ECLI:NL:TGZRAMS:2026:88 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9751

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:88
Datum uitspraak: 14-04-2026
Datum publicatie: 14-04-2026
Zaaknummer(s): A2025/9751
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. In de door klager overgelegde stukken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het handelen dat klager verweerder verwijt. De klacht is kennelijk ongegrond.

A2026/9751

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Voorzittersbeslissing van 14 april 2026 naar aanleiding van de klacht van:

A,
wonende te B, klager,

tegen

C,
huisarts
hierna: verweerder.

1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 november 2025;
-  de brief van de secretaris van het college, van 9 december 2015;
-  het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;
-  de brief van de secretaris van het college, van 14 januari 2026;
-  het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026.

2. De overwegingen
2.1   Klager heeft een klacht ingediend tegen tien zorgverleners die ieder in een bepaalde mate 
betrokken zijn geweest bij klager in de periode dat hij verbleef in een gespecialiseerde 
GGZ-instelling. Ook heeft hij een klacht ingediend tegen de advocaat en de vertegenwoordiger van de 
GGZ-instelling die betrokken waren bij de zitting waarin de voortzetting van de crisismaatregel is 
behandeld.

2.2   Klager is van mening dat er sprake is van structurele feitelijke onjuistheden in zijn 
dossier, diagnostische conclusies zonder objectieve onderbouwing, onvolledige informatievoorziening 
aan de rechter, onvoldoende rechtsbijstand en het niet naleven van zijn signaleringsplan.

2.3   De voorzitter moet per klacht beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. 
Daarbij is van belang dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.

2.4   De voorzitter is van oordeel dat de klacht tegen verweerder kennelijk ongegrond is. 
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat 
duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor die beslissing is het 
volgende van belang.

2.5   Een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde eisen. Zo moet uit het 
klaagschrift voldoende duidelijk blijken op welk handelen of nalaten de klacht betrekking heeft en 
welke zorgverlener(s) daar volgens klager verantwoordelijk voor is/zijn.

2.6   Omdat het klaagschrift niet aan die eisen voldeed heeft de secretaris van het college klager 
bij brief van 9 december 2025 klager verzocht om zijn klacht aan te vullen. Daarbij heeft de 
secretaris concreet aangegeven welke informatie zij van klager wenste te ontvangen. Klager heeft op 
9 januari 2026 een aanvulling op zijn klacht ingediend. Deze aanvulling gaf echter geen antwoord op 
de gestelde vragen. Bij brief van 14 januari 2026 heeft de secretaris daarom klager nogmaals 
uitgelegd welke informatie zij van klager wenste te ontvangen. Ook heeft de secretaris op 13 
februari 2026 telefonisch contact gehad met klager. Op 16 februari 2026 heeft klager een tweede 
aanvulling op zijn klacht ingediend. In deze aanvulling schrijft klager (onder andere) dat hij een 
verwijt heeft jegens verweerder.

2.7   Klager verwijt verweerder dat hij op 14 mei 2023 zou hebben gesuggereerd dat bij klager 
mogelijk sprake is van manie, zonder deze diagnose feitelijk te onderbouwen.

2.8   In de stukken die klager bij zijn klaagschrift heeft bijgevoegd zit een brief van 14 mei 2023 
van de behandelaren van klager van D, gericht aan verweerder. In deze brief staat vermeld:

“Het betreft een 35-jarige man, die zichzelf gisteravond zelf had gemeld voor psychiatrische 
beoordeling. Gezien werd een beginnende psychotische decompensatie met manische kenmerken, in het 
kader van een bekende schizo-affectieve stoornis, geluxeerd door recente life-events waaronder het 
krijgen van een baby, een verhuizing en een intensieve baan. Nu op de crisisdienst herbeoordeling, 
nadat het enige tijd vergde om patiënt te bewegen langs te komen. Gezien werd een man met manische 
kenmerken en onderliggende (paranoïde) psychotische ideeën. (…) Concluderend beginnende manie en 
psychotische component, wat ons gezien verleden zorgen baart.”

2.9   Nu klager zijn klacht niet verder heeft toegelicht gaat de voorzitter ervan uit dat klager 
deze berichtgeving bedoelt met zijn verwijt dat door verweerder op 14 mei 2023 gesuggereerd zou 
zijn dat bij hem mogelijk sprake is van manie. De betreffende brief is echter niet afkomstig van 
verweerder, maar van klagers behandelaren die de brief aan verweerder hebben gericht. Het gaat dus 
niet, zoals klager stelt, om een diagnose die door verweerder is gesteld. In de door klager 
overgelegde stukken zijn ook verder geen aanknopingspunten te vinden voor het handelen dat klager 
verweerder verwijt. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen dat verweerder de door klager gestelde handelingen zou hebben verricht.

2.10  Dit betekent dat de klacht kennelijk ongegrond is.

3. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 14 april 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.