ECLI:NL:TGZRAMS:2026:86 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9749
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:86 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-04-2026 |
| Datum publicatie: | 14-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9749 |
| Onderwerp: | Onzorgvuldige dossiervorming |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klaagschrift voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. |
A2026/9749
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 14 april 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B, klager,
tegen
Onbekend
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 november 2025;
- de brief van de secretaris van het college, van 9 december 2015;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;
- de brief van de secretaris van het college, van 14 januari 2026;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026.
2. De overwegingen
2.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen tien zorgverleners die in bepaalde
mate betrokken
zijn geweest bij de zorgverlening aan klager in de periode dat hij verbleef in een
gespecialiseerde
GGZ-instelling. Ook heeft hij een klacht ingediend tegen de advocaat en de vertegenwoordiger
van de
GGZ-instelling die betrokken waren bij de zitting waarin de voortzetting van de
crisismaatregel is
behandeld.
2.2 Klager is van mening dat er sprake is van structurele feitelijke onjuistheden
in zijn
dossier, diagnostische conclusies zonder objectieve onderbouwing, onvolledige informatievoorziening
aan de rechter, onvoldoende rechtsbijstand en het niet naleven van zijn signaleringsplan.
2.3 De voorzitter moet per klacht beoordelen of klager in zijn klacht kan worden
ontvangen. De
voorzitter is van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht
jegens de
vertegenwoordiger van C, van wie klager geen naam heeft genoemd. ‘Kennelijk’ betekent
dat het niet
nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht
niet
inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor die beslissing is het volgende
van belang.
2.4 Klager heeft in zijn klaagschrift en de aanvullingen daarop geen duidelijke
omschrijving
gegeven van het handelen of nalaten waarop zijn klacht betrekking heeft en welke
zorgverleners daar
volgens hem verantwoordelijk voor zijn.
2.5 Bij brief van 9 december 2025 heeft een secretaris van het college klager voor
het eerst
verzocht om zijn klacht aan te vullen. Daarbij heeft de secretaris concreet aangegeven
welke
informatie zij van klager wenste te ontvangen. Klager heeft op 9 januari 2026 een
aanvulling op
zijn klacht ingediend. Deze aanvulling gaf echter geen antwoord op de gestelde vragen.
Bij brief
van 14 januari 2026 heeft de secretaris daarom klager nogmaals uitgelegd welke informatie
zij van
klager wenste te ontvangen. Ook heeft de secretaris op 13 februari 2026 telefonisch
contact gehad
met klager. Op 16 februari 2026 heeft klager een tweede aanvulling op zijn klacht
ingediend.
2.6 Ook na de tweede aanvulling is het echter onduidelijk gebleven wat de klacht
van klager is
met betrekking tot de genoemde ‘vertegenwoordiger van C’ en wie klager hiermee bedoelt.
Dit
betekent dat het klaagschrift niet voldoet aan de daaraan in de wet gestelde eisen
(artikel 65,
tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG),
in verbinding
met artikel 4, eerste lid, van het Tuchtrechtbesluit BIG).
2.7 Dit betekent dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht.
3. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven op 14 april 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.