ECLI:NL:TGZRAMS:2026:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9111

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:77
Datum uitspraak: 10-04-2026
Datum publicatie: 10-04-2026
Zaaknummer(s): A2025/9111
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat niet duidelijk was wie de regiebehandelaar was. Het was beter geweest als de wijziging van het regiebehandelaarschap niet alleen telefonisch maar ook schriftelijk aan klaagster was medegedeeld. Achterwege blijven van de schriftelijke mededeling is echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond.

A2025/9111
Beslissing van 10 april 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 10 april 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. I. Karimi, werkzaam in Leusden,


tegen


C,
gz-psycholoog,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de gz-psycholoog.


1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is door haar huisarts doorverwezen naar Specialistische Geestelijke Gezondheidszorg (SGGZ) bij E. Klaagster is bij E behandeld en heeft in dat kader 10 therapiesessies ondergaan. Klaagster is niet tevreden over de door E verleende zorg en zij heeft tegen twee behandelaars van E een tuchtklacht ingediend, waaronder tegen de gz-psycholoog.

1.2 Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat niet duidelijk is wie de regiebehandelaar is (geweest). Daarnaast stelt klaagster dat er geen behandelplan is opgesteld en dat de behandeling structuur miste. De gz-psycholoog heeft de klacht bestreden en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 oktober 2025;
- het verweerschrift.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van
het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.


3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 19 november 2024 vond het intakegesprek voor de behandeling bij E plaats. Bij
dit gesprek waren klaagster en een basispsycholoog van E aanwezig. Naar aanleiding van de
intake heeft de basispsycholoog een concept-onderzoeksrapportage en een behandelplan
opgesteld.

3.2 Eveneens op 19 november 2024 vond een regiegesprek tussen klaagster en de gzpsycholoog
plaats. Tijdens dit gesprek is de onderzoeksrapportage met het daarin
opgenomen behandelplan met klaagster besproken. Klaagster liet weten met het
behandeladvies in te stemmen. De gz-psycholoog heeft toen ook aan klaagster laten weten
dat zij de regiebehandelaar was. Tijdens het gesprek werd voorts besproken dat de eerste
drie behandelsessies door de basispsycholoog zouden plaatsvinden en dat de behandeling
daarna zou worden overgenomen door een gz-psycholoog die vanaf januari 2025 bij E in
dienst treedt.

3.3 Bij brief van 19 november 2024 hebben de basispsycholoog en de gz-psycholoog als
regiebehandelaar het behandeladvies schriftelijk aan klaagster bevestigd. In die brief is het
volgende opgenomen:
• Bevestiging van het intakegesprek;
• Bevestiging (mondelinge) instemming met behandelvoorstel door klaagster;
• Beschrijving van de reden voor behandeling bij E;
• Beschrijving van hoe de klachten verklaard kunnen worden en hoe behandeling daarbij
kan helpen;
• Aantal in te plannen behandelsessies;
• Informatie over de behandeling door middel van verwijzing naar cliëntportaal op de
website van E;
• Verwachtingen van klaagster zijdens E;
• Vervolgstappen;
• Bij vragen of opmerkingen over het behandelplan of de onderzoeksrapportage kan
klaagster terecht bij ondergetekenden (de basispsycholoog en de gz-psycholoog als
regiebehandelaar).

3.4 Op 11 december 2024 vond de eerste behandelsessie plaats. Na de derde
behandelsessie vond op 6 januari 2025 een telefonisch gesprek (incheckmoment) plaats
tussen klaagster en de gz-psycholoog. In dit gesprek werd onder meer de wisseling van
behandelaren besproken. Vanaf 14 januari 2025 werd – na drie behandelsessies – de
behandeling overgenomen door de behandelaar (gz-psycholoog) die nieuw was bij E. Zij
werd ook de regiebehandelaar.

3.5 Behandelsessies 4 tot en met 10 vonden plaats bij de opvolgende
(regie)behandelaar.


4. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
4.1 Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat:
a) niet duidelijk is wie de regiebehandelaar is (geweest);
b) het behandelplan ontbrak;
c) de behandeling structuur en regie miste.

4.2 De gz-psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor een gz-psycholoog geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had
kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) Niet duidelijk is wie regiebehandelaar is (geweest)
5.2 Klaagster schrijft in haar klaagschrift dat de gz-psycholoog haar op 31 maart 2025
telefonisch heeft geïnformeerd dat zij het regiebehandelaarschap per 14 januari 2025 had
overdragen aan de opvolgende behandelaar. Volgens klaagster stond op de (concept) brief
van 12 maart 2025 aan de huisarts echter nog de naam van de gz-psycholoog als
regiebehandelaar.

5.3 De gz-psycholoog heeft in haar verweerschrift aangegeven dat zij van 19 november
2024 tot 14 januari 2025 regiebehandelaar van klaagster is geweest. Zij licht toe dat zij op 6
januari 2025 telefonisch aan klaagster heeft doorgegeven dat zij het regiebehandelaarschap
zou afsluiten en zou overdragen aan de opvolgende (regie)behandelaar. Volgens de interne
procedure bij E wordt de overdracht van het regiebehandelaarschap niet alleen mondeling
maar ook schriftelijk aan de cliënt bevestigd. In de onderhavige kwestie van klaagster is dit
echter niet gebeurd.

5.4 Het college is van oordeel dat het beter was geweest als de wijziging van het
regiebehandelaarschap niet alleen telefonisch maar ook schriftelijk aan klaagster was
medegedeeld. Het college acht het achterwege blijven van de schriftelijke mededeling van de
overdracht van het regiebehandelaarschap echter niet dermate ernstig dat dit tuchtrechtelijk
verwijtbaar is.

5.5 De brief aan de huisarts met daarin de naam van de gz-psycholoog als
regiebehandelaar betrof een concept dat eerst ter goedkeuring aan klaagster is voorgelegd.
Dit concept is buiten medeweten van de gz-psycholoog opgesteld en de gz-psycholoog kan
niet worden verweten dat zij nog als regiebehandelaar stond vermeld. De brief met daarin de
naam van de gz-psycholoog als regiebehandelaar is door E overigens niet aan de huisarts
verzonden.

5.6 Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel b) Het behandelplan ontbrak
5.7 Tijdens het regiegesprek dat plaatsvond tussen klaagster en de gz-psycholoog is de
door de basispsycholoog opgestelde (concept) onderzoeksrapportage besproken inclusief het
daarin opgenomen behandelplan. Tijdens dit gesprek heeft klaagster met het behandeladvies
ingestemd. Het behandelplan is bevestigd in de brief van 20 november 2024
‘Onderzoeksrapportage’ aan de verwijzer en de brief van 19 november 2024
‘Behandeladvies’ aan klaagster.

5.8 Het college heeft op basis van de door klaagster overgelegde bijlagen bij haar
klaagschrift geen aanwijzingen dat een behandelplan ontbrak dan wel dat het door E onder
regie van de gz-psycholoog opgestelde behandelplan niet aan alle daaraan te stellen eisen
zou voldoen. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel c) De behandeling miste structuur en regie
5.9 Uit het klaagschrift blijkt dat klaagster (wel) tevreden is over behandelsessies 1 tot
en met 3 maar niet over hoe behandelsessies 4 tot en met 10 zijn verlopen. De gzpsycholoog
was regiebehandelaar ten tijde van behandelsessies 1 tot en met 3, zodat dit
klachtonderdeel niet op het handelen van de gz-psycholoog ziet en haar geen verwijt treft.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in al haar klachtonderdelen
kennelijk ongegrond is.


6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 10 april 2026 door P.M. de Keuning, voorzitter, W.S.
Oostveen-Kouwenhoven, lid-jurist, Th. Koetsier, A.T. Prinsen-Reinders en I.E. Visser, ledenA2025/
beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris.