ECLI:NL:TGZRSHE:2026:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8042
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-01-2026 |
| Datum publicatie: | 14-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8042 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen arts. Geen maatregel. Vader van overleden patiënte verwijt de arts dat de arts zonder supervisor de schouw heeft verricht en dat sprake is van een onverklaarbare onzorgvuldigheid in het schouwverslag. De arts, die in opleiding tot forensisch arts was, meende dat een andere arts, die bij de schouw aanwezig was, als zijn supervisor optrad. Vaststaat dat dit niet het geval was. In zoverre gegrond. Onjuiste vermelding van de lichaamstemperatuur is een evidente schrijffout. Het meten van de omgevingstemperatuur is in een forensische setting niet gebruikelijk en levert, gezien de vele factoren die van invloed zijn, geen relevante informatie op. Het geschatte tijdstip van overlijden is aannemelijk. Geen opmerkingen op het schouwrapport als zodanig. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 14 januari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigden: mr. H.J. Oosterhagen en mr. H.L. Hendriks, werkzaam in Bodegraven,
tegen
[C],
arts,
destijds werkzaam in [D], verweerder, hierna ook: de arts.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De dochter van klager (hierna: patiënte) verbleef sinds 15 oktober 2020 in
een Penitentiaire
Instelling (PI). In de ochtend van [.....] werd zij overleden aangetroffen in haar
cel. De arts verrichtte de schouw. Klager verwijt de arts dat hij zonder supervisor
de schouw heeft
verricht. Ook wordt de arts verweten dat sprake is van een onverklaarbare onzorgvuldigheid
in het
schouwverslag.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is, maar
legt de arts
geen maatregel op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 16 januari 2025;
- de brieven en e-mails van de secretaris aan verweerder;
- de e-mail van 24 juli 2025 van de gemachtigde van klager;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 28 juli 2025;
- de (ongedateerde) brief met bijlagen, ontvangen van verweerder op 3 november 2025;
- het schouwverslag, ontvangen van de gemachtigde van klager;
- de e-mail van 4 november 2025 van de Officier van Justitie, tijdens zitting ontvangen
van
de gemachtigde van klager.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 november 2025. Verweerder
en de
gemachtigden van klager zijn verschenen. Klager zelf was afwezig. De gemachtigden
van
klager en verweerder hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Ook hebben zij
een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd. Tijdens
de zitting is op verzoek van de gemachtigden van klager de ANW-arts (zie alinea 3.1)
als getuige gehoord.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënte werd in de vroege ochtend van [.....] overleden aangetroffen in haar
cel. Op
dat moment was geen van de vaste inrichtingsartsen aanwezig. Daarop is door de instelling
contact
gezocht met een arts voor Avond, Nacht en Weekendzorg (hierna: ANW-arts). De ANW-arts
noteerde om
7.40 uur in het dossier (alle citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven):
“ niet
natuurlijk overlijden niet uit te sluiten gezien veelheid aan (genees-) middelen
in cel en bekend
middelen (drugs) gebruik in verleden. (…) forensisch arts georganiseerd die afgelopen
2 jaren NIET
bij medische behandeling van overledene betrokken is geweest. Begeleiding en informeren
FA alsook
FO en OvJ”
3.2 De ANW-arts schakelde verweerder in voor het verrichten van de schouw van patiënte.
De
ANW-arts was bij de schouw aanwezig.
3.3 In het schouwverslag staat bij ‘Omstandigheden’ vermeld: “Zij was niet wekbaar
en hebben haar
op de gang getrokken om haar te reanimeren. Toegesnelde hulpdiensten konden niets
voor haar
betekenen na een korte reanimatiepoging.”
Ook staat erin – onder meer- genoteerd:
“ Borst Status na reanimatie (…)
Lijkvlekken Wegdrukbaar
Lijkstijfheid Afwezig
Lichaamstemperatuur 318,0 °C Tijstip meting 11:30 Omgevingstemp. °C Tijstip
meting
(…)
Overlijdensdatum […..] 06:00 Waarschijnlijk
Schatting hoe lang dood 3 uren Laatst levend contact […..]
(…)
Toelichting bemonstering (…) Infuus die door ambulance personeel was
aangebracht”
3.4 Verweerder ondertekende het schouwverslag met de functievermelding “Forensisch
arts i.o.”
gevolgd door: “onder supervisie van [naam ANW-arts] forensisch arts”.
3.5 Een externe deskundige (hierna: de deskundige) kreeg van de rechtbank de opdracht
om
onderzoek te doen naar het overlijden van patiënte. De deskundige bracht in april
2024 zijn
deskundigenbericht (hierna ook: het rapport) uit. In dit rapport beantwoordde de
deskundige een aantal vragen van de rechtbank, waaronder ook vraag 8a: ‘Heeft u
nog
overige opmerkingen op uw vakgebied, die van belang kunnen zijn bij de beoordeling
van deze zaak? Zo ja, welke?’ De deskundige noteerde als antwoord: “ (…) Tenslotte,
uiteindelijk heb ik
(…) het Schouwverslag in mijn bezit gekregen. Het schouwverslag voldoet niet aan
de
“Checklist-Lijkschouw-verkort (of Checklist-lijkschouw-uitgebreid) van het Forensisch
Medisch
Genootschap – (…) Het schouwverslag heb ik (…) kunnen bespreken met de forensisch
arts die het
heeft ondertekend, collega [naam ANW-arts]. Naast het feit dat het bijzonder is
dat de forensisch
arts eveneens als arts betrokken was bij haar behandeling en [naam ANW-arts] aangeeft
dat de arts
[naam verweerder] niet in opleiding was tot Forensisch arts, in tegenstelling tot
zijn
ondertekening, is het Schouwverslag onvolledig en bevat een evidente fout. De fout
betreft (…) de
lichaamstemperatuur. (…) De omgevingstemperatuur is ten onrechte niet vermeld, een
2e fout. Dat
brengt mij op de 3e daaruit volgende evidente fout die het document bevat: vermeld
staat onder
“Schatting hoelang dood” 3 uur. Dat kan niet juist zijn gegeven de lichaamstemperatuur.
Aan de hand
van (…) stel ik vast dat gerekend vanaf het meetmoment, 11.30 uur, [patiënte] 16
uur +/-2,8 uur is
overleden. Anders gezegd: op zijn kortst plm. 13 uur en maximaal pl. 19 uur. Dat
betekent dat
[patiënte] de avond voordat zij gevonden werd om 07.00 uur in de ochtend, op 23
maart uiterlijk om
22.30 uur is overleden.(…) ”
3.6 In de e-mail van 4 november 2025 schrijft de Officier van Justitie aan de ANW-arts:
“In het
kader van een strafrechtelijk onderzoek (…) heeft u als getuige vragen van de politie
beantwoord
over uw betrokkenheid als supervisor bij de lijkschouw van [naam patiënte] op [.....]
in de PI
[naam PI]. U heeft op vragen van de politie verklaard dat u niet de lijkschouw
heeft verricht en niet als supervisor heeft opgetreden.
Er is nader onderzoek naar uw betrokkenheid gedaan en hieruit is gebleken dat hetgeen
u
heeft verklaard wordt ondersteund door andere onderzoeksbevindingen.”
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt verweerder – na wijziging van de klacht tijdens de zitting –:
a) dat hij zonder supervisor de schouw heeft verricht;
b) onverklaarbare onzorgvuldigheid in het schouwverslag.
4.2 Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend, maar tijdens de zitting het
verweer gevoerd
dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft eveneens
tijdens de
zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de gewijzigde klacht en is van mening
dat hij niet
zodanig in zijn verweer geschaad wordt dat de behandeling zou moeten worden aangehouden.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg
voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) het zonder supervisie verrichten van de schouw
5.2 Klager voert aan dat verweerder ten tijde van de schouw in opleiding tot forensisch
arts was.
Omdat hij deze opleiding nog niet had afgerond, had verweerder de lijkschouwing
onder supervisie
moeten doen. Dat er geen supervisor bij de schouw aanwezig was, volgt uit de e-mail
van de Officier
van Justitie van 4 november 2025. De arts had de lijkschouwing niet volledig zelfstandig
mogen
doen.
5.3 Verweerder erkent dat hij ten tijde van de schouw nog in opleiding was en alleen
onder
supervisie mocht handelden. Op het moment dat de ANW-arts hem benaderde om de schouw
te doen, heeft
verweerder aangegeven de schouw alleen samen met de ANW-arts te willen doen. Verweerder
heeft niet
uitdrukkelijk aan de ANW-arts gevraagd om hem als
supervisor te begeleiden. Hij was in de veronderstelling dat het “samen doen” voldoende
was voor
het verrichten van de schouw onder supervisie. Verweerder wist dat de ANW-arts de
schouw niet zelf
kon doen, omdat de ANW-arts eerder bij de behandeling van patiënte betrokken was
geweest. Volgens
verweerder kon de ANW-arts wel als supervisor bij de schouw aanwezig zijn ondanks
het gegeven dat
de ANW-arts ook betrokken was geweest bij de behandeling. Verweerder heeft in het
schouwverslag de
ANW-arts als supervisor genoteerd.
5.4 Het college oordeelt als volgt. Vaststaat dat verweerder arts in opleiding tot
forensisch
arts was en daarom niet bevoegd was de schouw volledig zelfstandig uit te voeren.
Uit hetgeen
verweerder tijdens de zitting heeft verklaard, volgt dat hij er impliciet van is
uitgegaan dat de
ANW-arts als supervisor bij de schouw aanwezig zou zijn. Verweerder verklaarde dat,
op het moment
hij het verzoek van de ANW-arts kreeg om als schouwarts op te treden, hij tegen
de ANW-arts heeft
gezegd dat ze ‘het samen moesten doen’. In het licht van deze verklaring kan het
college niet
vaststellen dat verweerder met de ANW-arts concreet over supervisie heeft gesproken,
noch dat hij
hem expliciet om supervisie heeft gevraagd. Evenmin kan worden vastgesteld dat verweerder
de
ANW-arts heeft gevraagd om onder aan het schouwverslag het vakje te mogen aanvinken
dat de ANW-arts
de supervisor was. Mede gezien de verklaring van de Officier van Justitie dat de
ANW-arts niet als
supervisor heeft opgetreden, stelt het college vast dat verweerder de schouw zonder
supervisie
heeft verricht. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel b) onverklaarbare onzorgvuldigheid in het schouwverslag
5.5 Klager stelt dat sprake is van onzorgvuldigheden in het schouwverslag. Hij
verwijst hiervoor
naar het rapport waarin de deskundige schrijft dat de lichaamstemperatuur foutief
is vermeld (1),
dat de omgevingstemperatuur ten onrechte in het verslag ontbreekt (2), en dat het
geschatte
tijdstip van overlijden (‘schatting hoelang dood’), te weten 3 uur, niet juist kan
zijn (3).
Volgens de berekening van de deskundige moet patiënte op zijn kortst 13 uur eerder
zijn overleden. De deskundige gaat van een andere sterfdatum uit dan die door de arts
in het
schouwrapport is genoteerd.
5.6 Verweerder voert allereerst aan dat het deskundigheidsgebied van de deskundige,
die
internist-intensivist tevens klinisch farmacoloog is, niet aansluit bij het vakgebied
van een
forensisch arts. De deskundige kan niet oordelen over een forensische situatie of
eerste lijns
zorg. Om die reden meent de arts dat het rapport van de deskundige buiten beschouwing
moet blijven.
Verweerder erkent dat hij een fout heeft gemaakt bij het vermelden van de lichaamstemperatuur
(1)
door de komma op de verkeerde plek te zetten. Hij geeft aan dat het om een menselijke
verschrijving
gaat. Ten aanzien van het ontbreken van de omgevingstemperatuur (2) stelt de arts
dat hij deze niet
gemeten heeft omdat er vele factoren zijn die deze temperatuur kunnen beïnvloeden,
waardoor het
niet zinvol is om deze gegevens mee te nemen bij het bepalen van het tijdstip van
overlijden. Wat
het tijdstip van overlijden betreft (3) wijst de arts erop dat er in de ochtend
van [.....] sprake
was van
een reanimatiesetting, waarbij ambulancepersoneel heeft geprobeerd patiënte te redden.
Uit de
ritmestrook die door de ambulance was achtergelaten blijkt het tijdstip van het
einde van de
reanimatie. Het tijdstip van overlijden heeft hij daarvan afgeleid.
5.7 Vaststaat dat de lichaamstemperatuur, die door de Forensische Opsporingsdienst
(FOD) is gemeten door de arts niet
correct in het schouwverslag is vermeld. De arts noteerde 318,0 °C in plaats van
31,8 °C. Naar het oordeel
van het college kan er geen twijfel over bestaan dat er sprake is van een evidente
schrijffout. Een
lichaamstemperatuur van 318,0 °C is immers onmogelijk. Het moet ook voor klager
en derden duidelijk
zijn geweest dat het een verschrijving was. Een kennelijke verschrijving is menselijk
en van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen kan dan ook geen sprake zijn. In zoverre is
dit
klachtonderdeel ongegrond.
5.8 Het college leidt uit het deskundigenverslag af dat de deskundige van mening
is dat de
omgevingstemperatuur van doorslaggevende betekenis is voor het kunnen vaststellen
van een tijdstip
van overlijden. Anders dan de deskundige kennelijk veronderstelt, geldt dat het
in een forensische
setting in zijn algemeenheid niet gebruikelijk is dat de schouwarts de omgevingstemperatuur
meet.
De reden daarvoor is dat niet alleen de omgevingstemperatuur maar vele factoren
van invloed zijn op
het bepalen van het tijdstip van overlijden. De schouwarts gaat daarom bij het bepalen
van het
betreffende tijdstip uit van de metingen die de FOD uitvoert. Daarnaast houdt de
schouwarts
rekening met het feit dat een overledene mogelijk is verplaatst om een reanimatie
te kunnen
uitvoeren, en kan door het openzetten of juist dichtdoen van deuren en ramen de
omgevingstemperatuur inmiddels zijn gewijzigd. Bovendien moet bij het bepalen van
het tijdstip van
overlijden ook rekening worden gehouden met de informatie die het ambulancepersoneel
en de
medewerkers van de PI aan de schouwarts geven. In de vroege ochtend van [.....]
is patiënte
levenloos aangetroffen in
de stoel waarin zij zat. Daarop is zij vanuit de cel naar de gang verplaatst, zodat
er ruimte was
om haar te reanimeren. Omdat de temperatuur in de cel, waar ventilatie is, niet hetzelfde
zal zijn als de temperatuur in de gang en zij inmiddels op een koude grond was gelegd,
levert het meten van de omgevingstemperatuur geen relevante informatie op voor het
vaststellen van
het tijdstip van overlijden. Bovendien lag patiënte al enige tijd op de grond in
de gang, voordat
verweerder de schouw verrichtte. Ook in zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.
5.9 Vaststaat dat in de ochtend van [.....] is geprobeerd patiënte te reanimeren.
Uit het
schouwverslag, de verklaringen van verweerder en van de tijdens de zitting gehoorde
getuige, volgt
dat tijdens de reanimatiesetting bij patiënte een infuus is aangebracht, dat een
borst-compressieapparaat is gebruikt waarvoor de kleding van patiënte moest worden
opengeknipt en
dat er geen sprake was van lijkstijfheid. Om het tijdstip van overlijden te kunnen
schatten heeft
de arts de meetgegevens op de ritmestrook (die het ambulancepersoneel na het stoppen
van de
reanimatie had achtergelaten), meegewogen. Het moment waarop de reanimatie is gestopt,
is dan ook
een belangrijke factor voor het kunnen vaststellen van het tijdstip van overlijden.
In het licht van het vaststaande feit dat er in de ochtend een reanimatiesetting
heeft
plaatsgevonden, is de conclusie van de deskundige dat patiënte 13 uur eerder zou
zijn overleden,
onwaarschijnlijk en onbegrijpelijk. Indien patiënte in de avond van
[.....] zou zijn overleden, zou het op [.....] opgeroepen ambulancepersoneel immers
geen
reanimatie hebben uitgevoerd of mogen uitvoeren. Er zou in dat geval geen infuus
zijn aangelegd en
er zou geen borst-compressieapparaat zijn gebruikt. Daar komt bij dat niet ter discussie
staat dat
patiënte in de avond van [.....] rond 23.00 uur nog is gecontroleerd op
cel, en er toen reactie van patiënte is gekomen. De door verweerder gemaakte schatting
van
overlijden, te weten rond 6 uur in de ochtend, is in de gegeven omstandigheden een
aannemelijk
tijdstip. Het college gaat er daarom vanuit dat patiënte in de ochtend van [.....]
is overleden. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a) gegrond is en dat
klachtonderdeel
b) ongegrond is.
Maatregel
5.11 Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college oordelen of een
maatregel moet
worden opgelegd en zo ja, welke maatregel passend is. Het college neemt hierbij
het volgende in
overweging. De ANW-arts heeft verweerder verzocht om de schouw uit te voeren omdat
er op dat moment
geen andere schouwarts uit zijn regio beschikbaar was. Op dat moment was de dienst
van verweerder,
in een andere regio waarbij hij een vaste supervisor had, net beëindigd. Desondanks
was verweerder
bereid de schouw in de regio van de ANW-arts te verrichten. Verweerder wist dat
hij de schouw niet
zonder supervisor kon doen en heeft de ANW-arts gevraagd erbij te zijn. Omdat de
ANW-arts bij de
schouw aanwezig was, is verweerder ervan uitgegaan dat de ANW-arts zijn supervisor
was. Dat
verweerder hem deze rol toekende, was voor de ANW-arts echter niet duidelijk. Het
college is ervan
overtuigd dat verweerder zich onvoldoende gerealiseerd heeft dat hij de rol van
supervisor niet expliciet met de ANW-arts besproken heeft. Voor verweerder was het
volstrekt duidelijk dat hij een
supervisor nodig had maar uit de stukken kan niet worden afgeleid dat dit voor derden
ook duidelijk
moest zijn. Hoewel het aan verweerder is om de supervisie te regelen, kan het college
volgen dat de
spraakverwarring over “we moeten het samen doen” tot deze omissie heeft geleid.
Nu het college ook
geen aanmerkingen op het schouwrapport als zodanig heeft, is het college van oordeel
dat in deze
omstandigheden aan verweerder geen maatregel zal worden opgelegd.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
N.B. van der Maas en J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
C.W.M. Hillenaar, secretaris en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.