ECLI:NL:TGZRSHE:2026:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8937

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:100
Datum uitspraak: 03-06-2026
Datum publicatie: 03-06-2026
Zaaknummer(s): H2025/8937
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Klaagsters, moeder en dochter, verwijten verweerster dat het rapport dat verweerster op heeft opgemaakt in het kader van een hernieuwde beoordeling van de aanvraag voor een Wajonguitkering van dochter, ernstige onjuistheden bevat, niet zorgvuldig is opgemaakt en dat verweerster zich over moeder heeft uitgelaten op een wijze die niet correct is. Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 3 juni 2026 op de klacht van:

[A],
en
[B],
beiden wonende in [C],
klaagsters,

tegen

[D],
arts arbeid en gezondheid - verzekeringsgeneeskunde,
(destijds) werkzaam in [C],
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. A.B. Schippers-Juergens, werkzaam in Amsterdam.

Klaagsters worden ook wel aangeduid als dochter of patiënte (A) en moeder (B). Moeder treedt op als 
gemachtigde van de dochter en klaagt ook voor zichzelf.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagsters verwijten verweerster – kort gezegd – dat het rapport dat verweerster op 30 juni 
2025 heeft opgemaakt, ernstige onjuistheden bevat, niet zorgvuldig is opgemaakt en dat verweerster 
zich over moeder heeft uitgelaten op een wijze die niet correct is.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college toe hoe 
het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-   het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2025;
-   het aanvullende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2025;
-   de brief van 21 augustus 2025 van de secretaris aan [A];
-   het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 1 september 2025;
-   het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 september 2025;
-   de aanvullende toelichting op de klacht, ontvangen op 10 oktober 2025;
-   de dupliek, ontvangen op 12 november 2025;
-    de brief van de gemachtigde van klaagster [B], ontvangen op 27 november 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 10 april 2026. Verweerster is met haar 
gemachtigde verschenen. Klaagsters zijn opgeroepen, maar niet verschenen. Verweerster heeft haar 
standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord.

3. De feiten
3.1   De dochter heeft in 2022 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet 
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajonguitkering) gedaan. De dochter was toen 
nog geen 18 jaar oud en deed de aanvraag voor het moment dat zij 18 jaar zou worden. Om de aanvraag 
te kunnen beoordelen is zij op 21 maart 2022 door een verzekeringsarts onderzocht. Een rapport van 
dit onderzoek is door deze verzekeringsarts opgemaakt en gedateerd op 23 maart 2022. In het rapport 
is– voor zover thans van belang – het volgende opgenomen (alle citaten letterlijk weergegeven):
“(…)
4.1. Dossier
(…)
Medisch
Medische informatie (…) Orthopedagoog NVO i.o. (…) en GZ-psycholoog i.o. (…) d.d. 01-12-2021;
(…)
Zowel de ontwikkelingsanamnese als de DSM5 Interview ASS afgenomen (…), wijzen in de richting van 
ontwikkelingsproblematiek. (…) moeilijkheden in sociaal-emotionele wederkerigheid en non-verbale 
communicatie en het kost haar moeite om relaties te ontwikkelen en onderhouden. Daarnaast (…) 
motorische stereotypieën, heeft zij een inflexibele manier van denken, heeft zij specifieke 
interesses en is zij hypergevoelig voor bepaalde zintuiglijke prikkels. Op basis van bovenstaande 
bevindingen is in multidisciplinair team vastgesteld dat (…) voldoet aan de criteria van een 
autismespectrumstoornis.
(…)
6.2. Overwegingen
(…)
Op basis van verkregen indrukken en ontvangen informatie wordt geconcludeerd dat klant nog 
ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Zij is vrij recent gestart met begeleiding aan huis. Het 
voorgestelde beleid zoals verwoord door GGZ (naam instelling) bestaat o.a. uit thuisbehandeling 
inclusief psycho educatie deeltijdbehandeling op termijn en externe begeleiding op te starten 
rondom de dagbesteding en systeemtherapie. Dit in overweging nemende kan nog niet worden gesproken 
van een eindsituatie. Er zijn namelijk nog mogelijkheden om te komen tot meer autonomie en 
zelfstandigheid terwijl een arbeidskundige beoordeling op dit moment ook weinig zinvol lijkt. Klant 
zit nog in een behandeltraject, heeft zeker haar beperkingen maar wellicht is toch op termijn verbetering
haalbaar, een en ander afhankelijk van de resultaten van de voorgestelde therapieën. (…)
7. Conclusie
Het is medisch evident dat de klant nu niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Het 
ontbreken van basale werknemersvaardigheden is het gevolg van ziekte of gebrek. Het ontbreken van 
basale werknemersvaardigheden is vooralsnog echter niet duurzaam. Er zijn namelijk nog 
ontwikkelingsmogelijkheden en vormen van therapie welke ervaren belemmeringen kunnen doen afnemen.
(…)”

3.2   Het UWV heeft de aanvraag van de dochter voor een Wajonguitkering bij besluit van 30 maart 
2022 afgewezen. Daarbij heeft het UWV zich gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts. Tegen 
dit besluit van 30 maart 2022 heeft klaagster bezwaar gemaakt.

3.3   In het kader van de bezwaarprocedure heeft vervolgens een herbeoordeling plaatsgevonden door 
een bezwaarverzekeringsarts. Deze heeft op 13 juli 2023 een rapport opgesteld. In dit rapport is – 
voor zover thans van belang – het volgende opgenomen: “(…)
3. Vraagstelling
Is de belastbaarheid juist vastgesteld? Zijn de beperkingen duurzaam?

4. Onderzoeksactiviteiten
Bestudering dossiergegevens
Bestudering bezwaarschrift d.d. (…) en aanvullende gronden (…)
Informatie van derden (…):
-Reacties van de moeder van cliente d.d. (…) en mailwisseling d.d. (…)
-Informatie kinderfysiotherapie niet gedateerd
-Informatie fysiotherapie d.d. 9 mei 2022
-Psychodiagnostiekonderzoek d.d. 6 december 2022

5. Onderzoeksgegevens
Samenvatting dossiergegevens en primaire medische oordeel
(…)
6. Diagnose
ASS

7. Beschouwing
Om vast te stellen of sprake is van arbeidsvermogen dient het volgende te worden beoordeeld. De 
verzekeringsarts dient vast te stellen of er sprake is van ziekte of gebrek op de peildatum, zijnde 
het 18e levensjaar. De beperkingen hieruit voortvloeiend dienen te worden benoemd. De 
verzekeringsarts dient vervolgens ook de vraag te beantwoorden of cliënte in staat is om één uur aangesloten te werken én vier uur per dag belastbaar is.
(…)
In de huidige bezwaarprocedure dient allereerst beoordeeld te worden of de verzekeringsarts terecht 
heeft gesteld dat er geen sprake is van arbeidsvermogen op het 17e en 18e jaar. Als dit positief 
wordt beantwoord dient pas beoordeeld te worden in deze procedure of terecht gesteld is dat 
verbetering van het functioneren nog mogelijk is, zodanig dat cliënte kan ontwikkelen en 
arbeidsvermogen ontwikkelt. Hierbij kan ook een beschutte werkplek of werk onder toezicht worden 
bedoeld.
(…)
Recent is diagnose ASS gesteld (…) Cliënte is ADL zelfstandig, ruimt haar kamer op en is overdag 
bezig met de verzorging van de dieren en paardrijden. Deze taken beslaan
meerdere uren per dag. (…) cliënte kan dan ook belastbaar worden geacht één uur
aangesloten en vier uur op een dag. (…) een onderzoek door de arbeidsdeskundige met in achtnemen 
van de beperkingen (…)
Weging van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen. Hiermee bedoelt de wetgever dat 
ontwikkelen van vaardigheden is uitgesloten. Dit kan het geval zijn als sprake is van een 
progressieve aandoening. Bij cliënte is dat niet het geval. Daarnaast kan dat ook het geval zijn 
als er sprake is van een stabiele situatie waarvoor geen behandelmogelijkheden meer zijn of dat de 
behandeling hooguit dient ter stabilisatie en/of de kans te verkleinen op een terugval. Ook daarvan 
is geen sprake bij cliënte. Uit recente medische informatie blijkt dat een 
begeleidingstraject/behandeltraject recent is gestart, te beginnen thuis, en nadien gericht op 
buitenshuis activiteiten. De wetgever stelt dat verbetering in het functioneren uitgesloten moet 
worden geacht gedurende een periode van 10 jaar. Of de ontwikkeling bij cliënte staakt de komende 
10 jaar en waar deze staakt lig op voorhand niet al onomstotelijk vast. (…) Verbetering van 
functioneren en vaardigheden kunnen door begeleiding of behandeling of mogelijk zelfs door verdere 
natuurlijke breinontwikkeling ontstaan.
(…)
8. Conclusie
Er zijn bij volledige heroverweging geen medische argumenten om af te wijken van het primaire 
medische oordeel.”

3.4   Het UWV heeft het bezwaar van de dochter, met verwijzing naar het rapport van de 
bezwaarverzekeringsarts, bij besluit van 14 juli 2023 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft 
de dochter beroep ingesteld bij de rechtbank. In het kader van het beroep heeft de 
bezwaarverzekeringsarts nog tweemaal aanvullend gerapporteerd, namelijk op 10 april 2024 en op 24 
oktober 2024. Beide keren heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat geen reden bestond om 
haar conclusie te herzien.

3.5   Het beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de dochter 
hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Daarop is ten tijde van de behandeling bij 
het college, nog niet beslist.

3.6  Naast het instellen van het hoger beroep heeft de moeder, namens de dochter, op
8 mei 2024 een herzieningsverzoek ingediend bij het UWV. Daarbij heeft moeder een aantal medische 
documenten ingestuurd. Het betreffen rapportages van de GGZ van
16 februari 2023, 21 maart 2023 en 12 april 2023.

3.7   In het kader van het verzoek om herziening heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. De 
dochter is uitgenodigd voor een spreekuur op 12 juni 2025. Klaagsters verschenen gezamenlijk. Dit 
spreekuur heeft plaatsgevonden met verweerster.

3.8   Verweerster heeft haar conclusies neergelegd in een rapport van 30 juni 2025. In het rapport 
is– voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:
“(…)
4.1. Dossier
Medisch
Medische voorgeschiedenis is samengevat door medisch secretaresse (…)
Het is evident dat de klant nu niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Het ontbreken van 
basale werknemersvaardigheden is het gevolg van ziekte of gebrek. Het ontbreken van basale 
werknemersvaardigheden is vooralsnog echter niet duurzaam. Er zijn namelijk nog 
ontwikkelingsmogelijkheden en vormen van therapie welke ervaren belemmeringen kunnen doen afnemen.

rapportage dhr (…) verzekeringsarts (…) d.d. 28-6-2022 (…)
Het ontbreken van arbeidsvermogen is vooralsnog niet duurzaam. Cliënte is 17 jaar en enige rijping 
gaat nog plaatsvinden. Er is sprake van intensivering van behandeling en begeleiding vanuit de GGZ 
waarbij verbetering van het functioneren zeker niet is uitgesloten. (…) In de nabije toekomst 
(geschatte periode 2 jaar, wellicht wat langer) zal daaromtrent duidelijkheid gaan ontstaan.

Medische rapportage in bezwaarprocedure (naam arts), (…) d.d. 13-7-2023 (…)
Medische rapportage beroepsprocedure (naam arts) (…) d.d. 14-10-2024 (…)
De volgende documenten zijn bestudeerd en meegewogen bij de beoordeling:
alle medische informatie die opgenomen is EA en die reeds ingebracht is ten tijde van
beoordeling in 2022 en in het kader van bezwaar, beroep en hoger beroep (…).
Verzoek herzienieng Wajong d.d. 8-5-2024
Aanvullende rapportage dhr. (…) verzekeringsarts (…) d.d. 5-6-2024: (…)
Verzekeringsarts dhr (…) geeft aan dat een volledige expertise weinig zin heeft aan gezien
deze identiek zou zijn aan de vorige van 28-6-2022. In de rapportage wordt de situatie uitvoerig beschreven. De enige belangrijke aanpassing die in dee huidige aanvulling wordt opgenomen heeft te maken met de prognose. Op basis van lle nu (eind mei 2024) beschikbare informatie verwacht ik geen verbetering meer in de situatie van (naam klaagster).
(…)
4.5. Informatie van derden
Algemeen
Door moeder van client werd op het spreekuur een dikke map overhandigd met papieren. Ook na het 
spreekuur heeft moeder nog papieren aangeleverd, vooral dingen die ze zelf op papier heeft gezet. 
Daarbij ook een DVD over haar zus. Relevante informatie die nog niet aanwezig was werd opgeslagen 
in ea. Aangegeven dat privacygevoelige informatie over haar zus ip niet opgeslagen zal worden, wat 
moeder vervelend vindt. (…) zelfgeschreven stukken ingebracht waarbij ze zowel dingen benoemd 
betreffende cliënt als ook betreffende haar zus. Omdat zus inmiddels overleden wordt besloten om 
deze ‘gemengde’ informatie toch op te slaan.
Medisch
Mail (…) d.d. 16-6-21 (…)
Evaluatie (…) april 2023:
kleine stapjes gezet.
(…)
6. Beschouwing
Prognose
Er is geen sprake van een progressief ziektebeeld. Eerder is gesteld dat er geen sprake is van 
duurzaamheid aangezien er op grond van rijping en behandeling nog verbetering te verwachten is. De 
destijds ingezette behandeling is weliswaar gestopt, echter optimale behandeling lijkt nog niet 
plaatsgevonden te hebben. Zo is reeds 2020 gesproken over een traject bij (naam organisatie) echter 
deze behandeling is door moeder afgewezen vanwege persoonlijke ervaringen. Ook systeemtherapie is 
meerdere malen besproken maar niet ingezet. (…)
Al met al zijn er mijns inziens nog wel een aantal behandelingen mogelijk, waarbij er echter ook 
sprake is van herstelbelemmerende factoren, mn door negatieve houding van moeder tav therapie (dit 
blijkt uit zowel verslag (naam organisatie), expertiserapport, eigen anamnese) en niet helpende 
copingstrategieen van moeder (wegstoppen) die door cliënt overgenomen worden. (…) Mogelijk dat 
problematiek die bij moeder speelt ook een rol speelt bij ontstaan en instandhouding van klachten 
van cliënt. Adequate aanpak van deze herstelbelemmerende factoren lijkt van belang om optimaal te 
profiteren van behandeling.
Aangezien er dus nog behandeling mogelijk is waarmee verbetering van beperkingen bereikt kan 
worden, zijn de vastgestelde beperkingen niet als duurzaam te beschouwen. De expertisearts heeft 
weliswaar een rapport geschreven dat er sprake is van duurzaamheid, maar lijkt dit alleen gedaan te 
hebben op basis van het verstrijken van 2 jaar, zonder dat hij client opnieuw gesproken heeft en 
zonder dat de duurzaamheid verder onderbouwd is.

(…)
7. Conclusie
Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de voorgaande beoordeling in 
het kader van de Wajong te herzien. (…) Er zijn redenen om aan te nemen dat het ontbreken van het 
arbeidsvermogen niet duurzaam is (…).”

3.9   Bij besluit van 8 juli 2025 heeft het UWV het herzieningsverzoek van de dochter afgewezen. 
Daarbij heeft het UWV zich gebaseerd op het rapport van verweerster van 30 juni 2025. Tegen dit 
besluit heeft de dochter bezwaar gemaakt. Daarop is nog niet beslist.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klaagsters verwijten verweerster dat zij:
a) tot suggestieve en ongefundeerde oordelen is gekomen over de moeder;
b) de invloed van familiaal trauma op de ouderrol niet heeft onderbouwd;
c) bij haar beoordeling de medische situatie van klaagster en diens belaste voorgeschiedenis structureel heeft 
    verwaarloosd;
d) van mening is geweest dat een spreekuur overbodig zou zijn geweest en zij heeft geen nieuwe informatie gebruikt;
e) zou hebben moeten weigeren om herbeoordeling uit te voeren omdat er sprake zou zijn geweest van een dubbele 
    beoordeling;
f) het objectiviteits- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden.

4.2   Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat 
hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een 
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2   Hoewel klaagsters niet een duidelijk onderscheid hebben gemaakt wie welk klachtonderdeel 
heeft ingediend, is het college van oordeel dat de verschillende klachtonderdelen niet steeds door 
beiden kunnen worden ingediend. Het college zal daarom klachtonderdeel a) en b) beschouwen als 
afkomstig van de moeder. De overige klachtonderdelen zijn te beschouwen als afkomstig van de 
dochter. Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij 
licht hieronder toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Klachtonderdeel a) suggestieve en ongefundeerde oordelen over moeder
5.3   Moeder heeft in dit klachtonderdeel – zo begrijpt het college – bedoeld te verwijzen naar 
hetgeen in het rapport van 30 juni 2025 is opgenomen over de herstelbelemmerende factoren waarover 
verweerster heeft geschreven. Verweerster heeft onder meer verwezen naar het gedrag van de moeder 
als het gaat om herstelbelemmerende factoren. Volgens moeder kon verweerster geen enkele conclusie 
trekken nu zij de moeder helemaal niet heeft onderzocht.

5.4   Verweerster heeft aangevoerd dat zij destijds, in het kader van het verzoek om herziening, 
door het UWV is gevraagd om een herbeoordeling uit te voeren. Deze herbeoordeling zag uitsluitend 
op het beantwoorden van de vraag of er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zouden zijn die 
ertoe zouden moeten leiden dat alsnog tot de conclusie moest worden gekomen dat er geen 
mogelijkheden waren om nog arbeidsvermogen te ontwikkelen én dat sprake was van het duurzaam 
ontbreken van deze mogelijkheden. Bij een dergelijke beoordeling moeten alle relevante factoren 
worden beschreven, zowel medische als niet medische factoren. Omdat met name belemmerende factoren 
kunnen leiden tot stagnatie van herstel en/of verbetering wordt aan deze belemmerende factoren 
aandacht besteed in de rapportage. Op die manier kan bijvoorbeeld een arbeidsdeskundige eventueel 
kijken naar oplossingen die gevonden kunnen worden om deze belemmering op te heffen, aldus nog 
steeds verweerster. De houding van de moeder is niet enkel gebaseerd op eigen waarneming maar ook 
op de informatie die kon worden gevonden in verschillende informatiebronnen. Zo werd in meerdere 
rapporten gesproken over mogelijke systeemproblematiek, zoals in het verslag van het psychologisch 
onderzoek dat als bijlage 4c bij het verweerschrift is ingediend en in de eindevaluatie van 9 juni 
2021 van de instelling waar de dochter heeft verbleven. Daarnaast heeft verweerster erop gewezen 
dat meerdere therapieën voor de dochter niet zijn opgestart met als reden de houding van de moeder. 
Ten slotte blijkt de afwijzende houding van de moeder ook uit de rapportage van de verzekeringsarts 
van 28 juni 2022 en uit het rapport van 23 maart 2022 van de eerste verzekeringsarts. In dat 
rapport wordt ook gesproken over systeemproblematiek. Verweerster meent dat zij op voldoende 
objectieve wijze aandacht heeft besteed aan de rol van de moeder. Mogelijk had zij nog iets 
voorzichtiger moeten zijn in de gekozen bewoordingen.

5.5   Het college komt tot het volgende oordeel. Vooropgesteld wordt dat uit het rapport van 
verweerster van 30 juni 2025 kan worden opgemaakt dat verweerster geen hernieuwd onderzoek hoefde 
te doen naar de vraag of er bij klaagster arbeidsmogelijkheden waren. Tussen partijen is ook niet 
in geschil dat die er niet waren. Verweerster had enkel de taak te onderzoeken of er nieuwe feiten 
of veranderde omstandigheden waren die ertoe zouden moeten leiden dat het niet beschikken over 
arbeidsmogelijkheden als duurzaam moest worden aangemerkt. Om tot de beslissing te kunnen komen dat 
er sprake is van duurzaamheid moet op grond van de Wajong worden onderzocht of er nog behandeling mogelijk is.
Bij die beoordeling mag ook worden betrokken of er omstandigheden zijn, anders dan die zijn toe te 
schrijven aan de psychische of fysieke gesteldheid van de onderzochte, die maken dat een mogelijke 
behandeling niet tot verbetering leidt of zal kunnen leiden. In het licht van deze opdracht heeft 
verweerster naar het oordeel van het college ook kunnen en moeten kijken naar de rol van moeder. 
Naar het oordeel van het college heeft verweerster gemotiveerd uiteengezet waarom verweerster heeft 
gemeend dat de houding van de moeder als herstelbelemmerende factor moest worden beoordeeld. Zij 
heeft dat gedaan op grond van de eigen waarneming, maar ook op grond van hetgeen daarover door 
andere zorgverleners was opgemerkt. De vaststellingen met betrekking tot de houding van de moeder 
zijn volgens het college navolgbaar.
Het college stelt vast dat in het rapport (pagina 9) ook de zinsnede is opgenomen ‘mogelijk 
problematiek van moeder’. Hoewel het college het aannemelijk acht dat deze opmerking door de moeder 
als een medische aanduiding wordt gezien, is deze opmerking niet te beschouwen als een medische 
diagnose. Het betreft immers geen medische kwalificatie en “problematiek” is een heel brede term 
die overigens ook past in het verhaal dat moeder zelf aan verweerster heeft verteld. Dat betekent 
dat geen sprake is van ongefundeerde en suggestieve oordelen. Dit klachtonderdeel is daarom 
ongegrond.

Klachtonderdeel b) de invloed van familiaal trauma op de ouderrol niet heeft onderbouwd
5.6   Moeder heeft met dit klachtonderdeel verwezen naar de gebeurtenissen die rondom het 
overlijden van haar zus hebben plaatsgevonden. Het college begrijpt dit klachtonderdeel aldus dat 
moeder verweerster verwijt dat zij ten onrechte heeft gemeend dat dit trauma van invloed is geweest 
op de wijze waarop moeder haar ouderrol heeft ingevuld.

5.7   Verweerster heeft betwist dat zij heeft gemeend dat dit trauma van invloed is geweest op de 
ouderrol. Verweerster heeft een dergelijke conclusie ook niet weergegeven. Zij heeft wel erop 
gewezen dat uit de verschillende rapportages blijkt dat sprake is van systeemproblematiek. 
Daarnaast heeft zij vastgesteld dat sommige behandelingen, juist omdat de moeder dit niet 
geïndiceerd achtte, niet zijn opgestart. Of hier sprake was van een invloed op het handelen door 
trauma heeft verweerster niet beoordeeld. Dat laat volgens verweerster onverlet dat een overlijden 
van de tante als vanzelfsprekend ook op het gezin een grote impact zal hebben gehad.

5.8   Het college is van oordeel dat, anders dan moeder kennelijk veronderstelt, uit het rapport 
niet kan worden opgemaakt dat verweerster het overlijden van de zus van moeder en het daarmee 
gepaard gaande verdriet, ten grondslag heeft gelegd aan de wijze waarop de ouderrol is vervuld. 
Verweerster heeft naar het oordeel van het college wel op juiste wijze aandacht besteed aan het 
bestaan van dit trauma. Daarmee is verweerster niet buiten haar onderzoeksopdracht gegaan. Dit 
betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel c) bij haar beoordeling de medische situatie van klaagster en diens belaste 
voorgeschiedenis structureel heeft verwaarloosd
5.9   De dochter is van mening dat verweerster niet op alle stukken acht heeft geslagen en dat zij 
zich een onjuist beeld heeft gevormd van de medische situatie van de dochter. Verweerster heeft 
betwist dat zij niet alle stukken heeft meegenomen. Er was sprake van een uitgebreid dossier dat 
verweerster heeft doorgenomen. Zij heeft ook de informatie opgenomen die door moeder was meegenomen 
tijdens het spreekuur. Verweerster heeft hierbij wel een keuze gemaakt nu de stukken ook veel 
informatie bevatten over anderen dan de dochter.
Verweerster heeft gemeend de informatie te moeten beperken tot de medisch relevante informatie. 
Daarnaast is verweerster tijdens het spreekuur uitgebreid ingegaan op de huidige situatie en de 
situatie zoals die de afgelopen jaren was. Dit is ook opgenomen onder het
kopje “anamnese”. De beschreven beperkingen zijn vastgesteld op basis van de genoemde problemen. 
Volgens verweerster staat ook niet ter discussie dat klaagster (dochter) niet over arbeidsvermogen 
beschikt. De vraag die bij haar voorlag was of dat arbeidsvermogen duurzaam zou ontbreken. Volgens 
verweerster heeft zij zeer uitgebreid onderbouwd waarom er op dat moment nog geen eindsituatie was. 
Voor zover de dochter heeft opgemerkt dat verweerster zich zou hebben verschuild achter het lopende 
hoger beroep, kan verweerster deze opmerking niet volgen. Verweerster heeft acht geslagen op alle 
rapporten van de GGZ en deze zijn ook benoemd en meegewogen. De diagnose ASS was al vastgesteld in 
een eerder stadium.

5.10  Het college stelt voorop dat een herzieningsverzoek ziet op een al genomen besluit. Het 
onderzoek dat volgt op een herzieningsverzoek onderzoekt of sprake is van nieuwe omstandigheden of 
veranderde omstandigheden die na het eerder genomen besluit aan het licht zijn gekomen en die 
moeten leiden tot herziening. Het college stelt vast dat verweerster vanwege de complexiteit niet 
een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen een beperkt onderzoek volgend op een 
herzieningsverzoek en een volledig onderzoek volgend uit een herbeoordeling. Dat is gelet op de 
situatie volgens het college echter navolgbaar en doet aan de zorgvuldigheid van het onderzoek niet 
af. Het college is namelijk van oordeel dat verweerster een zeer zorgvuldig onderzoek heeft 
uitgevoerd. In het rapport is de anamnese uitgebreid weergegeven en daaruit blijkt dat ook is 
ingegaan op de situatie na de aanvraag om herziening op 8 mei 2024. Ook alle nieuwe schriftelijke 
informatie is blijkens het rapport van 30 juni 2025 meegenomen. Zo zijn in het rapport alle stukken 
opgesomd die verweerster in haar beoordeling heeft meegewogen, waaronder ook de rapportages van de 
GGZ. Waar dat nodig is voor de begrijpelijkheid van haar conclusie, heeft verweerster uit de 
betreffende rapportage geciteerd. Anders dan de dochter meent is naar het oordeel van het college 
sprake van een uitgebreide motivering die het college navolgbaar vindt. De conclusie wordt gedragen 
door de bevindingen van verweerster. Dat verweerster ook een prognose heeft gegeven kan het college 
volgen. De prognose zegt immers iets over de vraag of sprake is van het duurzaam niet beschikken 
over arbeidsvermogen. Het is voor het college goed navolgbaar dat er nog mogelijkheden waren om tot 
ontwikkeling te komen zodat het element duurzaam niet aan de orde was. Het betreft naar het oordeel van het college een kwalitatief goed rapport. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel d) van mening is geweest dat een spreekuur overbodig zou zijn geweest en zij heeft 
geen nieuwe informatie gebruikt en e) zou hebben moeten weigeren om herbeoordeling uit te voeren 
omdat er sprake zou zijn geweest van een dubbele beoordeling
5.11  Het college is van oordeel dat klachtonderdeel d) ongegrond, is alleen al omdat de dochter 
wel bij verweerster op het spreekuur is geweest. Zoals onder klachtonderdeel c) is overwogen kan 
uit het rapport niet anders worden opgemaakt dan dat verweerster alle informatie, ook de nieuwe 
informatie, heeft meegewogen. Dat is naar het oordeel van het college ook een juiste wijze van 
beoordeling. Er was immers sprake van een herbeoordeling. Dat betekent dat – zoals verweerster ook 
heeft opgemerkt - er vanuit de situatie in het verleden is gekeken naar de huidige situatie. In dat 
licht is vervolgens beoordeeld of er sprake was van nieuwe informatie en of die nieuwe informatie 
tot een andere conclusie zou moeten leiden. Het is aan klaagster om de nieuwe informatie aan te 
leveren waarvan zij van mening is dat dit tot een andere conclusie zou moeten leiden. Het college 
stelt vast dat verweerster correct heeft gehandeld door de opdracht in die zin uit te breiden, dat 
tevens een herbeoordeling plaatsvond. Naar het oordeel van het college heeft verweerster zeer 
zorgvuldig gehandeld en gerapporteerd. Verweerster heeft heel inzichtelijk gemaakt met welke nieuwe 
feiten en omstandigheden ze te maken had, maar ook duidelijk gemaakt dat de situatie niet opnieuw 
beoordeeld kon worden als het verleden geheel buiten beschouwing zou worden gelaten. Het aanbrengen 
van strikte scheiding in een dergelijke situatie is haast onmogelijk en in het licht van die 
problematiek heeft verweerster heel zorgvuldig gehandeld. De klachtonderdelen d) en e) zijn 
ongegrond.

Klachtonderdeel f) schending objectiviteits- en zorgvuldigheidsbeginsel
5.12  Bij dit klachtonderdeel ontbreekt een zelfstandige grond, zodat dit klachtonderdeel alleen al 
daarom ongegrond is. Ten overvloede overweegt het college dat, voor zover klaagster heeft bedoeld 
een algemene klacht te formuleren die de overige klachten in zich behelst, de overige 
klachtonderdelen hiervoor reeds zijn besproken.

Slotsom
5.13  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
E.C. Zandman, lid-jurist, R.P.J. Ansem, E.G. van der Jagt en J.M. Hoevers, leden-beroepsgenoten, 
bijgestaan door J.J. Wackers, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.