ECLI:NL:TGZRAMS:2026:96 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8688

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:96
Datum uitspraak: 24-04-2026
Datum publicatie: 24-04-2026
Zaaknummer(s): A2025/8688
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Twee (AIOS) verzekeringsartsen verweerders in A2025/8787 en 8689) hebben medische adviezen opgesteld op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster. Klaagster was niet tevreden over deze adviezen en diende klachten in tegen het medisch adviesbureau. De rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster heeft vervolgens de verwerend verzekeringsarts gevraagd het onderzoek, met een nieuwe onderzoeksvraag, voort te zetten. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij hierbij onzorgvuldig heeft gehandeld en een onjuist medisch advies (in concept) heeft gegeven. Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts op zorgvuldige en deskundige wijze zijn medisch advies heeft opgesteld, en dat hij in redelijkheid tot zijn (deel)conclusie heeft kunnen komen.  

A2025/8688
Beslissing van 24 april 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 24 april 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C, wonende in B,


tegen


D,
verzekeringsarts,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam te Utrecht.


1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster is in december 2017 in een ziekenhuis behandeld, na een val waarbij zij een breuk in een wervel had opgelopen. Klaagster meent dat deze wervelbreuk in het ziekenhuis onzorgvuldig is behandeld. In verband met een aansprakelijkstelling doet zij een beroep op haar rechtsbijstandsverzekeraar, die een medisch adviesbureau in de arm neemt. Twee (AIOS) verzekeringsartsen (verweerders in zaken A2025/8687 en A2025/8689) hebben in 2019, 2020 en 2021 medische adviezen opgesteld op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster. Klaagster was niet tevreden over deze adviezen en diende klachten in tegen het medisch adviesbureau. De rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster heeft vervolgens de verwerend verzekeringsarts gevraagd het onderzoek, met een nieuwe onderzoeksvraag, voort te zetten. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij hierbij onzorgvuldig heeft gehandeld en een onjuist medisch advies (in concept) heeft gegeven.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 juli 2025 bij het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg Zwolle, en na overdracht aan het Regionaal Tuchtcollege voor
de Gezondheidszorg Amsterdam aldaar ontvangen op 18 juli 2025;
- de aanvullende klaagschriften met de bijlagen, ontvangen op 8 augustus 2025 en 22
augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de e-mail van de gemachtigde van klaagster van 28 november 2025, met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 9 december 2025;
- digitale documenten, te weten een medisch dossier en een elektronisch patiëntendossier
(EPD).

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.

2.3 De zaak is in raadkamer gezamenlijk, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken
tegen twee andere (AIOS) verzekeringsartsen (A2025/8687 en A2025/8689). Deze uitspraak
betreft alleen de arts met bovengenoemd zaaknummer.


3. Wat is er gebeurd?
3.1 In december 2017 is klaagster thuis gevallen, waarbij zij een wervelbreuk heeft
opgelopen. Hiervoor is zij in december 2017 in een ziekenhuis behandeld en geopereerd.

3.2 Klaagster is van mening dat in het ziekenhuis sprake is geweest van een
onzorgvuldige behandeling en heeft daarop een beroep gedaan op haar
rechtsbijstandsverzekeraar (hierna ook: de verzekeraar) in het kader van een
aansprakelijkstelling. De verzekeraar heeft op 18 juni 2018 aan het medisch adviesbureau
waar de verzekeringsarts werkzaam is, gevraagd een medisch advies uit te brengen over de
vraag of medisch gezien sprake geweest zou kunnen zijn van een verwijtbare fout in het
ziekenhuis. Twee collega’s van de verzekeringsarts (een AIOS verzekeringsgeneeskunde en
haar supervisor, verweerders in zaken A2025/8687 en A2025/8689) hebben in 2019, 2020
en 2021 medische adviezen uitgebracht, nadat zij onder meer een orthopedisch chirurg als
vakinhoudelijk deskundig expertiseur hadden geraadpleegd.

3.3 De conclusie van de twee collega’s van de verzekeringsarts in hun laatste definitieve
medisch advies van 18 februari 2021 luidde:
“Er is een uitgebreid en zorgvuldig expertiserapport opgesteld, waarbij de expertiseur tot de
conclusie komt dat er geen sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen in het
[ziekenhuis]. Cliënte en haar echtgenoot kunnen zich niet vinden in deze conclusie. Bij
nadere bestudering van hun op- en aanmerkingen en het volledige beschikbare dossier kom
ik tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van objectiveerbaar onzorgvuldig medisch
handelen.”


3.4 Klaagster en haar gemachtigde waren het niet eens met deze conclusie en hebben
hierop hun ontevredenheid over het expertiserapport en over het medisch advies geuit. Zij
stelden onder meer dat sprake was van een grote discrepantie tussen wat in het ziekenhuis
in het medisch dossier stond opgetekend en hetgeen daar daadwerkelijk gebeurd en
besproken was. Het ging daarbij met name om het moment waarop de klachten van
klaagster inzake doofheid van buik en lies in het medisch dossier waren opgetekend.
Vervolgens hebben klaagster en haar gemachtigde klachten ingediend tegen zowel hun
rechtsbijstandsverzekeraar, de expertiseur, de artsen uit het ziekenhuis als het medisch
adviesbureau. Met de verzekeraar is gebruik gemaakt van een geschillenregeling. Daarin is
in een juridische second opinion namens klaagster naar voren gebracht dat de verzekeraar
nog niet de conclusie uit het medisch advies had mogen volgen dat geen sprake was van
onzorgvuldig medisch handelen in het ziekenhuis. De verzekeraar heeft daarop het medisch
adviesbureau gevraagd verder onderzoek te verrichten. Omdat de klacht van klaagster (van
1 maart 2021) tegen het medisch adviesbureau het medisch advies van de twee collega’s
van de verzekeringsarts betrof, heeft de verzekeraar de verwerend verzekeringsarts verzocht
de medische advisering over te nemen.

3.5 De verzekeraar heeft de verzekeringsarts gevraagd of hij aanvullende vragen kon
formuleren die aan de geraadpleegde expertiseur zouden kunnen worden gesteld ter verdere
beoordeling van het beleid en handelen in het ziekenhuis, als uitgegaan zou worden van het
door klaagster beschreven feitencomplex. Nadat de verzekeringsarts op 24 augustus 2021
een aanvullende vraag had geformuleerd, en deze via de verzekeraar aan klaagster en haar
gemachtigde had voorgelegd, stuurden klaagster en haar gemachtigde op- en aanmerkingen
hierop. Zij waren het niet eens met de vraagstelling en met het feit dat dezelfde expertiseur
zou worden geraadpleegd. De verzekeringsarts heeft hierop op 19 oktober 2021 gereageerd
door zijn rol uit te leggen en klaagster te verzoeken informatie te verstrekken waarover hij
en de expertiseur mogelijk niet beschikten. Vervolgens heeft klaagster het volledige EPD
toegestuurd.

3.6 Nadat de verzekeringsarts het EPD had bestudeerd, concludeerde hij in een
conceptadvies van 8 november 2021 dat het EPD geen aanknopingspunten gaf voor nieuwe
medische feiten die niet eerder door de expertiseur waren meegewogen. Op 16 november
2021 heeft de verzekeringsarts een nieuwe versie van de aanvullende vraagstelling aan de
expertiseur opgesteld. Hij formuleerde de volgende hoofdvraag:
“Cliënte stelt helder dat de klachten van doofheid aan de buik en lies er op 18-12-2017
onverminderd waren en dit ten onrechte niet in het dossier is opgenomen.
Mijn verzoek is dan ook of u de volgende vraagstelling zou willen beantwoorden:
1. Kunt u aangeven hoe het beleid en beloop zouden zijn geweest als ervan wordt uitgegaan
dat de klachten van ‘doofheid in de lies en buik” er wel waren en aan de artsen
gecommuniceerd vanaf 14-12-2017 (in plaats van op 19-12-2017)?”

Daarnaast heeft de verzekeringsarts zeven vragen geformuleerd die klaagster graag
opgehelderd zou zien.

3.7 Klaagster en haar gemachtigde waren het niet eens met dit conceptadvies. Er heeft
hierover eind november 2021 enige correspondentie over en weer met de verzekeringsarts
plaatsgevonden, maar klaagster is uiteindelijk niet akkoord gegaan met het conceptadvies.
Ook was zij ontevreden over haar verzekeraar, omdat deze opnieuw hetzelfde medisch
adviesbureau en dezelfde expertiseur had ingeschakeld. Dit resulteerde er uiteindelijk in dat
klaagster en haar gemachtigde in januari 2022 akkoord zijn gegaan met een afkoopbedrag
dat hun verzekeraar hen bood.

3.8 Hierdoor zijn de vragen die de verzekeringsdeskundige had geformuleerd uiteindelijk
niet meer ter beoordeling aan de expertiseur voorgelegd. Er is geen definitief medisch advies
meer verschenen.


4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
4.1 Klaagster verwijt de verzekeringsarts – en dat heeft zij in het mondeling
vooronderzoek bevestigd – dat hij:
a) bij het opstellen van het medisch advies gebruik heeft gemaakt van een frauduleus
medisch dossier en daarbij ook zelf feiten heeft verdraaid;
b) een onjuist medisch advies heeft gegeven. Op basis van de stukken in het medisch
dossier had de verzekeringsarts moeten concluderen dat in het ziekenhuis sprake was
geweest van verwijtbaar medisch handelen.

4.2 De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de verzekeringsarts heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Het college stelt hierbij voorop dat het
de taak van een medisch adviseur is om een medisch advies op te stellen, op grond van de
vraag die hieraan ten grondslag ligt.

Bij de beoordeling van de vraag of een advies van een arts voldoet aan de daaraan te stellen
eisen dienen volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de
Gezondheidszorg de volgende criteria, die gelden voor deskundigenrapporten, in aanmerking
te worden genomen:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het
berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de
voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de
gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid
en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan.
De conclusie van de rapportage toetst het college terughoudend dat wil zeggen dat
beoordeeld wordt of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
Daarbij overweegt het Centraal Tuchtcollege dat een medisch advies beperkter is van opzet,
strekking en inhoud dan een deskundigenrapport. Dit neemt niet weg dat de hiervoor
genoemde criteria geschikt zijn als toetsingskader, omdat deze criteria, afhankelijk van de
aard en omvang van de te toetsen adviezen, meer of minder stringent kunnen worden
ingevuld.

5.2 Het college benadrukt dat het op grond van bovenstaande criteria dus niet tot taak
heeft om de uitkomst van een advies te beoordelen. Het college beoordeelt alleen of de
verzekeringsarts zijn advies zorgvuldig tot stand heeft gebracht en of hij in redelijkheid tot
zijn conclusies heeft kunnen komen. De rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster had de
verzekeringsarts gevraagd aanvullende vragen te formuleren voor de expertiseur die eerder
ook al ingeschakeld was geweest, in het kader van een haalbaarheidsonderzoek naar een
eventuele aansprakelijkstelling tegen het ziekenhuis waarin klaagster was behandeld voor
haar wervelbreuk. De verzekeringsarts had tot taak deze aanvullende vragen aan de
expertiseur te stellen en met diens antwoorden de vraag of er medische fouten zouden
kunnen zijn gemaakt door de artsen in het ziekenhuis, beargumenteerd te beantwoorden.
Zover is het echter niet gekomen doordat klaagster een afkoopsom van haar verzekeraar
accepteerde. Daarom liggen slechts de conceptadviezen van de verzekeringsarts, met de
aanvullende vragen aan de expertiseur, ter beoordeling voor aan het college.

5.3 Het college oordeelt dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts op zorgvuldige en deskundige
wijze zijn medisch advies in concept heeft opgesteld, en dat hij in redelijkheid tot zijn
(deel)conclusie heeft kunnen komen. Het college licht dit hieronder toe.

Klachtonderdeel a) en b) gezamenlijk besproken: gebruik frauduleus medisch dossier,
verdraaiing van feiten, onjuist medisch advies en onjuiste conclusie.

5.4 Klaagster stelt onder meer dat er in het ziekenhuis in haar medisch dossier ten
onrechte niet was opgenomen dat de klachten van doofheid aan haar buik en lies er op 18
december 2017 onverminderd waren, en dat de verzekeringsarts uitgaat van deze verkeerde
voorstelling van zaken vanuit het medisch dossier. In het EPD staat vermeld dat deze
doofheidsklachten al op 14 december 2017 aanwezig waren, maar de verzekeringsarts
ontkent dat en komt tot de conclusie dat er geen discrepantie is tussen medisch dossier en
EPD, volgens klaagster.

5.5 De verzekeringsarts heeft aangevoerd dat hij in beginsel uit mag gaan van de
juistheid en betrouwbaarheid van een medisch dossier, tenzij er concrete aanwijzingen
bestaan van het tegendeel. Van dit laatste was geen sprake volgens de verzekeringsarts.
Vervolgens heeft de verzekeringsarts het EPD van klaagster bestudeerd. Hierbij was het niet
zijn taak het hele medisch dossier van klaagster door te nemen, maar om een vergelijking te
maken van de informatie uit het EPD en de informatie uit het andere dossier waarover het
medisch adviesbureau beschikte voor het eerdere advies (van de andere twee
verzekeringsartsen). Hij heeft zich hierbij gefocust op de periode van 14 december 2017 tot
en met 20 december 2017. Op basis van de vergelijking tussen de nieuwe aanvullende
informatie (uit het EPD) en de eerder beschikbare informatie kon hij niet vaststellen dat er
een verschil in documentatie was of dat er in het EPD wel zou staan dat al op 14 december
2017 sprake was van de klachten die klaagster noemt. Ook is de verzekeringsarts van
mening dat hij veel tijd en aandacht heeft besteed aan de opmerkingen van (de gemachtigde
van) klaagster op zijn eerste conceptadvies en aan het bestuderen van de informatie uit het
door de gemachtigde van klaagster verstrekte EPD, en dat hij dit alles heeft verwerkt in zijn
conceptadvies met de aanvullende vragen voor de expertiseur.

5.6 Het is vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg dat
zorgverleners, maar ook het college zelf, mogen vertrouwen op de juistheid en
betrouwbaarheid van een medisch dossier, tenzij er redenen zijn om aan de juistheid
daarvan te twijfelen. Uit de stukken blijkt echter niet dat sprake is van een ‘frauduleus
dossier’. Het college is daarom van oordeel dat de verzekeringsarts zich in beginsel op de
juistheid en betrouwbaarheid van het medisch dossier mocht baseren. Ook is het college
niets van door de verzekeringsarts verdraaide feiten gebleken. Het college is daarom van
oordeel dat klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond is.

5.7 De verzekeringsarts heeft verder naar het oordeel van het college voldoende
duidelijk gemaakt dat hij het EPD en het medisch dossier uitgebreid heeft vergeleken inzake
de door klaagster veronderstelde discrepantie. Het college is van oordeel dat de
verzekeringsarts in zijn conceptadvies van 8 november 2017 uitgebreid en duidelijk heeft
beargumenteerd hoe hij tot het oordeel is gekomen dat er geen discrepantie is tussen de
twee verschillende dossiers. De verzekeringsarts heeft daarbij meer waarde gehecht aan de
vermelding in het dossier van de datum waarop de doofheid in de liezen is genoteerd, dan
aan de vermelding van die bevinding in een later opgestelde brief aan de
rechtsbijstandverzekeraar. Gelet op de taak en opdracht van de medisch adviseur in deze
zaak acht het college die beoordeling niet onjuist.

5.8 Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts op zorgvuldige en deskundige
wijze zijn medisch advies (in concept) heeft opgesteld. Zijn adviezen vermelden de feiten en
omstandigheden en bevindingen waarop zij berusten, en geven blijk van een geschikte
methode van onderzoek - namelijk het bestuderen van het medisch dossier en het EPD van
klaagster - om relevante vragen voor de expertiseur te formuleren. De adviezen vermelden
de bronnen die gebruikt zijn, en ook legt de verzekeringsarts gemotiveerd uit op welke wijze
hij tot zijn (deel)conclusie is gekomen. Hierbij betrekt hij de op- en aanmerkingen die door
klaagster en haar gemachtigde steeds zijn aangevoerd. Gezien verweerders hoedanigheid
van verzekeringsarts dient er verder in beginsel vanuit te worden gegaan dat hij de
deskundigheid bezit een dergelijk medisch advies uit te brengen en het college is van oordeel
dat er in dit geval geen redenen zijn van dit beginsel af te wijken.

5.9 Op grond van de overwegingen in 5.7 en 5.8 is het voor het college volstrekt
navolgbaar hoe de verzekeringsarts tot zijn vragen aan de expertiseur en zijn (deel)conclusie
is gekomen. Het college oordeelt dan ook dat de verzekeringsarts in redelijkheid tot de
conclusie en vragen heeft kunnen komen zoals hij die in zijn verschillende conceptadviezen
heeft geschreven. Daarom is ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.


6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 24 april 2026 door M.M. van ‘t Nedereind, voorzitter, A.P. den
Exter, lid-jurist, P. van Haren, E.G. van der Jagt en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.A.E. Veeren, secretaris.