ECLI:NL:TGZRAMS:2026:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8689
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:97 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-04-2026 |
| Datum publicatie: | 24-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8689 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een AIOS verzekeringsgeneeskunde. Een arts in opleiding tot verzekeringsarts (verweerster in zaak A2025/8687) heeft onder supervisie van de verzekeringsarts medische adviezen opgesteld op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster. Er heeft steeds overleg plaatsgevonden tussen de verzekeringsarts en de AIOS over de adviezen, en de verzekeringsarts heeft de adviezen medeondertekend. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij hierbij onzorgvuldig heeft gehandeld en een onjuist medisch advies heeft gegeven. Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts op zorgvuldige en deskundige wijze haar medisch advies heeft opgesteld, en dat zij in redelijkheid tot haar conclusie heeft kunnen komen. |
A2025/8689
Beslissing van 24 april 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 24 april 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C, wonende in B,
tegen
D,
verzekeringsarts,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam te Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster is in december 2017 in een ziekenhuis behandeld, na een val waarbij
zij een breuk in een wervel had opgelopen. Klaagster meent dat deze wervelbreuk in
het ziekenhuis onzorgvuldig is behandeld. In verband met een aansprakelijkstelling
doet zij een beroep op haar rechtsbijstandsverzekeraar, die een medisch adviesbureau
in de arm neemt. De verzekeringsarts was werkzaam voor dit medisch adviesbureau. Een
arts in opleiding tot specialist verzekeringsgeneeskunde (AIOS verzekeringsgeneeskunde,
verweerster in zaak A2025/8687) heeft onder supervisie van de verwerend verzekeringsarts
in 2019, 2020 en 2021 medische adviezen opgesteld op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar
van klaagster. Er heeft steeds overleg plaatsgevonden tussen de verzekeringsarts en
de AIOS verzekeringsgeneeskunde over de adviezen, en de verzekeringsarts heeft de
adviezen medeondertekend. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij hierbij onzorgvuldig
heeft gehandeld en een onjuist medisch advies heeft gegeven.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 juli 2025 bij het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg Zwolle, en na overdracht aan het Regionaal Tuchtcollege voor
de Gezondheidszorg Amsterdam aldaar ontvangen op 18 juli 2025;
- de aanvullende klaagschriften met de bijlagen, ontvangen op 8 augustus 2025 en
22 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de e-mail van de gemachtigde van klaagster van 28 november 2025, met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 9 december 2025;
- digitale documenten, te weten een medisch dossier en een elektronisch patiëntendossier
(EPD).
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
2.3 De zaak is in raadkamer gezamenlijk, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen twee andere (AIOS) verzekeringsartsen (A2025/8687 en A2025/8688). Deze uitspraak betreft alleen de verzekeringsarts met bovengenoemd zaaknummer.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 In december 2017 is klaagster thuis gevallen, waarbij zij een wervelbreuk heeft
opgelopen. Hiervoor is zij in december 2017 in een ziekenhuis behandeld en geopereerd.
3.2 Klaagster is van mening dat in het ziekenhuis sprake is geweest van een
onzorgvuldige behandeling en heeft daarop een beroep gedaan op haar rechtsbijstandsverzekeraar
(hierna ook: de verzekeraar) in het kader van een aansprakelijkstelling. De verzekeraar
heeft op 18 juni 2018 aan een medisch adviesbureau gevraagd een medisch advies uit
te brengen over de vraag of er medisch gezien sprake zou kunnen zijn van een verwijtbare
fout in het ziekenhuis. Een AIOS verzekeringsgeneeskunde (verweerster in zaak A2025/8687)
heeft dit medisch advies, onder supervisie van en in overleg met de verwerend verzekeringsarts,
op 1 februari 2019 uitgebracht. De verzekeringsarts heeft dit advies medeondertekend.
De conclusie van het advies luidde dat het niet uitgesloten leek dat de behandeling
in het ziekenhuis heeft bijgedragen aan de verergering van de (fysieke) klachten van
klaagster. In het advies werd voorgesteld om de zaak voor te leggen aan een vakinhoudelijk
deskundige expertiseur, om te laten beoordelen of sprake was van schade door medisch
verwijtbaar handelen.
3.3 De gemachtigde van klaagster heeft met vragen en opmerkingen op dit advies
gereageerd. De AIOS verzekeringsgeneeskunde heeft, op verzoek van de verzekeraar,
deze reactie betrokken in het advies. Zij heeft – weer onder supervisie van de verzekeringsarts
- op 19 maart 2019 een nieuwe versie van het advies uitgebracht, waarin zij enkele
feitelijke punten heeft aangepast maar de conclusie ongewijzigd is gebleven. Deze
nieuwe versie is met een uitleg over de rol van een medisch adviseur en over de inhoud
van een medisch advies naar klaagster gestuurd.
3.4 In juli 2020 heeft de AIOS verzekeringsgeneeskunde een orthopedisch chirurg die
werkzaam is bij een medisch expertisebureau verzocht een eenzijdige expertise te
verrichten. Op 4 december 2020 heeft de chirurg zijn conceptexpertiserapport aan de
AIOS verzekeringsgeneeskunde toegestuurd. Zijn conclusie luidde dat er geen aanwijzingen
waren om aan te nemen dat er onjuist of onzorgvuldig is gehandeld in het ziekenhuis.
3.5 De AIOS verzekeringsgeneeskunde heeft hierop (op 29 december 2020) een nieuw
medisch advies uitgebracht waarin zij concludeerde dat sprake was van een grotendeels
adequaat expertiserapport, waarbij de expertiseur op één punt afweek van hetgeen in
de door hem aangehaalde richtlijn werd beschreven, zonder nadere onderbouwing van
recentere literatuur. De AIOS verzekeringsgeneeskunde adviseerde dat op dit vlak navraag
zou kunnen worden gedaan bij de expertiseur. Voor het overige concludeerde de AIOS
verzekeringsgeneeskunde dat op basis van het conceptexpertiserapport geen sprake was
van verwijtbaar of nalatig medisch handelen in het ziekenhuis. De verwerend verzekeringsarts
heeft ook dit advies medeondertekend.
3.6 De gemachtigde van klaagster heeft eind december 2020 reacties gestuurd op het
conceptexpertiserapport en op het nieuwe medische advies. De AIOS verzekeringsgeneeskunde
heeft hierop op 31 december 2020 aanvullende vragen aan de expertiseur gesteld. De
expertiseur heeft vervolgens op 22 januari 2021 een definitieve versie van zijn expertiserapport
uitgebracht. In deze versie is een aanvullende toelichting en onderbouwing toegevoegd,
maar de conclusie is ongewijzigd gebleven.
3.7 Naar aanleiding van dit definitieve rapport (van de expertiseur) heeft de gemachtigde
van klaagster de AIOS verzekeringsgeneeskunde gesommeerd om bij het ziekenhuis aanvullende
informatie op te vragen over het postpoliosyndroom van klaagster. Op 18 februari 2021
heeft de AIOS verzekeringsgeneeskunde vervolgens – nog steeds onder supervisie van
de verwerend verzekeringsarts - een definitief medisch advies uitgebracht naar aanleiding
van de definitieve versie van het expertiserapport en de reacties van de gemachtigde
daarop. De AIOS verzekeringsgeneeskunde heeft daarbij aandacht besteed aan het gebruik
van de term postpolio. De conclusie in het medisch advies luidde (letterlijk weergegeven):
“Er is een uitgebreid en zorgvuldig expertiserapport opgesteld, waarbij de expertiseur
tot de conclusie komt dat er geen sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen
in het [ziekenhuis]. Cliënte en haar echtgenoot kunnen zich niet vinden in deze conclusie.
Bij nadere bestudering van hun op- en aanmerkingen en het volledige beschikbare dossier
kom ik tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van objectiveerbaar onzorgvuldig
medisch handelen.”
3.8 Klaagster en haar gemachtigde hebben hierop hun ontevredenheid over het
expertiserapport en over het medisch advies geuit, en vervolgens klachten ingediend
tegen zowel hun rechtsbijstandsverzekeraar, de expertiseur, de artsen uit het ziekenhuis
als het medisch adviesbureau. Omdat hun klacht (van 1 maart 2021) het medisch advies
van de AIOS verzekeringsgeneeskunde en de verwerend verzekeringsarts betrof, heeft
de verzekeraar een andere verzekeringsarts van het medisch adviesbureau (verweerder
in zaak A2025/8688) verzocht de medische advisering over te nemen. De verwerend verzekeringsarts
is daarna niet meer betrokken geweest. Klaagster heeft op 3 juli 2025 de onderhavige
tuchtklacht ingediend.
4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
4.1 Klaagster verwijt de verzekeringsarts – en dat heeft zij in het mondeling vooronderzoek
bevestigd – dat hij:
a) bij het opstellen van het medisch advies gebruik heeft gemaakt van een frauduleus
medisch dossier en daarbij ook zelf feiten heeft verdraaid;
b) een onjuist medisch advies heeft gegeven. Op basis van de stukken in het medisch
dossier had de verzekeringsarts moeten concluderen dat in het ziekenhuis sprake was
geweest van verwijtbaar medisch handelen.
4.2 De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de verzekeringsarts heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Het college stelt hierbij voorop
dat het de taak van een medisch adviseur is om een medisch advies op te stellen, op
grond van de vraag die hieraan ten grondslag ligt. Bij de beoordeling van de vraag
of een advies van een arts voldoet aan de daaraan te stellen eisen dienen volgens
vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg de volgende
criteria, die gelden voor deskundigenrapporten, in aanmerking te worden genomen: 1.
Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust; 2.
Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden; 3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente
wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen; 4. Het rapport
vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur
en de geconsulteerde personen; 5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn
deskundigheid. Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het
oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek
kan doorstaan. De conclusie van de rapportage toetst het college terughoudend dat
wil zeggen dat beoordeeld wordt of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie
heeft kunnen komen. Daarbij overweegt het Centraal Tuchtcollege dat een medisch advies
beperkter is van opzet, strekking en inhoud dan een deskundigenrapport. Dit neemt
niet weg dat de hiervoor genoemde criteria geschikt zijn als toetsingskader, omdat
deze criteria, afhankelijk van de aard en omvang van de te toetsen adviezen, meer
of minder stringent kunnen worden ingevuld.
5.2 De verzekeringsarts heeft weliswaar niet zelf de medische adviezen geschreven, maar hij heeft wel als supervisor meegekeken en de adviezen medeondertekend. Daarom wordt in deze zaak zijn handelen op dezelfde manier getoetst als dat van de AIOS verzekeringsgeneeskunde. Het college spreekt bij de beoordeling hieronder enkele keren over ‘de verzekeringsartsen en hun handelen’, ook wanneer het feitelijk slechts het handelen van de AIOS verzekeringsgeneeskunde betreft.
5.3 Het college benadrukt dat het op grond van de criteria in 5.1 dus niet tot taak heeft om de uitkomst van het advies te beoordelen en aldus vast te stellen of er in het ziekenhuis al dan niet medisch verwijtbaar is gehandeld. Het college beoordeelt alleen of de verzekeringsarts - als supervisor dus medeverantwoordelijk voor het advies – dit advies zorgvuldig tot stand heeft gebracht en of hij in redelijkheid tot zijn conclusies heeft kunnen komen. De vraag van de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster die ten grondslag lag aan het advies was om een haalbaarheidsonderzoek te doen in het kader van een eventuele aansprakelijkstelling tegen het ziekenhuis waarin klaagster was behandeld voor haar wervelbreuk. De verzekeringsartsen hadden tot taak te onderzoeken of er medische fouten zouden kunnen zijn gemaakt door de artsen in het ziekenhuis, en deze vraag beargumenteerd te beantwoorden.
5.4 Het college oordeelt dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts op zorgvuldige en
deskundige wijze het medisch advies (mede) heeft opgesteld, en dat hij in redelijkheid
tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Het college licht dit hieronder toe.
Klachtonderdeel a) gebruik frauduleus medisch dossier en verdraaiing van feiten
5.5 Klaagster stelt onder meer dat er in het ziekenhuis in haar medisch dossier
is opgenomen dat haar neurologische klachten te wijten zijn aan doorgemaakte polio
en het postpoliosyndroom (PPS), maar dat zij geen PPS had. Dit is later ook door een
(niet in het betreffende ziekenhuis werkende) neuroloog geconcludeerd, en door klaagster
gecommuniceerd aan de rechtsbijstandsverzekeraar en aan het medisch adviesbureau.
Deze informatie is echter buiten beschouwing gelaten in het advies en de verzekeringsarts
heeft zich op het onjuiste medische dossier uit het ziekenhuis gebaseerd, aldus klaagster.
Verder verwijt klaagster de verzekeringsartsen dat zij in één van hun brieven aan
de verzekeraar (van 4 september 2018) eerst opmerkten dat de informatie uit het ziekenhuis
vrij volledig
oogde, terwijl zij direct daarna noteerden dat er enkele stukken ontbraken in het
medisch dossier van klaagster van het ziekenhuis.
5.6 De verzekeringsarts heeft aangevoerd dat hij in beginsel uit mag gaan van de juistheid en betrouwbaarheid van een medisch dossier, tenzij er concrete aanwijzingen bestaan van het tegendeel. Van dit laatste was geen sprake, en is door klaagster ook niet onderbouwd, volgens de verzekeringsarts. Ten tijde van het eerste medische advies hadden de verzekeringsartsen nog niet de beschikking over het (in 5.5) genoemde verslag van de neuroloog, en toen zij dit later wel hadden, is in het advies van 18 februari 2021 uitgebreid stilgestaan bij het onderwerp polio, omdat de termen polio, postpolio en PPS voor verwarring hadden gezorgd. Verder heeft de verzekeringsarts uitgelegd dat het zijns inziens mogelijk is dat het medisch dossier vanuit het ziekenhuis vrij volledig kan ogen en tegelijkertijd toch net niet helemaal compleet kan zijn, en dat de ontbrekende stukken door de AIOS verzekeringsgeneeskunde zijn opgevraagd en ook zijn gekregen én verwerkt.
5.7 Het is vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg dat zorgverleners, maar ook het college zelf, mogen vertrouwen op de juistheid en betrouwbaarheid van een medisch dossier, tenzij er redenen zijn om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Uit de stukken blijkt echter niet dat sprake is van een ‘frauduleus dossier’. Het feit dat klaagster het niet eens is met de vermelding van een bepaalde diagnose of term in het medisch dossier maakt nog niet dat dit dossier frauduleus is. Het college is daarom van oordeel dat de verzekeringsarts zich in beginsel op de juistheid en betrouwbaarheid van het medisch dossier mocht baseren. Voor zover de verzekeringsartsen niet over de benodigde stukken beschikten, hebben zij ervoor gezorgd dat het dossier gecompleteerd werd. Voor het verrichten van hun taak, namelijk het beantwoorden van de vraag of sprake zou kunnen zijn van verwijtbaar medisch handelen in het ziekenhuis, was bovendien niet alle medische informatie in dezelfde mate van belang. Ten aanzien van het niet vermelden van het onderzoeksverslag van de (externe) neuroloog in het medisch advies, volgt het college het verweer van de verzekeringsartsen: zij hebben voldoende duidelijk gemaakt dat zij in eerste instantie niet over dit verslag beschikten en dat zij in hun laatste medisch advies ruim aandacht aan de terminologie en problematiek rondom PPS hebben besteed. Overigens is het college ook verder niets van door de verzekeringsarts verdraaide feiten gebleken. Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) onjuist medisch advies met onjuiste conclusie
5.8 Klaagster stelt dat zij het niet eens is met de conclusies die de verzekeringsarts
heeft getrokken. Zij probeert dit al acht jaar recht te zetten. Klaagster is van mening
dat de verzekeringsarts ook conclusies heeft getrokken die met elkaar in tegenspraak
zijn: in de eerste adviezen van 1 februari 2019 en 19 maart 2019 concludeerden de
verzekeringsartsen namelijk dat het niet uitgesloten leek dat de behandeling in het
ziekenhuis heeft bijgedragen aan de verergering van de klachten van klaagster, terwijl
zij in het laatste advies van 18 februari 2021 tot de conclusie kwamen dat er in het
ziekenhuis geen sprake was geweest van objectiveerbaar onzorgvuldig medisch handelen.
Met deze laatste conclusie is klaagster het volstrekt niet eens.
5.9 Volgens de verzekeringsarts zijn de medische adviezen zorgvuldig en op juiste wijze opgesteld, en zijn op deskundige en zorgvuldige wijze conclusies getrokken. Hij verklaart de verschillen in de conclusies in de opvolgende versies van de adviezen als ‘voortschrijdend inzicht’. Bij de eerste versies van het advies in 2019 waren er nog meerdere vragen en adviseerden de verzekeringsartsen tot een expertise door een orthopedisch chirurg. Dit betrof dus nog geen definitieve conclusie. Nadat de verzekeringsartsen het rapport van de expertiseur en zijn antwoorden op de (nadien) door haar gestelde vragen hadden beoordeeld, en nadat zij de vragen en opmerkingen van klaagster hadden beoordeeld, leidde dit tot de uiteindelijke conclusie dat geen sprake was geweest van objectiveerbaar onzorgvuldig medisch handelen. De verzekeringsarts merkt bovendien op dat duidelijk in de latere adviezen is toegelicht waarom zij tot een andere conclusie kwamen dan in de eerdere adviezen.
5.10 Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts op zorgvuldige en deskundige wijze het medisch advies (mede) heeft opgesteld. De adviezen vermelden de feiten en omstandigheden en bevindingen waarop zij berusten, en geven blijk van een geschikte methode van onderzoek - namelijk het bestuderen van het medisch dossier van klaagster en het inschakelen van een expertiseur voor de specifieke vragen - om de vraag te beantwoorden of in het ziekenhuis sprake zou kunnen zijn geweest van verwijtbaar medisch handelen. De adviezen vermelden uitgebreid de bronnen die gebruikt zijn, en ook leggen de verzekeringsartsen gemotiveerd uit op welke wijze zij tot hun conclusies zijn gekomen. Hierbij betrekken zij de op- en aanmerkingen die door klaagster en haar gemachtigde steeds zijn aangevoerd. Ook hebben zij kritisch getoetst of het gevraagde en vervolgens aangeleverde expertiserapport aan de gestelde eisen voldeed. Gezien verweerders hoedanigheid van verzekeringsarts dient er verder in beginsel vanuit te worden gegaan dat hij de deskundigheid bezat een dergelijk medisch advies uit te brengen en het college is van oordeel dat er in dit geval geen redenen zijn van dit beginsel af te wijken.
5.11 Op grond van de overwegingen in 5.10 is het voor het college volstrekt navolgbaar hoe de verzekeringsarts tot zijn conclusies is gekomen. Het college oordeelt dan ook dat de verzekeringsarts in redelijkheid tot de conclusies heeft kunnen komen zoals die in de verschillende adviezen zijn geschreven. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 24 april 2026 door M.M. van ‘t Nedereind, voorzitter,
A.P. den Exter, lid-jurist, P. van Haren, E.G. van der Jagt en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.A.E. Veeren, secretaris.