ECLI:NL:TGZRAMS:2026:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8693

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:98
Datum uitspraak: 24-04-2026
Datum publicatie: 24-04-2026
Zaaknummer(s): A2025/8693
Onderwerp:
  • Onheuse bejegening
  • Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Klager verwijt de verzekeringsarts onder meer het gebruik van onprofessionele bewoordingen en een onjuiste verslaglegging. In het medisch onderzoeksverslag beschrijft de verzekeringsarts de observatie ‘theatrale pijnuiting’. Zij voert aan dat dit een vakinhoudelijke benaming betreft voor een geobserveerde wijze van pijnexpressie. Zij begrijpt dat het woord negatief of stigmatiserend kan overkomen en heeft zich voorgenomen de term niet meer te gebruiken. Het college acht de bewoordingen ‘theatrale pijnuiting’ minder gelukkig gekozen. Het college verbindt aan het gebruik van de term door de verzekeringsarts geen tuchtrechtelijke consequenties. Zij heeft niet in strijd met de beroepsnorm gehandeld door de vakterm te gebruiken.  

A2025/8693
Beslissing van 24 april 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 24 april 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klager,


tegen


C,
verzekeringsarts,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. E, werkzaam te D.


1. De zaak in het kort
1.1 Klager is een 55-jarige man die zich op 1 februari 2022 arbeidsongeschikt meldde wegens belemmerende gezondheidsklachten. Hij verwijt de verzekeringsarts onder meer het gebruik van onprofessionele bewoordingen en een onjuiste verslaglegging.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klager ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 1 juli 2025;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift;
- de UWV volmacht;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 2 december 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak heeft beoordeeld op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. Wat is er gebeurd?

3.1 Klager heeft zich op 1 februari 2022 arbeidsongeschikt gemeld wegens belemmerende gezondheidsklachten.

3.2 In het kader van een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) heeft de verzekeringsarts klager gezien op een spreekuur op 2 maart 2023. Zij heeft geconcludeerd dat klager verminderd functionele mogelijkheden had als gevolg van ziekte en gebrek en dit weergegeven in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Bij controle is gebleken dat de EZWB-beslissing niet naar klager is gestuurd. De reden ervan is de verzekeringsarts onbekend.

3.3 Klager is per 13 maart 2023 weer gaan werken gedurende 8 maanden. Daarna heeft hij een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.

3.4 Naar aanleiding van een interne klacht hebben de verzekeringsarts en de klachtenambassadeur op 5 mei 2025 met klager gesproken en is de interne klacht afgehandeld.


4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
4.1 In het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek bevestigt klager dat de klacht uiteindelijk betrekking heeft op 3 klachtonderdelen zoals hierna beschreven.

4.2 Klager verwijt de verzekeringsarts over de sociaal-medische beoordeling van 3 maart 2023:
a) het gebruik van onprofessionele bewoordingen in het medisch onderzoeksverslag en het moeten ondergaan van een lichamelijk onderzoek, in het bijzonder het rondlopen op blote voeten;
b) een onjuiste verslaglegging;
c) de medische rapportage niet tijdig te hebben verstrekt.

4.3 De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.4 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de verzekeringsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.2 Het college oordeelt dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) onprofessioneel taalgebruik en lichamelijk onderzoek
5.3 In het medisch onderzoeksverslag beschrijft de verzekeringsarts de observatie ‘theatrale pijnuiting’. Zij voert aan dat dit een vakinhoudelijke benaming betreft voor een geobserveerde wijze van pijnexpressie. Deze term is in de medische vakliteratuur gangbaar en beoogt geen waardeoordeel over de echtheid van de klachten. Zij begrijpt echter dat het woord negatief of stigmatiserend kan overkomen en heeft zich daarom voorgenomen de term niet meer te gebruiken en te kiezen voor een andere formulering.

5.4 Het college acht de bewoordingen ‘theatrale pijnuiting’ minder gelukkig gekozen. Het is weliswaar een vakterm die bedoeld is om een waardevrije beschrijving van een observatie te geven, maar de bewoordingen hebben in het dagelijks taalgebruik voor niet-medici een andere betekenis met een negatieve lading. Aangezien de rapportage ook door niet-medici gelezen kan worden, zoals door klager zelf, was het beter geweest als de verzekeringsarts voor andere woorden had gekozen. Het college verbindt aan het gebruik van de term door de verzekeringsarts geen tuchtrechtelijke consequenties. De verzekeringsarts heeft niet in strijd met de beroepsnorm gehandeld door de vakterm te gebruiken. Bovendien toont zij inzicht in het risico van miscommunicatie als de woorden zonder toelichting worden gebruikt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.5 Het behoort tot de kerntaak van de verzekeringsarts om bij lichamelijk onderzoek relevante klachten objectief vast te stellen en te beoordelen welke beperkingen daaruit voortvloeien. De verzekeringsarts betreurt het feit dat klager tijdens het onderzoek veel pijn heeft ervaren, maar het fysieke onderzoek, waaronder het lopen op blote voeten, hoe pijnlijk ook, was volgens haar noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen over de medische beperkingen en mogelijkheden van klager. Zonder een dergelijk onderzoek kon zij geen goed onderbouwde medische beoordeling doen.

5.6 Het college gaat daarin mee, aangezien de verzekeringsarts haar onderzoek heeft uitgevoerd overeenkomstig de professionele standaarden, methodiek en richtlijnen. Ook dit klachtonderdeel acht het college ongegrond.

Klachtonderdeel b) onjuiste verslaglegging
5.7 Klager is het niet eens met de verslaglegging waarin de verzekeringsarts zou hebben geschreven dat klager wel passend werk wilde doen. Klager stelt dat hij nooit heeft gezegd dat hij passend werk wilde verrichten. Vervolgens heeft de verzekeringsarts ook gezegd dat hij weer aan het werk moest gaan terwijl hij dat niet kon. De verzekeringsarts stelt dat zij heeft opgeschreven dat klager graag passend werk wilde doen omdat hij dit zo tijdens het spreekuur heeft gezegd. Zij licht toe dat zij met klager zijn beperkingen heeft besproken en dat vervolgens een arbeidsdeskundige aan de hand daarvan heeft besproken wat passend werk zou zijn. Ook heeft zij uitgelegd dat het niet aan haar is om te zeggen dat klager weer aan het werk moest gaan, dat heeft zij dan ook niet gedaan.

5.8 Het college overweegt dat de verzekeringsarts bij de sociaal-medische beoordeling die zij heeft uitgevoerd gebonden is aan het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de richtlijnen van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem. De verzekeringsarts heeft op 2 maart 2023 geconcludeerd dat klager niet voldeed aan de criteria voor ‘Geen Benutbare Mogelijkheden’ en die conclusie kan het college volgen. Dat heeft tot gevolg dat de beperkingen in kaart moeten worden gebracht, hetgeen de verzekeringsarts ook heeft gedaan. Het doel hiervan is om in de volgende stap vast te kunnen stellen welke mogelijkheden voor passend werk er bestaan. Gelet op het verslag van de sociaal-medische beoordeling van 2 maart 2023 acht het college het handelen van de verzekeringsarts in zoverre niet onzorgvuldig. Vervolgens geldt dat het college niet aanwezig is geweest bij het spreekuur van 2 maart 2023 en dus ook niet kan vaststellen wat precies door klager en door de verzekeringsarts is gezegd. In zijn algemeenheid geldt dat de context waarin woorden of uitlatingen worden gebruikt bepalend kan zijn voor de betekenis ervan, maar die is niet goed te reconstrueren. Daarbij komt dat bij communicatie tussen enerzijds leken en anderzijds professionals het misverstaan van elkaar altijd een risico is. Specifiek in dit geval kan het college zich bijvoorbeeld goed voorstellen dat klager heeft gezegd dat hij heel graag weer aan het werk wilde, zoals hij ook tijdens het mondeling vooronderzoek heeft gedaan, en dat de verzekeringsarts dat heeft genoteerd, terwijl klager bedoelde uit te leggen dat zijn werk altijd belangrijk voor hem was en dat hij zou willen dat hij weer aan het werk kon. En dat de verzekeringsarts heeft medegedeeld dat zij tot de conclusie kwam dat er mogelijkheden waren voor passend werk, zoals zij ook heeft gerapporteerd, hetgeen klager heeft opgevat als dat hij weer aan het werk moest. Al met al kan het college niet vaststellen dat de verzekeringsarts op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c) medische rapportage te laat overgelegd
5.9 Klager heeft in mei 2025 gevraagd om het medisch onderzoeksverslag van 3 maart 2023. Volgens UWV-beleid wordt deze rapportage slechts op verzoek naar de cliënt gestuurd. Dat verzoek vond plaats tijdens een gesprek in mei 2025. Ondanks het verzoek aan het secretariaat om het verslag op te sturen, is dat om onduidelijke reden niet gebeurd. De verzekeringsarts heeft het verzoek nogmaals neergelegd bij het secretariaat en toen is het onderzoeksverslag alsnog naar klager gestuurd. De verantwoordelijkheid voor het opsturen ligt bij het secretariaat en kan de verzekeringsarts niet worden aangerekend. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

Publicatie
5.11 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van de beoordeling en overwegingen in randnummer 5.4. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.


6. De beslissing
Het college: - verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond; - bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde TBV.


Deze beslissing is gegeven op 24 april 2026 door M.M. van ‘t Nedereind, voorzitter, A.P. den Exter, lid-jurist, P. van Haren, E.G. van der Jagt en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A.E. Veeren, secretaris.