ECLI:NL:TGZRAMS:2026:81 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8894

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:81
Datum uitspraak: 14-04-2026
Datum publicatie: 14-04-2026
Zaaknummer(s): A2025/8894
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, gedeeltelijke ontzegging
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd tegen een verpleegkundige, werkzaam in de GGZ, die een intiem en seksueel grensoverschrijdend contact is aangegaan met een patiënte – met verhoogde kwetsbaarheid. Tijdens de opname van de patiënte en de ambulante behandeling. Verpleegkundige erkent het contact, stelt dat sprake was van een vriendschapsrelatie. Ernstige en langdurige overschrijding van de professionele beroepsuitoefening. Verpleegkundige heeft bewust een grens overschreden. Schorsing voor één jaar, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Tevens gedeeltelijke ontzegging bevoegdheid om als verpleegkundige in de GGZ te werken. Publicatie.

A20255/8894
Beslissing van 14 april 2026


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 14 april 2026 op de klacht van:

INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd in Utrecht,
klaagster, hierna ook: de IGJ,
vertegenwoordigd door: mr. Q.J.M.A. Amelink en mr. E. van Diggele-Lootens, werkzaam in Utrecht,

tegen

A,
verpleegkundige,
destijds werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige,
bijgestaan door: mr. D. Zwartjens, werkzaam in Leiden.

1. De zaak in het kort
1.1 De verpleegkundige was werkzaam in de GGZ. Zij is een intiem en seksueel grensoverschrijdend contact aangegaan met een patiënte tijdens de opname die ook na ontslag van de patiënte en tijdens ambulante behandeling hierna langdurig heeft voortgeduurd.

1.2 De IGJ heeft een melding van de instelling ontvangen, een onderzoek ingesteld, een onderzoeksrapport vastgesteld en vervolgens de onderhavige klacht tegen de verpleegkundige ingediend.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en dat een zware maatregel op zijn plaats is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 4 november 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de bijlage ontvangen van de verpleegkundige, ontvangen op 19 februari 2026.

2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 maart 2026. De partijen zijn verschenen. De IGJ werd vertegenwoordigd door mevrouw mr. Q.J.M.A. Amelink en mevrouw M.A.P.J. Schleijpen. De verpleegkundige werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde en de vertegenwoordiger van de IGJ hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten
3.1 De verpleegkundige is in 2021 afgestudeerd als verpleegkundige en sindsdien als zodanig werkzaam. Vanaf mei 2023 werkte ze bij zorginstelling C (hierna: de instelling) op de High & Intensive Care (hierna: HIC) voor vijf dagen in de week.

3.2 Patiënte is vanaf 7 mei 2023 tot en met 3 juli 2023 opgenomen geweest op de HIC in verband met dreigende suïcidaliteit, PTSS en gerelateerde conversie en borderline dynamiek. Patiënte heeft een misbruikverleden en kon in een andere spoedkliniek van de instelling niet opgenomen worden omdat zij een relatie had gehad met een groepsbegeleider van die betreffende spoedkliniek. Na het ontslag op 3 juli 2023 werd patiënte nog ambulant behandeld door de instelling.

3.3 De verpleegkundige was drie à vier diensten per week het aanspreekpunt van patiënte. De verpleegkundige heeft patiënte tijdens de opname begeleid.

3.4 Op de verjaardag van patiënte in juni 2023 hebben de verpleegkundige en patiënte gekust buiten op het terrein van de instelling. De verpleegkundige gaf de patiënte twee zilveren armbandjes voor haar verjaardag. De verpleegkundige heeft patiënte vervolgens haar privételefoonnummer gegeven. Vanaf dat moment is ook het contact via WhatsApp ontstaan. De verpleegkundige en patiënte hebben na de eerste kus nog tweemaal gekust ten tijde van de opname op de kamer van patiënte.

3.5 De verpleegkundige en de patiënte hebben op WhatsApp gesproken over het geheim houden van de relatie:


‘[09-06-2023, 22:07:39] De verpleegkundige: Het gaat mij niet om je vrienden. Maar er hoeft maar 1 iemand per ongeluk iets te zeggen, dan kan dat mijn baan kosten. En dat wil ik echt niet. Ik ben heel professioneel en doe dit nooit. Maar maak voor jou een uitzondering.


[21-06-2023, 16:59:07] De verpleegkundige: Alleen wil het contact tussen ons houden. In iedergeval zolang je op de HIC zit. Wil mijn baan niet kwijt. Buiten de kliniek is er niks aan de hand als we contact hebben. Maar dit hebben we al besproken’

3.6 Na het ontslag van patiënte hebben de verpleegkundige en patiënte elkaar nog veelvuldig gezien. De ontmoetingen vonden meerdere keren per week plaats, onder andere in de woning van patiënte, in de woning van de ouders van patiënte of in de woning van de verpleegkundige. De verpleegkundige en patiënte bleven ook bij elkaar slapen in één bed. Door de verpleegkundige zijn tijdens deze ontmoetingen meermaals cadeaus aan patiënte gegeven en cadeaus van patiënte aangenomen. De verpleegkundige heeft voorts geld aan patiënte uitgeleend. Gedurende de periode juni 2023 tot half maart 2024 hebben de verpleegkundige en patiënte zeer intensief en vrijwel dagelijks contact via WhatsApp onderhouden met een soms zeer intieme, seksueel getinte inhoud.

3.7 In november 2023 heeft de verpleegkundige haar werkgever verteld dat zij ‘iets van contact’ met de patiënte had. Zij duidde het als een vriendschapsrelatie. Het contact tussen de verpleegkundige en patiënte is toen niet verbroken.

3.8 Op 22 maart 2024 heeft patiënte het contact dat zij met de verpleegkundige had gemeld bij de instelling. Het jaarcontract van de verpleegkundige is vervolgens niet verlengd.

3.9 C heeft op 1 april 2024 een melding geweld in de zorgrelatie gedaan bij de IGJ. De IGJ heeft een onderzoek ingesteld en in mei 2025 het definitieve onderzoeksrapport uitgebracht.

3.10 Op 1 juli 2024 is de verpleegkundige gestart als verpleegkundige bij een arbodienst, waar zij nog steeds werkzaam is.

4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 De IGJ verwijt de verpleegkundige dat zij de professionele grenzen die zij in acht behoort te nemen heeft overschreden door een persoonlijk en seksueel grensoverschrijdend contact aan te gaan en te onderhouden met een patiënt die verbleef bij en onder behandeling was bij de instelling waar zij werkzaam was.

4.2 De verpleegkundige heeft erkend dat zij deze norm(en) heeft geschonden. De verpleegkundige heeft erkend dat er sprake is geweest van intiem privécontact met patiënte. Zij is met de relatie ook haar eigen grenzen overgegaan en kijkt met schaamte en onrustgevoelens terug op deze periode. Zij betwist dat er sprake is geweest van seksuele activiteiten tussen haar en de patiënte. Zij is gekust door de patiënte, maar heeft hiertoe niet zelf het initiatief genomen. Zij heeft zich voorts onder druk gezet gevoeld door de patiënte en de ouders van patiënte, omdat de patiënte dreigde met zelfbeschadiging en suïcide als de verpleegkundige het contact zou verbreken.

4.3 De verpleegkundige heeft meegedeeld niet meer in de psychiatrische zorg te willen werken en acht zichzelf daar ook niet geschikt voor. Wel werkt zij nog als verpleegkundige bij een arbodienst en dit zou ze nog willen blijven doen.

4.4 De verpleegkundige verzoekt het college bij het bepalen van de maatregel ermee rekening te houden dat zij zichzelf tijdens de procedure heeft opengesteld, zelfreflectie heeft getoond en zelf maatregelen heeft getroffen (door middel van een intensief coachingstraject) om de verweten gedragingen in de toekomst te voorkomen. Zij is bereid mee te werken aan een aanvullende behandeling bij een BIG-geregistreerde behandelaar en periodiek verslaglegging/toetsing mogelijk te maken.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2 Binnen een behandelrelatie bevindt de patiënt zich in een afhankelijke positie ten opzichte van de zorgverlener. Daarom mag van een intieme relatie tussen beiden geen sprake zijn. Het is aan de zorgverlener om de grenzen van de behandelrelatie te bewaken. Dit uitgangspunt vloeit voort uit artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek/WGBO (goed hulpverlenerschap).

5.3 Voor verpleegkundigen is deze norm verder uitgewerkt in de Nederlandse Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden. In paragraaf 2.4 van deze code staat: ‘Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (en/of zijn vertegenwoordiger) professionele grenzen in acht. Dat betekent onder andere dat ik • geen misbruik maak van de afhankelijke positie van de zorgvrager • geen intieme en/of seksuele relatie aanga met de zorgvrager • mij niet schuldig maak aan intimidatie of geweld • geen gift in natura, geld of geschenk van de zorgvrager of diens sociale netwerk accepteer dat meer is dan een symbolisch gebaar van dank
• geen financiële banden van welke aard dan ook aanga met de zorgvrager • aan de zorgvrager mijn eigen grenzen duidelijk maak • mijn collega’s of leidinggevende om hulp vraag als ik merk dat de professionele grenzen dreigen te vervagen of overschreden dreigen te worden
.’

5.4 De normen voor verpleegkundigen en de desbetreffende instelling zijn verder uitgewerkt in paragraaf 2.12 van de Beroepscode, Hoofdstuk 2 van de Notitie ‘Omgaan met aspecten van seksualiteit tijdens de Beroepsuitoefening (V&VN 2011), Hoofdstuk 4 van de Gedragscode voor medewerkers van C (november 2023) en de brochure van de IGJ uit 2023 ‘Het mag niet, het mag nooit’.

5.5 In de Gedragscode van C staat het volgende opgenomen onder ‘Persoonlijke relaties’:
De medewerker gaat geen (intieme) persoonlijke relaties aan met een (ex-)cliënt, neemt zelf geen initiatief en gaat niet in op seksuele gedragingen van een (ex-)cliënt.
In een professionele relatie met een medewerker kan een cliënt verliefd worden op een medewerker. Ook kan het gebeuren dat een medewerker verliefd wordt op een cliënt. In beide gevallen meldt en bespreekt de medewerker dit direct met zijn leidinggevende en wordt een passende oplossing gezocht. De zorgverlening mag hiervan nooit schade ondervinden
.’

De beoordeling van het verweten handelen
5.6 Het college is van oordeel dat de klacht gegrond is. De verpleegkundige heeft in strijd gehandeld met de beroepsnormen en daarmee ook in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet BIG had behoren te betrachten. Er is gedurende een lange periode sprake geweest van seksueel grensoverschrijdende gedragingen bestaande uit driemaal kussen op de mond, bij elkaar blijven logeren en in één bed slapen, en intieme en seksueel getinte WhatsApp-berichten.

5.7 Het college neemt het de verpleegkundige kwalijk dat zij vrijwel direct na de start van haar dienstverband bij de instelling en kort na de start van de opname van patiënte een intieme relatie met patiënte is aangegaan. Na het einde van de opname van patiënte is het intieme contact tussen de verpleegkundige en de patiënte langdurig doorgegaan, terwijl patiënte nog altijd onder ambulante behandeling stond van de instelling waar de verpleegkundige werkzaam was. Er was sprake van een kwetsbare patiënte met psychiatrische problematiek. De verpleegkundige heeft langdurig zeer intensief en intiem contact met patiënte onderhouden, geen professionele afstand bewaard en het contact pas na lange tijd en niet (in volle omvang) bij haar leidinggevende en collega’s gemeld. De verpleegkundige heeft gezien de lange duur van het intieme contact voldoende gelegenheid gehad om tot inkeer te komen, maar dit is niet gebeurd. Zij heeft zichzelf geen halt toegeroepen, heeft de situatie niet open besproken met collega’s en het college heeft niet kunnen vaststellen dat zij het contact uit eigen beweging heeft verbroken. Zij heeft voorts geen afkoelingsperiode in acht genomen. Zij heeft daarnaast patiënte gevraagd hun relatie geheim te houden, vanwege de gevolgen die het zou hebben voor de baan van de verpleegkundige. Hieruit blijkt dat de verpleegkundige zich er terdege van bewust was dat zij met haar handelen en door het aangaan van dit intieme contact een grens overschreed.

5.8 De verpleegkundige had zich bewust moeten zijn van de gevaren voor de (mentale) gezondheid van patiënte en de gevolgen van deze relatie, zeker gezien de psychiatrische problematiek en bijbehorende kwetsbaarheid van patiënte.

Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.

Maatregel
5.10 Er is sprake van een gegronde klacht over een ernstige en langdurige overschrijding van de professionele beroepsuitoefening. Daar past een zware maatregel bij. Patiënte behoort tot een patiëntengroep met een verhoogde kwetsbaarheid. Er is sprake geweest van seksueel grensoverschrijdende gedragingen. De verpleegkundige en de patiënte zagen elkaar gedurende een lange periode meerdere malen per week, waarbij de verpleegkundige
onderdeel is gaan uitmaken van de directe sociale kring van de patiënte. De relatie tussen hen was van intieme aard. Er is geen professionele distantie bewaard en de professionele grenzen zijn fors overschreden. Hierdoor is een onveilige situatie gecreëerd, waarbij de verpleegkundige bij de patiënte erop heeft aangedrongen de relatie en het contact geheim te houden. Dit alles is uiterst kwalijk.

5.11 Het college heeft er oog voor dat de verpleegkundige inmiddels vindt dat dit niet had mogen gebeuren. Waar zij eerst een slachtofferrol aannam en weinig zelfreflectie toonde, heeft het college ter zitting kunnen vaststellen dat de verpleegkundige nu inziet dat zij het nimmer zover had mogen laten komen. De verpleegkundige heeft zich meer bewust getoond van haar verantwoordelijkheid als professionele zorgverlener. Wat betreft de gevolgen voor het welzijn van de patiënte had de verpleegkundige nog meer begrip kunnen tonen. Gezien de ernst van het verwijt in samenhang met het op zitting getoonde vermogen tot zelfreflectie en de ontwikkeling van de verpleegkundige, als jonge zorgprofessional, komt het college tot een schorsing van de inschrijving in het BIG-register als verpleegkundige voor de duur van een jaar, maar het college zal deze maatregel voorwaardelijk opleggen, onder de hieronder te vermelden voorwaarden samengevat inhoudende dat de verpleegkundige zich onder behandeling stelt van een door haar ingeschakelde BIG-geregistreerde klinisch psycholoog of psychotherapeut.

5.12 De verpleegkundige heeft zelf al maatregelen getroffen – meerjarig coachingstraject, werkomgeving zonder psychiatrische patiënten of een in die zin kwetsbare patiëntengroep – om herhaling van haar handelen te voorkomen. Het college kan de kans op recidive echter moeilijk inschatten. Daar komt bij dat de verpleegkundige de gevolgen van haar handelen voor het welzijn van de patiënte niet volledig lijkt in te zien. Het college acht het daarom van belang dat de verpleegkundige niet meer met psychiatrische patiënten in de GGZ komt te werken. Op voet van artikel 48 lid 1 aanhef onder e van de Wet BIG zal het college de verpleegkundige een gedeeltelijke ontzegging opleggen, in die zin dat de verpleegkundige niet meer in de GGZ werkzaam mag zijn.

Publicatie

5.13 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere verpleegkundigen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:


- verklaart de klacht gegrond;
- legt de verpleegkundige de maatregel op van een gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid in het register ingeschreven te staan voor het beroep van verpleegkundige en bepaalt in dit verband dat de verpleegkundige geen werkzaamheden mag verrichten die betrekking hebben op de zorg in de GGZ;
- schorst de bevoegdheid van de verpleegkundige om de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van een jaar;
- beveelt dat voormelde maatregel van schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het college later anders mocht bepalen omdat de verpleegkundige voor het einde van een proeftijd van twee jaren:
a) zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met de goede zorg die zij als verpleegkundige behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt; en
b) zich niet gehouden heeft aan de navolgende bijzondere voorwaarden, te weten dat:
1. de verpleegkundige zich onder behandeling stelt van een door haar ingeschakelde (BIG-geregistreerde) klinisch psycholoog of psychotherapeut;
2. de verpleegkundige de IGJ uiterlijk drie maanden na het ingaan van de proeftijd informeert over de met de klinisch psycholoog of psychotherapeut concreet geformuleerde behandeldoelen waarvan tenminste deel uitmaakt: het verwerven van inzicht in de factoren die hebben bijgedragen aan het onprofessionele en (seksueel) grensoverschrijdende gedrag, het scheppen van randvoorwaarden die bijdragen aan het voorkomen van dergelijk gedrag in de toekomst en het versterken van haar beroepsethiek, het bewaren van professionele distantie, evenals mentale weerbaarheid als zorgverlener;
3. de verpleegkundige gedurende de proeftijd in ieder geval één keer per maand een gesprek voert met de klinisch psycholoog of psychotherapeut;
4. de verpleegkundige de IGJ door middel van een door de klinisch psycholoog of psychotherapeut ondertekende en onderbouwde verklaring informeert indien de klinisch psycholoog of psychotherapeut voor het verstrijken van de proeftijd van mening is dat met de behandeling de te behalen doelen zijn bereikt;
5. draagt de IGJ op toezicht te houden op de hiervoor vermelde voorwaarden;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact, V&VN Magazine en Nursing.

Deze beslissing is gegeven door W.A.H. Melissen, voorzitter, W.M. Creemers, lid-jurist, E.M. Rozemeijer, J.H. Hunink en W.M.E. Bil, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.