ECLI:NL:TGZRAMS:2026:79 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8343

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:79
Datum uitspraak: 26-03-2026
Datum publicatie: 26-03-2026
Zaaknummer(s): A2025/8343
Onderwerp:
  • Overige klachten
  • Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klager kennelijk niet-ontvankelijk in klacht. Klager klaagt over een onbekend gebleven zorgverlener die feedback gaf op het pro Justitia rapport. Instelling heeft geweigerd om de naam van de zorgverlener te verstrekken, ondanks formele verzoeken van klager en zijn daartegen ingestelde beroep. Processuele verantwoordelijkheid klager de naam van de zorgverlener te verstekken. Aannemelijke onmogelijkheid voor klager. Klager heeft concrete en bruikbare aanknopingspunten klager aangedragen. Dan beperkte inspanningsverplichting (secretaris) tuchtcollege om te proberen de naam te achterhalen. Belangenafweging als instelling de naam alleen wil verstrekken als die naam niet met klager wordt gedeeld. Zeer uitzonderlijke gevallen besluit voorzitter dat de naam alleen voor tuchtcollege bekend wordt. Mogelijkheid om klacht – zonder bekendheid met en vermelding van naam zorgverlener – in behandeling nemen en uitspraak te doen.

A2025/8343

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Voorzittersbeslissing van 24 maart 2026 naar aanleiding van de klacht van:

A,
verblijvende in B, klager,

tegen

een onbekend gebleven zorgverlener.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 21 maart 2025;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 21 maart 2025;
- de verzoeken van de secretaris aan het C van 1 mei 2025,
19 mei 2025, 20 juni 2025, 22 juli 2025, 23 september 2025, 29 december 2025 en
23 januari 2026;
- de reacties van het C van 28 mei 2025 en 27 juni 2025;
- de aanvullende stukken van klager, ontvangen op 26 juni 2025, 1 juli 2025, 29 juli 2025, 13 
oktober 2025 en 8 januari 2026.

2. De overwegingen

2.1   De voorzitter is van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat 
duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk kan worden behandeld. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet 
nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen. Voor die beslissing is het volgende van belang.

2.2   Klager klaagt over een psychiater of gz‑psycholoog die feedback gaf op het pro Justitia 
rapport van 27 augustus 2025 dat over klager is opgesteld. Hij verwijt de zorgverlener dat het 
rapport niet voldoet aan de geldende criteria, dat de feedback niet is vastgelegd en dat de 
toetsing onvoldoende onafhankelijk was. Klager stelt dat het D (vanuit welke instantie de 
zorgverlener aan het C heeft gerapporteerd) heeft geweigerd om de naam van de zorgverlener te 
verstrekken, ondanks formele verzoeken daartoe en zijn daartegen
ingestelde beroep.

2.3   Een klaagschrift moet voldoen aan een aantal wettelijke eisen. Op grond van artikel 65 lid 2 
van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en artikel 4 lid 1 sub c van 
het Tuchtrechtbesluit BIG moet een klaagschrift onder meer de naam van de beklaagde bevatten.

2.4   Daarnaast geldt in Nederland het uitgangspunt dat zorgverleners niet anoniem zorg verlenen. 
Onder meer in artikel 3 lid 3 Wet BIG is bepaald dat de naam, de voorletters, het geslacht, het 
BIG-nummer en het betreffende beroep en specialisme van een ingeschrevene openbaar zijn. Verder 
volgt uit artikel 4a onder a Registratiebesluit BIG dat een BIG-nummer kenbaar wordt gemaakt 
wanneer hierom wordt verzocht. In artikel 17 Tuchtrechtbesluit BIG, tot slot, is neergelegd dat een 
eindbeslissing van het tuchtcollege de naam, de voornamen en, voor zover bekend, het werkadres van 
de beklaagde bevat.

2.5   Meer specifiek behoort het tot de processuele verantwoordelijkheid van klager om bij het 
indienen van een tuchtklacht de naam van de zorgverlener aan het tuchtcollege te verstrekken. 
Alleen wanneer aannemelijk is dat klager de naam niet kan verstrekken, maar wel andere concrete en 
bruikbare aanknopingspunten heeft aangedragen omtrent de identiteit van de zorgverlener kan voor 
het tuchtcollege een inspanningsverplichting ontstaan om zelf te proberen de naam te achterhalen, 
bijvoorbeeld via de instelling waar de zorgverlener werkzaam is of was. Omdat het uitgangspunt 
blijft dat klager de naam van de zorgverlener verstrekt, dient de inspanningsverplichting van het 
tuchtcollege beperkt te worden opgevat.

2.6   Indien de instelling waar de zorgverlener werkzaam is of was de naam van de zorgverlener 
alleen wil verstrekken indien die naam door het tuchtcollege niet met klager wordt gedeeld, moet de 
voorzitter van het tuchtcollege een belangenafweging maken. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen 
kan de voorzitter besluiten dat de naam van de zorgverlener uitsluitend aan het tuchtcollege bekend 
wordt gemaakt. Voor een beroep op deze uitzondering moet sprake zijn van zwaarwegende 
omstandigheden, die per tuchtzaak objectief, concreet en gemotiveerd moeten zijn omschreven. Deze 
motivering moet worden gegeven door of namens de instelling waar de zorgverlener werkzaam is of 
was. Hoewel het Tuchtrechtbesluit vergt dat in de uitspraak de naam van de zorgverlener wordt 
vermeld, is de voorzitter van oordeel dat onverkorte toepassing van dit vereiste in de hierboven 
genoemde uitzonderingsituatie tot een onwenselijke situatie kan leiden, die de Minister bij het 
vaststellen van het Tuchtrechtbesluit in 1997 waarschijnlijk niet voor ogen heeft gehad. De 
voorzitter is van oordeel dat het in de zeer uitzonderlijke gevallen zoals hiervoor genoemd 
mogelijk zou moeten zijn om de klacht - zonder bekendheid met en vermelding van de naam van de 
beklaagde zorgverlener - in behandeling te nemen en uitspraak te doen, bijvoorbeeld, onder 
zaaknummer.

2.7   In deze tuchtzaak heeft klager informatie over de zorgverlener verstrekt die voor de 
secretaris van het tuchtcollege aanknopingspunten bood om in het kader van de hiervoor genoemde 
inspanningsverplichting te trachten om de naam van de beklaagde alsnog te achterhalen. Daarom heeft de secretaris het C herhaaldelijk verzocht om opgave te doen van de naam van de betreffende gedragsdeskundige (c.q. de beklaagde zorgverlener) en heeft de secretaris klager daarover telkens geïnformeerd. Ondanks de herhaalde verzoeken en toelichting, heeft het C volhard in de weigering om deze naam te verstrekken.

2.8   De voorzitter stelt vast dat de secretaris met de genoemde acties in deze zaak een juiste 
invulling heeft gegeven aan de inspanningsverplichting van het tuchtcollege. Mede gezien het 
uitgangspunt dat klager diegene is die de naam van de beklaagde moet achterhalen, is de voorzitter 
van oordeel dat verdere inspanningen in dit geval niet van het tuchtcollege gevergd kunnen worden.

2.9   Nu zowel klager – op wie de verantwoordelijkheid rust om de naam van de beklaagde te 
verstrekken, als de secretaris – die zich als vooronderzoeker voldoende heeft ingespannen om die 
naam te achterhalen, de identiteit van de beklaagde niet heeft kunnen vaststellen, is klager 
kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.

3. De beslissing

3.1  Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.

3.2   Klager kan tegen deze beslissing beroep instellen. Indien hij dat niet doet, wordt de 
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd gewezen op haar mogelijkheid om beroep in te stellen.

Deze beslissing is gegeven op 24 maart 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door C.I.M. de Haan, secretaris.