ECLI:NL:TGZRAMS:2026:94 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9332
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:94 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-04-2026 |
| Datum publicatie: | 22-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9332 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht. |
A2025/9332
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 22 april 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
gemachtigde: C, moeder van klager
tegen
D,
huisarts,
werkzaam in Amsterdam, verweerster, hierna ook: de huisarts
gemachtigde: mr. C. van den Ham, werkzaam in Utrecht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 27 november 2025;
- de ondertekende brief van klager waarin hij zijn moeder machtigt om hem tijdens
de
tuchtprocedure te vertegenwoordigen;
- het verweerschrift met de bijlagen, met daarin een niet-ontvankelijkheidsverweer;
- de schriftelijke reactie van de bewindvoerder en mentor van klager, ontvangen
op 6 maart 2026.
2. De feiten
2.1 De moeder van klager heeft namens klager een klacht ingediend tegen de huisarts.
Namens
klager is aangevoerd dat de klachten van klager zijn verergerd door het uitblijven
van
specialistische doorverwijzing, dat de doorverwijzing van klager naar E onjuist
en schadelijk is
geweest en dat de huisarts jegens klager haar zorgplicht heeft geschonden en nalatig
is geweest.
2.2 De voorzitter is van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de
klacht.
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen
en dat
duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk besproken hoeft te worden. Voor die
beslissing is
het volgende van belang.
2.3 In artikel 65 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet
BIG) is bepaald dat een tuchtklacht aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks
belanghebbende. Een rechtstreeks belanghebbende is in de eerste plaats de patiënt(e)
van een aan
tuchtrechtspraak onderworpen beroepsbeoefenaar die een klacht heeft over zijn of
haar behandeling.
Uit het verweerschrift kan worden afgeleid dat klager een mentor/bewindvoerder (hierna:
mentor)
heeft. In geval van mentorschap kan ook de mentor een klacht indienen, maar daarbij
geldt op grond
van artikel 1:454 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als uitgangspunt dat de mentor
bevordert dat de
betrokkene rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien deze tot
een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden geacht.
2.4 Gelet hierop, en het belang van het klachtrecht in ogenschouw genomen, is de
voorzitter van
oordeel dat een patiënt(e) die een mentor heeft zonder toestemming van die mentor
– al dan via een
gemachtigde – een tuchtklacht kan indienen, tenzij aannemelijk is dat de patiënt(e)
ter zake van
het al of niet indienen van die klacht wilsonbekwaam is.
2.5 De vooronderzoeker heeft contact opgenomen met de mentor van klager. De mentor
heeft
verklaard dat klager ten tijde van de door de moeder van klager ingediende tuchtklacht
onder diens
bewindvoering en mentorschap stond. Daarbij heeft de mentor de meest recente beschikkingen
waaruit
het mentor- en bewindvoerderschap blijkt overgelegd. In de begeleidende brief heeft
de mentor
verklaard dat hij niet instemt met de tuchtklacht tegen de huisarts. De mentor heeft
verklaard dat
de rechtbank in één van de uitspraken waarin de beschikking is overgelegd – na een
verzoek op de
door de moeder van klager ingediend verzoek om haar te benoemen tot bewindvoerder
en mentor – heeft
geoordeeld dat het niet in het belang van klager is als zijn moeder zijn belangen
zou gaan
behartigen.
2.6 De voorzitter is van oordeel dat klagers mentor aannemelijk heeft gemaakt dat
klager terzake
van het indienen van de klacht wilsonbekwaam is. Nu er reeds een verklaring van
de mentor van
klager ligt ten aanzien van de wilsonbekwaamheid van klager, is het (inhoudelijk)
standpunt van de
aangeklaagde huisarts niet meer vereist. De wilsonbekwaamheid van klager ten aanzien
van het
indienen van een klacht blijkt volgens de voorzitter overigens ook voldoende uit
het ingediende
verweerschrift en de bijbehorende stukken.
2.7 Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk
is
in de klacht.
3. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven op 22 april 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door C.I.M. de Haan, secretaris.