ECLI:NL:TGZRAMS:2026:73 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8316

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:73
Datum uitspraak: 10-04-2026
Datum publicatie: 10-04-2026
Zaaknummer(s): A2025/8316
Onderwerp: Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater, werkzaam als geneesheer-directeur. Klager verwijt de psychiater dat zij zijn medisch dossier niet heeft verstrekt dan wel een onvolledig of gemanipuleerd dossier aan hem heeft verstrekt. Tweede tuchtnorm van toepassing. De psychiater is niet betrokken geweest bij een eerdere afgifte van het dossier en de inhoud daarvan. De psychiater heeft de vragen van klager over zijn dossier zorgvuldig beantwoord.

A2025/8316
Beslissing van 10 april 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 10 april 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klager,


tegen


C,
psychiater,
(destijds) werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. K.T.B. Salomons, werkzaam in Den Haag.


1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager heeft op 17 juni 2022 per brief zijn medisch dossier opgevraagd bij de GGZ-zorgaanbieder waarbij hij onder behandeling was (geweest). Dit dossier heeft hij vervolgens ontvangen. De psychiater was toen en is nog steeds als geneesheer-directeur werkzaam bij de zorgaanbieder. In februari 2025 heeft klager opnieuw zijn dossier opgevraagd. Klager stelt dat hij toen pas (in 2025) zijn volledige medische dossier heeft ontvangen. Hij verwijt de psychiater dat zij eerder zijn medische gegevens niet heeft verstrekt, dan wel dat sprake was van een onvolledig of gemanipuleerd dossier.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 februari 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 21 maart 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 april 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de reactie van klager op het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 oktober 2025;
- de brief van de gemachtigde van verweerder van 21 oktober 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 23 oktober 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

2.3 De zaak is in raadkamer gezamenlijk, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen twee andere psychiaters/geneesheren-directeur (A2025/8315) en A2025/8317). Deze uitspraak betreft alleen de psychiater met bovengenoemd zaaknummer.


3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager heeft op 17 juni 2022 per brief zijn medisch dossier opgevraagd bij de GGZ-zorgaanbieder waarbij hij onder behandeling was (geweest). Hierop zijn stukken aan klager verstrekt door de GGZ-zorgaanbieder.

3.2 Op 26 februari 2025 heeft klager zich opnieuw tot de zorgaanbieder gewend met het
verzoek om afgifte van zijn medisch dossier. Dit dossier is op 14 april 2025 aan hem afgegeven.

3.3 Klager heeft per brief van 13 mei 2025 vragen gesteld over de inhoud van zijn dossier. Hierop heeft verweerder (samen met de verweerders uit zaken A2025/8315 en A2025/8317) geantwoord per brief van 17 juni 2025.

3.4 Klager heeft op 28 februari 2025 de onderhavige tuchtklacht ingediend. Deze heeft hij op latere tijdstippen (te weten 21 maart 2025 en 25 april 2025, en in het mondeling vooronderzoek van 23 oktober 2025) uitgebreid, dan wel nader toegelicht.


4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Volgens klager heeft de psychiater onzorgvuldig gehandeld, omdat zij zijn medisch dossier niet heeft verstrekt dan wel een onvolledig of gemanipuleerd dossier aan hem heeft verstrekt.

4.2 De psychiater heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de psychiater het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De psychiater heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat de eerste noch de tweede tuchtnorm van toepassing is op het handelen van de
psychiater. Het college komt tot het oordeel dat klager wel ontvankelijk is, en licht dat hieronder toe.

5.2 Vast staat dat de psychiater niet bij de behandeling van klager betrokken is geweest. Er heeft dus geen behandelrelatie tussen klager en de psychiater bestaan. Dit betekent dat de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 sub a Wet op de Beroepen van de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG)) niet van toepassing is op deze klacht. De vraag die vervolgens moet worden gesteld is of de gedragingen waarover wordt geklaagd, onder de tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 sub b Wet BIG) kunnen worden gebracht. Volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) kan een BIG-geregistreerde zorgverlener in een bestuurlijke of leidinggevende functie voor haar/zijn handelen tuchtrechtelijk aansprakelijk zijn. De zorgverlener moet dan wel hebben gehandeld in de hoedanigheid waarvoor zij/hij BIG-geregistreerd is. Verder is vereist dat dit handelen voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Op grond van artikel 1 van de Wet BIG moet onder dit laatste worden verstaan: zorg die rechtstreeks betrekking heeft op een persoon en ertoe strekt diens gezondheid te bevorderen of te bewaken.

5.3 Het college stelt vast dat een psychiater die als geneesheer-directeur werkzaam is in het algemeen vooral een bestuurlijke dan wel leidinggevende functie heeft. In de onderhavige klacht heeft de psychiater in haar hoedanigheid van geneesheer-directeur vragen van klager over de (on)volledigheid en/of inhoud van zijn medisch dossier schriftelijk beantwoord. Daarmee heeft zij rechtstreeks contact gehad met klager. Naar het oordeel van het college is voor het beantwoorden van dergelijke vragen van een patiënt deskundigheid op het gebied van de psychiatrie vereist. Daarnaast betreft het zorg die ertoe strekt de gezondheid van deze patiënt te bevorderen of te bewaken, nu het recht op inzage en afgifte van een medisch dossier een belangrijk patiëntenrecht is. Het college oordeelt dan ook dat de tweede tuchtnorm hier van toepassing is. Klager is daarom ontvankelijk in zijn klacht.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.4 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.5 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Bij de eerste afgifte van het medisch dossier van klager in 2022 was de psychiater, blijkens de stukken en het verweer, niet betrokken. Aangezien er nooit een behandelrelatie tussen klager en de psychiater heeft bestaan, is de psychiater ook nooit betrokken geweest bij het schrijven en samenstellen van het medisch dossier van klager. Zij heeft aldus geen inhoudelijke bemoeienis met het medisch dossier gehad. Zij kan dan ook niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van het medisch dossier zoals dat er in 2022 of later uitzag. Het college oordeelt vervolgens dat uit de
stukken niet is gebleken dat het medisch dossier van klager, zoals hij stelt, onvolledig dan wel gemanipuleerd is. Wel heeft de psychiater toegegeven dat klager in 2022 kennelijk niet het volledige dossier heeft ontvangen, doordat enkele stukken ontbraken, en dat er een fout in het intakeformulier bij de spoedpoli (juni 2016) staat inzake de burgerlijke staat van klager. Dit is de psychiater, die zowel niet betrokken was bij de afgifte van het dossier in 2022 als ook niet – zoals eerder overwogen – bij de inhoud daarvan, echter niet te verwijten.

5.6 Het college is verder van oordeel dat de psychiater als geneesheer-directeur een verantwoordelijkheid had in het beantwoorden van de vragen van klager over zijn medisch dossier, die hij in mei 2025 per brief heeft gesteld. De psychiater heeft deze vragen in de brief van 17 juni 2025 - gezamenlijk geschreven met verweerders uit de zaken A2025/8315 en 8317 – naar het oordeel van het college zorgvuldig beantwoord. Voor zover de klacht van klager ook ziet op de afhandeling van zijn vragen over de inhoud van het dossier, oordeelt het college daarom dat een dergelijk verwijt geen doel treft.

Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.


6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 10 april 2026 door B. Vogel, voorzitter, A.C.M. Kleinsman en J.M.C. van Dam, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A.E. Veeren, secretaris.