ECLI:NL:TGZRAMS:2026:93 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9756
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:93 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-04-2026 |
| Datum publicatie: | 14-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9756 |
| Onderwerp: | Onzorgvuldige dossiervorming |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Het tuchtrecht is niet bedoeld om mogelijke onjuistheden in een medisch dossier van een dermate licht gewicht aan de orde te stellen. De klacht is kennelijk van onvoldoende gewicht. |
A2026/9756
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 14 april 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B, klager,
tegen
C,
verpleegkundige
hierna: verweerder.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 november 2025;
- de brief van de secretaris van het college, van 9 december 2015;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;
- de brief van de secretaris van het college, van 14 januari 2026;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026.
2. De overwegingen
2.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen tien zorgverleners die ieder in een
bepaalde mate
betrokken zijn geweest bij klager in de periode dat hij verbleef in een gespecialiseerde
GGZ-instelling. Ook heeft hij een klacht ingediend tegen de advocaat en de vertegenwoordiger
van de
GGZ-instelling die betrokken waren bij de zitting waarin de voortzetting van de
crisismaatregel is
behandeld.
2.2 Klager is van mening dat er sprake is van structurele feitelijke onjuistheden
in zijn
dossier, diagnostische conclusies zonder objectieve onderbouwing, onvolledige informatievoorziening
aan de rechter, onvoldoende rechtsbijstand en het niet naleven van zijn signaleringsplan.
2.3 De voorzitter moet per klacht beoordelen of klager in zijn klacht kan worden
ontvangen.
Daarbij is van belang dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun eigen
handelen.
2.4 De voorzitter is van oordeel dat de klacht tegen verweerster van onvoldoende
gewicht is.
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen
en dat duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor
die beslissing is het volgende van belang.
2.5 Een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde eisen.
Zo moet uit het
klaagschrift voldoende duidelijk blijken op welk handelen of nalaten de klacht betrekking
heeft en
welke zorgverlener(s) daar volgens klager verantwoordelijk voor is/zijn.
2.6 Omdat het klaagschrift niet aan die eisen voldeed heeft de secretaris van het
college klager
bij brief van 9 december 2025 klager verzocht om zijn klacht aan te vullen. Daarbij
heeft de
secretaris concreet aangegeven welke informatie zij van klager wenste te ontvangen.
Klager heeft op
9 januari 2026 een aanvulling op zijn klacht ingediend. Deze aanvulling gaf echter
geen antwoord op
de gestelde vragen. Bij brief van 14 januari 2026 heeft de secretaris daarom klager
nogmaals
uitgelegd welke informatie zij van klager wenste te ontvangen. Ook heeft de secretaris
op 13
februari 2026 telefonisch contact gehad met klager. Op 16 februari 2026 heeft klager
een tweede
aanvulling op zijn klacht ingediend. In deze aanvulling schrijft klager (onder andere)
dat hij een
verwijt heeft jegens verweerster.
2.7 Ten aanzien van verweerster schrijft klager dat zijn verwijt is:
“07-06-2023
Klacht tegen: B en [naam andere zorgverlener]
In het dossier wordt gesteld dat ik mijn kind drie keer per week zag. Dit is feitelijk
onjuist.
Daarnaast wordt niet vermeld dat ik in de laatste week van de opname niet aanwezig
was en
uitsluitend ben verschenen voor het ontslaggesprek
Het dossier bevat meerdere controleerbare onjuistheden die het beeld van mijn situatie
vertekenen.”
2.8 Klager heeft bij zijn initiële klaagschrift vele tientallen pagina’s aan bijlagen
gevoegd. In
deze bijlagen zit een verslag van een consult verricht door verweerster en haar
collega op 7 juni
2023. Het college begrijpt dat klager voor zijn verwijt jegens verweerster dit document
bedoelt met
‘het dossier’. Dat in het verslag van het consult van 7 juni 2023 niet staat vermeld
dat klager de
laatste week van de opname niet aanwezig was en uitsluitend is verschenen voor het
ontslaggesprek
kan zo zijn, maar zonder nadere toelichting van klager
- die ontbreekt - ziet de voorzitter niet in waarom dit tuchtrechtelijk verwijtbaar
is. Het verwijt
dat de verslaglegging meerdere controleerbare onjuistheden bevat is een te algemeen
verwijt; dit
maakt onvoldoende duidelijk wat klager verweerster precies verwijt.
2.9 Dat klager zijn dochter drie keer in de week ziet is in de verslaglegging van
7 juni 2023
vermeld onder “speciële anamnese” en onder “sociale anamnese”. Het feit dat deze
informatie is
opgenomen onder de anamnese impliceert dat klager zelf deze informatie met verweerster
heeft
gedeeld. Volgens klager is deze informatie echter onjuist. Ook in het geval dat
deze informatie
inderdaad niet zou kloppen, is dat naar het oordeel van de voorzitter echter niet
van dien aard dat dit een tuchtrechtelijk verwijt rechtvaardigt. Niet gesteld of gebleken
is dat deze informatie voor de verdere behandeling van klager van belang is geweest.
De doelen van het tuchtrecht zijn het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de
individuele gezondheidszorg en de bescherming van de patiënt tegen ondeskundig en
onzorgvuldig handelen van
zorgverleners. Het tuchtrecht is niet bedoeld om mogelijke onjuistheden in een medisch
dossier van
een dermate licht gewicht aan de orde te stellen.
2.10 Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de klacht kennelijk
van onvoldoende
gewicht is.
3. De beslissing
De klacht is kennelijk van onvoldoende gewicht.
Deze beslissing is gegeven op 14 april 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.