ECLI:NL:TGZRAMS:2026:9 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8665
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:9 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-01-2026 |
| Datum publicatie: | 13-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8665 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een arts deels kennelijk niet ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond. Klager verwijt de arts dat hij meerdere malen is opgenomen zonder psychische diagnose en dat zijn klachten over de dwangmedicatie zijn weggewimpeld. Klager is in de klacht over de onterechte opname niet ontvankelijk omdat dit klachtonderdeel onvoldoende concreet is. De overige klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. Uit het dossier bleek dat er voldoende aandacht was voor de klachten die klager ervoer door de medicatie. |
A2025/8665
Beslissing van 13 januari 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 13 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
arts,
destijds werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. D, werkzaam te B.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is opgenomen geweest in de ggz-instelling waar de arts tijdelijk werkzaam
was als huisarts in opleiding. Klager verwijt de arts dat hij meerdere malen opgenomen
is geweest zonder psychische diagnose. Ook stelt hij schade te hebben ondervonden
van onder dwang opgelegde medicatie, waarbij zijn klachten door de arts zijn weggewimpeld.
Tot slot verwijt klager de arts dat zij kritiekloos het beleid van haar supervisor
volgde en daarmee actief heeft bijgedragen aan diens schadelijke beleid. De arts voert
verweer.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht over de onterechte opnames omdat dit klachtonderdeel jegens de arts onvoldoende concreet is. De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 27 juni 2025;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager werd op 6 maart 2025, onder een lopende zorgmachtiging, opgenomen in
de kliniek waar verweerster van maart tot en met mei 2025 als huisarts in opleiding
werkzaam was.
3.2 De arts heeft klager voor het eerst gezien op 10 maart 2025, samen met de psychiater onder wiens supervisie de arts werkte, en de ambulant psychiater. Tegen de psychiater heeft klager ook een klacht ingediend (A2025/8664).
3.3 Na een tweede gesprek op 11 maart 2025 tussen klager en de arts is in overleg met de psychiater besloten om die middag over te gaan op dwangmedicatie.
3.4 Op 18, 19, 25 en 26 maart 2025 sprak de arts dan wel de psychiater met klager. Klager had vragen over de medicatie en gaf aan dat hij de medicatie niet wilde ontvangen. Op 26 maart 2025 heeft de psychiater in het medisch dossier genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
(…) In antwoorden opnieuw uitleg gegeven over diagnose schizofrenie, noodzaak van
medicatie, dat we het kunnen hebben over bijwerkingen, keuze van het middel en dosering.
Dat hij nu een lager depot heeft gehad (Zypadhera 405 per 4 weken) dan de vorige (Zypadhera
300 mg per 2 weken), dus dat hopelijk de bijwerkingen weer afnemen. Hij heeft last
van soms niet uit zijn woorden kunnen komen, noemt dat stuiptrekkingen, en concentratieproblemen
en moeheid en gevoel tijdens het lopen dat zijn ene been gaat slapen. Die klachten
van been en stuiptrekkingen had hij in december na 405 mg depot niet. Uitgelegd dat
dus hopelijk die bijwerkingen weer wegzakken, omdat de hoeveelheid medicijn in zijn
bloed nu aan het afnemen is’. (…)
3.5 In een gesprek op 24 april 2025 met de arts heeft klager benoemd dat hij last had van tintelingen in zijn rechterbeen. De arts heeft hierover genoteerd:
(…) De tintelingen worden gevoeld in het hele been, volgen geen dermatoom. Geen beweegdrang.
De motoriek is niet gestoord. De enkels en onderbenen zijn slank symmetrisch van vorm
en kleur en temp. Patiënt kan goed plassen, ontlasting ook zonder problemen. Hij kan
staand met de vingertoppen naar de vloer zonder verergering van klachten.
Arts heeft later 2 collega’s geraadpleegd (…) die geen van beiden dit symptoom kennen
als bijwerking na Olanzapine depot. Zij hebben geen tips behalve afwachtend beleid.”
3.6 Op 15 mei 2025 zag de arts klager opnieuw en gaf klager wederom aan last te hebben van zijn rechterbeen, volgens hem veroorzaakt door het depot. De arts heeft de klachten uitgevraagd en klager uitgenodigd voor een lichamelijk onderzoek dat op 19 mei 2025 plaatsvond. Bij dit lichamelijk onderzoek vond de arts geen afwijkingen. Klager gaf op dat moment ook aan geen klachten te hebben.
3.7 Ook op 26 mei 2025 heeft de arts klager lichamelijk onderzocht nadat hij aangaf weer klachten te hebben aan het rechterbeen na het ontvangen van het depot. Wederom werden er geen afwijkingen gezien.
3.8 Vanaf 1 juni 2025 was de arts niet meer werkzaam binnen de ggz-instelling en dus niet meer betrokken bij de zorg voor klager.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat:
a) hij achtmaal onterecht opgenomen is geweest zonder psychische diagnose;
b) hij ernstige schade heeft opgelopen door opgelegde medicatie, waarbij de arts
zijn klachten heeft weggewimpeld;
c) de arts kritiekloos het beleid van haar supervisor heeft gevolgd en daarmee heeft
bijgedragen aan diens schadelijke beleid.
4.1 De arts heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren in klachtonderdeel a) en dat klachtonderdeel dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het overige heeft de arts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.2 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5 De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Klachtonderdeel a) opgesloten zonder psychische diagnose
5.2 Klager stelt dat hij ‘onder verantwoordelijkheid van diverse zorgverleners binnen
de ggz-instelling’ inmiddels acht keer onterecht en gedwongen is opgenomen. Telkens
onder de kwalificatie van een vermeend psychotisch toestandsbeeld dat nooit met objectieve
medische gronden is onderbouwd, aldus klager.
5.3 Klager heeft hiermee geen duidelijke omschrijving gegeven van het handelen of nalaten van de arts waarop zijn klacht betrekking heeft. Per brief van 22 juli 2025 heeft de secretaris klager gevraagd zijn klacht te verduidelijken en hem gevraagd te laten weten wat precies de klacht is die hij heeft over de arts, wat er is gebeurd en wanneer dit is gebeurd. Uit de aanvulling van de klacht die klager vervolgens heeft ingediend volgt geen concretisering van het verwijt jegens de arts over de meerdere onterechte opnames.
5.4 Het is dus niet duidelijk wat de arts wat betreft dit klachtonderdeel wordt verweten. Dit betekent dat de klacht voor wat betreft dit onderdeel niet voldoet aan de daaraan in de wet gestelde eisen volgend uit artikel 65 lid 2 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en artikel 4 lid 1 van het Tuchtrechtbesluit BIG.
5.5 Klager is daarom niet ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel a.
Klachtonderdeel b) bijwerkingen medicatie
5.6 Klager stelt dat hij verschillende bijwerkingen heeft ondervonden van de gedwongen medicatie. Klager noemt onder andere aanhoudende vermoeidheid, cognitieve achteruitgang en seksuele functiestoornissen. Volgens klager heeft hij dit herhaaldelijk gemeld bij de arts, maar werden zijn klachten weggewimpeld.
5.7 Het college stelt vast, onder verwijzing naar de weergave van de feiten onder 3.4 tot en met 3.7 dat uit het door de arts overgelegde medisch dossier blijkt dat er wel degelijk aandacht is geweest voor de klachten die klager ervoer door de medicatie. Er is zowel door de arts (onder supervisie van de psychiater) als door de psychiater met klager over gesproken en klager is tweemaal door de arts onderzocht. Dit neemt niet weg dat de klachten van klager onverminderd aanwezig bleven, en dat is uiteraard zeer vervelend voor klager. Dat de arts de klachten van klager zou hebben weggewimpeld blijkt echter nergens uit, en deze klacht is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel c) kritiekloos het beleid van supervisor volgen
5.8 Klager stelt dat de arts kritiekloos het beleid van de psychiater heeft gevolgd
en daarmee actief heeft bijgedragen aan diens schadelijke beleid.
5.9 Het college overweegt dat het in beginsel gebruikelijk en zorgvuldig is voor een arts in opleiding om het beleid en het advies van een supervisor te volgen. Dat er sprake was een schadelijk beleid van de psychiater (dat door de arts in opleiding ter discussie had moeten worden gesteld) is overigens ook niet gebleken.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel
a) en de klachtonderdelen b) en c) ongegrond zijn.
6 De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel a en de klacht
is voor het overige kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 13 januari 2026 door W.A.H. Melissen, voorzitter, A.C.M. Kleinsman en A.E. van ‘t Hoog, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.