ECLI:NL:TGZRAMS:2026:78 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8245
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:78 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-04-2026 |
| Datum publicatie: | 10-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8245 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een psychotherapeut. Klager verwijt de psychotherapeut onder meer dat zij als regiebehandelaar een brief heeft ondertekend waarin ten onrechte is vermeld dat sprake was van ‘wederkerige mishandeling’, met als gevolg dat klager daarvan nadeel ondervond in gerechtelijke procedures. Dit klachtonderdeel is gegrond. Door het begrip ‘anamnestische’ weg te laten, lijkt sprake te zijn van een vaststaand feit. Dat laatste staat echter niet vast en blijkt echter nergens uit. In de overige klachtonderdelen is klager niet-ontvankelijk. Het college legt een waarschuwing op. |
A2025/8245
Beslissing van 10 april 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 10 april 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: mr. A. Hol, werkzaam in Amsterdam,
tegen
C,
psychotherapeut,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de psychotherapeut,
gemachtigde: mr. S.F. Tiems, werkzaam in Leiden.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de psychotherapeut onder meer dat zij als regiebehandelaar een
brief heeft ondertekend waarin onjuiste informatie is vermeld, waarvan hij nadeel
heeft ondervonden in gerechtelijke procedures.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 maart 2025;
- het verweerschrift met bijlage;
- het proces-verbaal van het op 1 juli 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 februari 2026. De partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Aan de zijde van de psychotherapeut zijn spreekaantekeningen voorgedragen en aan het college en de wederpartij overhandigd.
3. De feiten
3.1 De ex-partner van klager is onder behandeling geweest bij E, centrum voor
ambulante geestelijke gezondheidszorg (ggz).
3.2 In een aan de ex-partner van klager gerichte brief van E van 16 juli 2020, die
is
opgesteld en ondertekend door een collega van de psychotherapeut (als uitvoerend
behandelaar) en medeondertekend door de psychotherapeut (als regiebehandelaar),
is onder
meer het volgende vermeld:
“Betreft: Verklaring deelname behandeling
(…)
Hierbij stuur ik u op uw verzoek een bevestiging van uw behandeling bij E, met een
kort
overzicht over het verloop van deze behandeling.
U werd naar E verwezen door de huisarts en team Veilig Thuis, naar aanleiding van
zorgen
omtrent problemen in de agressieregulatie en wederkerige mishandeling in de relatie
met uw
inmiddels ex-partner. Hierop werd op 09-01-2020 een intakegesprek met u gevoerd.
Hierop volgend werden een aantal gesprekken met u gevoerd in het kader van een
risicotaxatie, met het doel inzicht te krijgen in de mtae van risico op (herhaling
van)
problemen in de agressieregulatie of mishandeling en zich te vergroten op de aard
hiervan.
Op basis van uw inbreng in deze gesprekken, concludeert u met behandelaar dat er
geen
sprake lijkt te zijn van een agressieregulatieprobleem, waarvoor een individuele
behandeling
geïndiceerd zou zijn. U herkent wel excalerende ruzies, maar in een terugblik op
de
dynamiek in de relatie met uw ex-partner, staat voor vooral de relatieproblematiek
centraal.
Nu de relatie is beëindigd is deze met een individuele behandeling niet te behandelen.
(…)
Op basis van deze conclusie sluiten wij het dossier en adviseren wij u elders een
behandeling
te starten. (…)”
4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut
4.1 Klager verwijt de psychotherapeut kort samengevat dat zij:
a) de (onder 3.2 bedoelde) brief van 16 juli 2020 heeft ondertekend, terwijl daarin
ten
onrechte staat dat sprake was van wederkerige mishandeling, met als gevolg dat klager
en zijn minderjarige dochter daarvan nadeel ondervinden onder meer in gerechtelijke
procedures;
b) geen informatie heeft opgevraagd bij politie, justitie of veilig thuis;
c) onprofessioneel heeft gehandeld, met de vermelding in de brief van 16 juli 2020
dat
‘samen met de behandelaar is geconcludeerd dat geen sprake lijkt te zijn van een
agressieregulatieprobleem’, terwijl de benodigde informatie daarvoor ontbrak.
4.2 De psychotherapeut heeft het college verzocht de klacht niet-ontvankelijk dan
wel
ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Het college stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 65 lid 1 Wet
beroepen
in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) een klacht kan worden ingediend door
een
rechtstreeks belanghebbende; meestal zal dit de patiënt van de aangeklaagde hulpverlener
zijn. Zonder instemming van de patiënt zal een door iemand anders ingediende klacht
met
betrekking tot de behandeling van de patiënt niet-ontvankelijk worden verklaard.
Klachtonderdelen b) opvragen informatie en c) onprofessioneel handelen
5.2 Het tweede en derde klachtonderdeel hebben betrekking op de behandeling van de
ex-partner van klager. Ten aanzien daarvan oordeelt het college dat klager niet
kan worden
ontvangen in die klachtonderdelen, aangezien het college niet heeft kunnen vaststellen
dat
de ex-partner van klager heeft ingestemd met het indienen van die klachtonderdelen.
De
klacht zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van klachtonderdelen
b en
c.
Klachtonderdeel a) wederkerige mishandeling
5.3 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel komt het college wel aan een
inhoudelijke beoordeling toe, omdat de zinsnede over wederkerige mishandeling uit
de brief
van 16 juli 2020 over klager gaat. De psychotherapeut gaat er in haar verweerschrift
ook
vanuit dat klager ontvankelijk is op dit klachtonderdeel. Het college overweegt
hierover als
volgt.
De criteria voor de beoordeling
5.4 De vraag is of de psychotherapeut de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende
psychotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener
geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Daarbij geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor
hun eigen
handelen.
5.5 Niet in geschil is dat de vermelding van het begrip ‘wederkerige mishandeling’
in de
brief van 16 juli 2020 niet juist is. In de verwijzing van de huisarts was namelijk
vermeld
‘anamnestisch: wederkerige mishandeling’. Het ging (slechts) om een anamnestisch
gegeven, dus wat door de ex-partner aan de huisarts was verteld. Door het woord
anamnestisch niet over te nemen uit de verwijsbrief, is in de brief van 16 juli
2020 ten
onrechte de indruk gewekt dat het ging om een vaststaand feit. De psychotherapeut
heeft
ter zitting verklaard de door de uitvoerend behandelaar opgestelde brief te hebben
nagelezen alvorens deze te ondertekenen. Zij is als regiebehandelaar verantwoordelijk
voor
de juiste inhoud van die brief. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht deels niet-ontvankelijk
(klachtonderdelen b en c) en deels gegrond (klachtonderdeel a) is.
Maatregel
5.7 Uit het voorgaande volgt dat de psychotherapeut onzorgvuldig heeft gehandeld,
door
een brief te ondertekenen met informatie die niet juist was. In die brief is namelijk
ten
onrechte vermeld dat sprake was van wederkerig geweld tussen klager en zijn ex-partner
terwijl dit door de ex-partner aan de huisarts was verteld. Daarmee was het slechts
een
anamnestisch gegeven en geen vaststaand feit. Klager heeft toegelicht in gerechtelijke
procedures met zijn ex-partner nadeel van die vaststelling te hebben ondervonden
dan wel
te kunnen ondervinden. Behandelaren moeten zorgen voor zorgvuldige en juiste
verslaglegging, zodat derden op de juistheid daarvan kunnen afgaan. Het college
weegt in
het voordeel van de psychotherapeut mee dat zij heeft verklaard lering uit de situatie
te
hebben getrokken en ook collega’s erop heeft geattendeerd zich ervan bewust te zijn
dat
stukken in een andere context dan die van uitsluitend de behandeling kunnen worden
gebruikt. Zorgvuldige verslaglegging is daarom belangrijk. De conclusie luidt dat
de
psychotherapeut tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zodat een maatregel
op zijn
plaats is. Het college acht de maatregel van waarschuwing passend en geboden en
zal die
maatregel opleggen.
Publicatie
5.8 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere psychotherapeuten mogelijk iets van deze zaak
kunnen
leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot
personen of
instanties herleidbare gegevens.
6 De beslissing
Het college:
- verklaart klager niet-ontvankelijk wat betreft klachtonderdelen b en c;
- verklaart klachtonderdeel a gegrond;
- legt de psychotherapeut de maatregel op van waarschuwing;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch
Contact en Tijdschrift voor Psychotherapie.
Deze beslissing is gegeven door P.M. de Keuning, voorzitter, W.S. Oostveen-Kouwenhoven,
lid-jurist, Th. Koetsier, A.T. Prinsen-Reinders en I.E. Visser, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op
10 april 2026.