ECLI:NL:TGZRAMS:2026:92 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9755
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:92 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-04-2026 |
| Datum publicatie: | 14-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/9755 |
| Onderwerp: | Onzorgvuldige dossiervorming |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Het klaagschrift en de ter onderbouwing bijgevoegde bijlagen geven de voorzitter geen aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Kennelijk ongegrond. |
A2026/9755
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 14 april 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B, klager,
tegen
C,
arts
hierna: verweerster.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 november 2025;
- de brief van de secretaris van het college, van 9 december 2015;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;
- de brief van de secretaris van het college, van 14 januari 2026;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026.
2. De overwegingen
2.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen tien zorgverleners die ieder in een
bepaalde mate
betrokken zijn geweest bij klager in de periode dat hij verbleef in een gespecialiseerde
GGZ-instelling. Ook heeft hij een klacht ingediend tegen de advocaat en de vertegenwoordiger
van de
GGZ-instelling die betrokken waren bij de zitting waarin de voortzetting van de
crisismaatregel is
behandeld.
2.2 Klager is van mening dat er sprake is van structurele feitelijke onjuistheden
in zijn
dossier, diagnostische conclusies zonder objectieve onderbouwing, onvolledige informatievoorziening
aan de rechter, onvoldoende rechtsbijstand en het niet naleven van zijn signaleringsplan.
2.3 De voorzitter moet per klacht beoordelen of klager in zijn klacht kan worden
ontvangen.
Daarbij is van belang dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun eigen
handelen.
2.4 De voorzitter is van oordeel dat de klacht tegen verweerster kennelijk ongegrond
is.
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen
en dat duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor
die beslissing is het volgende van belang.
2.5 Een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde eisen.
Zo moet uit het
klaagschrift voldoende duidelijk blijken op welk handelen of nalaten de klacht betrekking
heeft en
welke zorgverlener(s) daar volgens klager verantwoordelijk voor is/zijn.
2.6 Omdat het klaagschrift niet aan die eisen voldeed heeft de secretaris van het
college klager
bij brief van 9 december 2025 klager verzocht om zijn klacht aan te vullen. Daarbij
heeft de
secretaris concreet aangegeven welke informatie zij van klager wenste te ontvangen.
Klager heeft op
9 januari 2026 een aanvulling op zijn klacht ingediend. Deze aanvulling gaf echter
geen antwoord op
de gestelde vragen. Bij brief van 14 januari 2026 heeft de secretaris daarom klager
nogmaals
uitgelegd welke informatie zij van klager wenste te ontvangen. Ook heeft de secretaris
op 13
februari 2026 telefonisch contact gehad met klager. Op 16 februari 2026 heeft klager
een tweede
aanvulling op zijn klacht ingediend. In deze aanvulling schrijft klager (onder andere)
dat hij een
verwijt heeft jegens verweerster.
2.7 Ten aanzien van verweerster schrijft klager dat zijn verwijt is:
“14-05-2023
Klacht tegen: C en [naam andere zorgverlener]
Er wordt gesteld dat ik 1,5 km heb gelopen. In werkelijkheid ben ik in paniek naar
de politie
gerend rond 03:00 uur, via een donker park.
Bij D is mij meegedeeld dat ik alleen kon slapen indien ik medicatie innam. Ik heb
ingestemd onder
voorwaarde van verblijf op een open afdeling. Desondanks ben ik op een gesloten
afdeling geplaatst
en tegen mijn wil vastgehouden.
Tijdens de rechtszitting is wederom een onvolledig en contextloos beeld geschetst.”
2.8 Klager heeft bij zijn initiële klaagschrift vele tientallen pagina’s aan bijlagen
gevoegd. In
deze bijlagen zit een verslag van een beoordeling op 14 mei 2023 van verweerster
en een collega. In
de verslaglegging van deze beoordeling staat vermeld:
“aanmeldingsinformatie
pt is in zijn onderbroek 1,5 km over straat naar een
politiebureau gelopen. Politie vond hem verward en hebben ambulance gebeld. Na kort
gesprek wilde
ze patiënt thuis brengen maar eenmaal thuis bij zijn moeder kreeg hij een paniek
aanval, en durft
niet thuis te blijven. Ambulance komt hem brengen voor beoordeling.
(...)
Gewenste interventie
opname, vrijwillig
(...)
beleid (…)
- Initieel gaat patiënt akkoord met een vrijwillige opname op de TOA en
olanzapine 10mg en lorazepam 2.5mg
- wanneer we medicatie en LO aanbieden geeft patiënt aan eerst zijn ex-partner en
dochter te willen
bezoeken, nadien zal hij zich melden voor opname.
(…)
- wanneer patiënt zich meldt, opnieuw beoordelen en opname overwegen.”
2.9 Uit de verslaglegging van 14 mei 2023 volgt dat het op dat moment ging om de
beoordeling van
een vrijwillige opname, en dat klager uiteindelijk besloot om weg te gaan wat door
verweerster en
haar collega ook is toegelaten. Het verwijt van klager over het tegen zijn wil vasthouden
op een
gesloten afdeling en het tijdens de rechtszitting schetsen van een onvolledig beeld
kan de
voorzitter dan ook niet plaatsen in de context van het contact met verweerster op
14 mei 2023 waar
klager naar verwijst. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat daar op 14 mei
2023 in het gesprek
met verweerster sprake van was.
2.10 Verder stelt klager dat hij in paniek naar de politie is gerend om drie uur
in de ochtend via
een donker park. Voor zover klager hiermee verweerster verwijt dat haar verslaglegging
op dit punt
onvolledig of onjuist is dan deelt de voorzitter dit niet. Uit het verslag volgt
duidelijk dat de
aanleiding voor de beoordeling van de vrijwillige opname was dat klager zelfstandig
en in een staat
van ontreddering naar het politiebureau is gegaan.
2.11 Het klaagschrift en de ter onderbouwing bijgevoegde bijlagen geven de voorzitter
geen
aanknopingspunten om te oordelen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. De
voorzitter is van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is.
3. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 14 april 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.