…)”.
3.3 Op 19 februari 2019 heeft klager zich in verband met aanhoudende buikklachten
tot de
Spoedeisende Hulp (SEH) van het ziekenhuis gewend. Hij is vervolgens van 19 februari
2019 tot en
met 25 februari 2019 in het ziekenhuis opgenomen geweest. Op 19 februari 2019 heeft
klager een echoscopie en een CT-scan ondergaan. Het verslag van de echoscopie luidt:
“Niet conclusief onderzoek, echografisch slecht toegankelijk. Veel storend darmgas.
Status na
eerdere cholecystectomie. (…) Steatotis hepatis met intrahepatisch uitgezette galwegen,
de ductus
choledochus komt slecht in beeld. Geen ascites. (…) Cave mogelijke intrahepatische
cholestase,
echografisch onvoldoende te beoordelen (…)”
Het verslag van de CT-scan luidt:
“.PROCEDURE
CT Abdomen met contrast.
REDEN VOOR ONDERZOEK:
Buikpijn RBB, verhoogd CRP, status na cholecystectomie. op echo verwijde intrahep
galwegen, ductus
choledochus niet in beeld. concrementen aldaar? Wandverdikking? (…)
VERSLAG:
Ter correlatie de echo van dezelfde datum.
(…) Homogene lever. Aangezette intrahepatische galwegen. De CBD is slank, maximaal
4 mm. Status na
cholecystectomie. Er is echter sprake van een cysteuze structuur in het galblaasbed
van 2,4 x 1,9
cm, grenzend aan de operatieclips, welke verbinding via de cysticus houdt met de
CBD DD
rest-galblaas, gedilateerde ductus cysticus. Stroomafwaarts in de cysticus een hyperdens
aspect (…)
is, cave obstruerend concrement. Infiltratie van het vetweefsel rondom deze cysteuze
structuur met
enkele prominente lymfekliertjes. (…)
Conclusie.
Kleine cysteuze structuur in het galblaasbed welke verbinding houdt met de ductus
cysticus met
vetinfiltratie rondom, passend bij ontsteking van de gedilateerde rest-cysticus/
rest-galblaas.
Cave obstruerend concrement in de ductus cysticus. (…)”
3.4 Op 20 februari 2019 is over de buikklachten van klager en de genoemde onderzoeksbevindingen
overleg gevoerd tussen twee collega’s van verweerder: een HPB-chirurg en een gespecialiseerde
GE/HPB-radioloog (een andere radioloog dan de radioloog die de genoemde CT-scan
had uitgevoerd).
Omtrent dat overleg is in het medisch dossier door de collega-chirurg vermeld:
“Overleg [naam radioloog]:
Toch wel tekenen van lichte inflammatie rond choledochus/ cysticus/ galblaas stompje.
Niet op CT te
zeggen of er stenen/ sluge zit.
DD/ cholangitis, rest-choloecystitis, opgeblazen cysticus-itis B/ toch uitboeken
als een
rest-galblaas-itis”
3.5 Op 8 maart 2019 is van klagers galwegen een MRCP (een gespecialiseerde MRI-scan)
gemaakt. Het
verslag daarvan luidt:
“REDEN VOOR ONDERZOEK:
status na lap chol: sprake van rest cholecystitis? Stenen?
VERSLAG:
Ten opzichte van CT 19 februari 2019.
MRCP zonder contrast. Bekende status na cholecystectomie met kleine restgalblaas.
Hierin bevindt
zich een concrement (…). OWel bevindt zich in de ductus cysticus een concrement
(…). mgevende
vetinfiltratie is afgenomen ten opzichte van voorgaand onderzoek. Persisterend lymfekliertje
ter
plaatse van pancreaskop van 9 mm.
Geaccentueerde centrale intrahepatische galwegen, conform. Ductus choledochus is
slank. Geen
choledocholithiasis. Slanke PD. Geen nieuwe relevante nevenbevindingen.
Conclusie:
Concrement ductus cysticus en galblaas zoals beschreven (…)”
3.6 Verweerder sprak op 12 maart 2019 voor het eerst met klager, na kennisname van
de hiervoor
omschreven onderzoeksuitslagen. Naar aanleiding daarvan noteerde verweerder in het
medisch dossier:
“Controle na opname ivm restcholecystitis.
St na lap chol (2012) (…) Nu op MRCP evidente restgalblaas.
Afweging, operatie kan lastig zijn, kan lukken, scopisch of open, effect op klachten
onzeker (…)”
Ook op 2 april 2019 sprak verweerder met klager. Daarover noteerde verweerder in het dossier:
“Restklachten bij restcholecystectomie.
Nogmaals uitgebreid gesproken, risico’s operatie, scopisch, kans op conversie. Kan
dat operatie niet helpt tegen klachten. Pt akkoord.“
3.7 Op 2 mei 2019 heeft verweerder klager geopereerd. Hij werd daarin als hoofdoperateur
bijgestaan door een assisterende chirurg en na het ontstaan van het galwegletsel
door een hepato-biliair chirurg-mede-operateur. Het van de operatie opgemaakte verslag luidt:
“Verrichting: LAP CHOLECYSTECTOMIE (…)
INCLUSIEF EVENTUEEL TE VERRICHTEN CHOLANGIOGRAM.
Indicatie
Operatie indicatie is symptomatische restgalblaas. (…)
Verslag (…)
Optiview en 12mm trocar subxyph, 2x5mm rechts, later 12mm links bijplaatsen voor
overzicht. Omentum
verbakken met oude galblaasbed. Dit stapsgewijs losmaken. Er is sprake van een harde,
fibrotische
plaat. Stapsgewijs richting restgalblaas werken. Deze wordt geidentificeerd, vervolgen
naar
proximaa. Hier in hilus buisvormige structuur welke aangezien wordt voor de d. cysticus,
deze wordt
360 graden rondom vrij gemaakt. CVS wordt verkregen waarbij ook arterie 360 graden
rondom vrij.
Tevens restgalblaas 30% los uit leverbed. Nu doornemen vermeende ductus op hemolocks.
Vervolgens
met het haakje langs galblaas rand onmhoog prepareren en los maken. Nu komen we
aan mediale zijde
hierbij in buisvormige structuur terecht, waaruit gal komt. Mogelijk lijkt er sprake
van een CBD
die volledig adherent was op de restgalblaas en deze hebben we dan eerder op hemolocks
doorgenomen.
Besloten tot conversie. (…) Bij inspectie en voorzichtig los prepareren blijkt inderdaad
sprake van
een CBD die vast zat op restgalblaas. (…) Er is dus sprake van een type D galwegletsel.
Allereerst
voltooien restcholecystectomie. CBD is dus vrij laag doorgenomen. (…)”
Voor het overige beschrijft het verslag dat na het doornemen van de ductus choledochus
een bypass
is aangelegd: een hepatocojejunostomie met een Roux-en-Y-reconstructie.
4. De klacht en de reactie van de chirurg
4.1 Klager verwijt de chirurg:
1. op onzorgvuldige wijze te zijn omgegaan met de voorafgaand aan de operatie beschikbare
medische
informatie;
2. op basis van een onjuiste indicatie te zijn gaan opereren; (er was zeker geen
sprake van een
"evidente restgalblaas", de contra-indicaties zijn zelfs sterker dan de indicaties
daarvoor);
3. klager daarover onjuist te informeren;
4. tijdens de operatie de anatomische situatie onjuist te hebben beoordeeld (van
een CVS kon
onmogelijk sprake zijn; de buisvormige structuur die 360 graden rondom vrij
was, was immers de
ductus choledochus);
5. geen cholangiogram te hebben gemaakt, terwijl dit wel was voorgenomen, en terwijl
uit alles
blijkt dat hij onvoldoende beeld had van, en/of begrip had voor, de aangetroffen
situatie;
6. niet tijdig tot conversie te zijn overgegaan; ook hier: terwijl uit alles blijkt
dat hij onvoldoende beeld had
van, en/of begrip had voor, de aangetroffen situatie;
7. en uiteindelijk in strijd met de met klager gemaakte afspraken de ductus choledochus
te hebben
doorgenomen.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college stelt vast dat de operatie van klager op 2 mei 2019 een verloop
heeft gehad dat
klager en verweerder beiden betreuren. Wanneer niet de ductus choledochus maar de
ductus cysticus
was doorgenomen, was niet de noodzaak ontstaan een bypass als alternatief voor de
ductus
choledochus aan te leggen en was klager gevrijwaard gebleven van langdurige bijkomende
gezondheidsklachten. Het is voor het college duidelijk dat dat voor klager een verdrietige
gang van
zaken is. Toch neemt dat niet weg dat het college het handelen van verweerder op
zakelijke wijze
dient te toetsen aan de voor hem geldende beroepsnormen, om zo vast te stellen of
hem van dat
handelen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende chirurg. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor
hun eigen handelen.
Klachtonderdelen 1, 2 en 3
5.3 Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk beoordelen, gelet op hun
onderlinge
samenhang. Met deze onderdelen betoogt klager immers, gelet op zijn klaagschrift
en de daarop door
hem gegeven toelichtingen, dat verweerder op onzorgvuldige wijze tot een – onjuiste
en dus ten
onrechte aan klager meegedeelde – diagnose is gekomen (een ‘evidente’ restgalblaas),
als aanleiding
om hem te opereren.
5.4 Verweerder heeft zijn diagnose van klagers buikklachten in 2019 – terecht –
gebaseerd op
kennisname van klagers medisch dossier (waarin het operatieverslag uit 2012), de
hiervoor genoemde
onderzoeksbevindingen uit 2019 en verweerders eigen bevindingen tijdens de consulten
die klager in
2019 bij hem had. Wat dat medisch dossier betreft moet aan klager worden toegegeven
dat het
operatieverslag uit 2012 vermeldt dat bij klager de ductus cysticus is geïdentificeerd
en een
dubbel window of safety is bereikt en dat de galblaas is geprepareerd uit het leverbed,
geheel los
was en is verwijderd. Ook is juist dat het pathologische rapport spreekt van een
‘geopende galblaas’ die is
onderzocht en van een herkenbare ductus cysticus. Deze vermeldingen leiden er echter
niet toe dat verweerder
er hoe dan ook van moest uitgaan dat van een restgalblaas geen sprake kon zijn,
nu de onderzoeken die klager
in 2019 onderging in een andere richting wezen.
5.5 Uit de CT-scan van 19 februari 2019 bleek dat bij klager sprake was van een
cysteuze
structuur in het galblaasbed, van 2,4 x 1,9 cm, grenzend aan de operatieclips, die
verbinding hield
met de ductus choledochus, een rest-galblaas of een gedilateerde ductus cysticus.
De exacte locatie
van die cysteuze structuur, zo leidt het college uit het scanverslag af, was tijdens
de scan niet
met zekerheid vast te stellen, maar het geconstateerde beeld gaf de uitvoerende
radioloog kennelijk
wel aanleiding te veronderstellen dat die locatie een restgalblaas kon betreffen.
5.6 Ter interpretatie van de uitkomsten van de uitgevoerde CT-scan hebben op 20
februari 2019 de
– ten aanzien van de galwegen gespecialiseerde – collega’s van
verweerder daarover overlegd: een chirurg en een (tweede) radioloog. In hun afweging
tussen
cholangitis, rest-cholecystitis en opgeblazen cysticus-itis besluiten zij het uit
te boeken als
rest-galblaas-itis. Het college kent hier gewicht toe aan de omstandigheid dat deze
beide
collega’s, naar het college ambtshalve bekend is, zeer ervaren zijn op het desbetreffende
vakgebied.
5.7 De MRCP die op 8 maart 2019 is uitgevoerd, had als specifieke vraagstelling
of er sprake was
van een ontstoken restgalblaas. Als uitkomst van die MRCP vermeldt het verslag dat
sprake is van
een kleine restgalblaas en dat zich in die restgalblaas, dan wel in de ductus cysticus,
een
concrement (galsteen) bevindt.
5.8 Op grond hiervan kon, in weerwil van het operatieverslag en het PA-verslag uit
2012, in 2019
bij het behandelend team toch de overtuiging ontstaan dat de beeldvorming op een
restgalblaas wees.
Verweerder kon, in verband daarmee, tijdens de consulten die klager op 12 maart
en 2 april 2019 bij
hem had, in redelijkheid tot de diagnose komen dat de buikklachten van klager samenhingen
met een
ontsteking van de op de beeldvorming aangetroffen afwijking. Er bestond voldoende
grond om de bij
klager aangetroffen ontsteking, cystevorming en galsteen te behandelen met de door
verweerder
ingezette laparoscopische operatie. Wanneer verweerder niet aan een restgalblaas
had gedacht als
oorzaak van klagers buikklachten, maar aan een (restant van) de ductus cysticus
zou dezelfde
conclusie zijn getrokken.
5.9 Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat verweerder, door zijn diagnose
te stellen,
deze aan klager mee te delen en op grond daarvan de laparoscopische operatie van
2 mei 2019 in te
zetten, heeft gehandeld in strijd met wat van hem als redelijk handelend en redelijk
bekwaam
chirurg mocht worden verwacht. De klachtonderdelen 1, 2 en 3 zijn daarom niet gegrond.
Klachtonderdelen 4, 5, 6 en 7
5.10 Ook deze klachtonderdelen zal het college gezamenlijk behandelen. Met elk
van deze
klachtonderdelen betoogt klager immers dat verweerder de operatie op 2 mei 2019
op onzorgvuldige
wijze heeft uitgevoerd.
5.11 Het college stelt bij de beoordeling van verweerders handelen tijdens die
operatie voorop dat
het om een heel weinig voorkomende (her)operatie gaat, waarvoor geen professionele
richtlijnen
bestaan. Ook geldt het volgende. Wanneer, zoals bij klager in 2012 is gebeurd, de
galblaas is
verwijderd, is het beeld dat bij een heroperatie wordt aangetroffen, zonder meer
verstoord. De
natuurlijke situatie is immers gewijzigd en ook de daardoor ontstane littekenvorming
maakt het
herkennen van de nog aanwezige structuren problematisch. Dat geldt temeer wanneer,
zoals hier, het
beeld verder is gecompliceerd door cystevorming, een ontsteking en een galsteen.
Een klassieke CVS
(critical view of safety, zoals aangewezen bij een laparoscopische galblaasverwijdering
om de
aanwezige structuren veilig te kunnen identificeren) kan daarom niet meer worden
uitgevoerd. Gezien
deze lastige omstandigheden, lijkt een HPB-chirurg die goed op de hoogte is van
de lokale anatomie,
zoals verweerder, de meest aangewezen persoon om zo’n ingreep uit te voeren. Deze
chirurg is daarom
aangewezen op de eigen inschatting van wat wordt aangetroffen. Uit het operatieverslag
van 2 mei
2019 en de toelichting ter zitting volgt dat verweerder getracht heeft de CVS-methodiek
zoveel
mogelijk toe te passen als de situatie toeliet. Ook heeft hij zich laten bijstaan
door een
mede-operateur, waarmee hij heeft getracht om het gemis van hier geldende richtlijnen
zoveel als
mogelijk te compenseren door het vier-ogen-principe toe te passen. Desondanks heeft
hij, uitgaande
van de vooronderstelling dat een restgalblaas aanwezig was, het opgezette en ontstoken
weefsel voor
de restgalblaas gehouden en de daaraan verkleefde ductus choledochus aangezien voor
de ductus
cysticus.
5.12 Vast staat dat verweerder daarbij feitelijk een onjuiste inschatting heeft
gemaakt, door de
ductus choledochus niet te herkennen en deze door te nemen in plaats van de ductus
cysticus. De
handelwijze van verweerder heeft echter niet de grenzen overschreden van wat hier
mocht worden
verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend chirurg, gezien de onder
5.11 weergegeven
omstandigheden.
5.13 Dat de operatie niet direct of op een eerder moment dan waarvan feitelijk sprake
was, in de
vorm van een ‘open’ operatie is ingezet of voortgezet, leidt niet tot een ander
oordeel. Bij een
dergelijke operatietechniek was naar verwachting niet een beter beeld van de weefselstructuur
door
verweerder verkregen dan waarvan in dit geval op laparoscopische wijze sprake was.
5.14 Dat geen cholangiogram is gemaakt, leidt ook niet tot een ander oordeel. De
richtlijn
galsteenlijden stelt namelijk dat intraoperatieve (radiologische) cholangiografie
in Nederland niet
standaard wordt toegepast bij gebrek aan overtuigend voordeel. Verweerder en zijn
ziekenhuiscollega’s hebben met een dergelijke techniek dan ook geen ervaring. Dat
in de
verrichtingencode staat vermeld ’inclusief eventueel te verrichten cholangiogram’,
is hier niet van
belang, omdat – zoals verweerder heeft toegelicht – dat een (oude) standaardvermelding
betreft, die
niet meer betekent dan dat er een feitelijk voornemen of een feitelijke aanleiding
is vereist om
bij een operatie een cholangiogram te maken.
5.15 Op grond van het voorgaande zijn ook de klachtonderdelen 4, 5, 6 en 7 niet gegrond.
5.16 De slotsom is dat de klacht in alle onderdelen ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, I.H.M. van Rijn, lid-jurist,
M.H.M. Bender, J.H. Wijsman en L.H. Bouwman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M. Karatepe, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 3 juni 2026.