ECLI:NL:TGZRAMS:2026:71 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8971
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:71 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-04-2026 |
| Datum publicatie: | 03-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8971 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster is niet-ontvankelijk in haar klacht. Verweerster is directeur van de instelling waar klaagster gedeeltelijk verblijft. Klaagster verwijt verweerster onder andere dat zij klaagster heeft verplaatst naar een andere locatie van de instelling. Het college stelt vast dat de beslissing van de instelling om klaagster over te plaatsen is genomen na vele gesprekken en dat daarbij naast de belangen van klaagster ook de belangen van de andere cliënten van de instelling en de belangen van de instelling zelf zijn meegewogen. Daarmee gaat het om een beslissing met een organisatorisch en bedrijfsmatig karakter. Weliswaar is de beslissing genomen door verweerster, maar dat heeft zij gedaan in haar rol van directeur van de instelling en niet in haar rol van verpleegkundige. Het college oordeelt dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht. |
A2025/8971
Beslissing van 3 april 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 3 april 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: C, moeder van klaagster,
tegen
D,
verpleegkundige,
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr. L. Bartelsman en mr. A.F. Verbruggen, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster lijdt aan meerdere ernstige medische aandoeningen, waardoor zij is
aangewezen op intensieve zorg. Verweerster is directeur van de instelling voor ouderen-
en gehandicaptenzorg waar klaagster sinds 2018 gedeeltelijk verblijft. Daarnaast ontvangt
klaagster thuiszorg in haar eigen woning. Vanaf 2024 voeren klaagster en de instelling
gesprekken over passende locaties voor de zorgverlening en de instelling heeft in
2025 het besluit genomen om het verblijf van klaagster te verplaatsen naar een andere
locatie. Verweerster was daarbij in de meeste gevallen klaagsters gesprekspartner.
Klaagster richt de tuchtklacht over deze verplaatsing en de omstandigheden waaronder
deze plaatsvond tegen verweerster.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat verweerster in deze zaak heeft gehandeld als directeur en zich daarbij niet heeft begeven op het vakgebied van de verpleegkunde waarvoor zij in het BIG-register is ingeschreven. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 1 september 2025;
- nadere stukken van klaagster, ontvangen op 24 september 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- nadere stukken van klaagster, verzonden per e-mail van 3 december 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 10 december 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De klacht
3.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij klaagster zonder overleg of toestemming
van klaagster gedwongen heeft verplaatst naar een andere locatie van de instelling
en dat zij
klaagsters problematiek ontkent, haar tegenwerkt, onder meer door intimiderend en
vijandig gedrag en dat zij de verpleging een spreekverbod heeft opgelegd over de positie
van klaagster.
3.2 Verweerster heeft het college verzocht om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
en
de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft verweerster het college verzocht om de klacht
(kennelijk) ongegrond te verklaren.
4. De overwegingen van het college
4.1 Op grond van artikel 47 van de Wet op de beroepen van de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) is een zorgverlener aan het tuchtrecht onderworpen als er sprake is van
een rechtstreekse behandelrelatie tussen de klagende partij en de zorgverlener, de
zogeheten eerste tuchtnorm van artikel 47 lid 1 sub a, dan wel als sprake is van enig
ander handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt,
de zogeheten tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1 sub b.
4.2 Het staat vast dat er geen sprake is van een rechtstreekse behandelrelatie tussen verweerster en klaagster als bedoeld in de eerste tuchtnorm. Verweerster is niet als verpleegkundige rechtstreeks betrokken geweest bij de feitelijke verzorging van klaagster.
4.3 De vraag is vervolgens of er sprake is van overtreding van de tweede tuchtnorm. Bij zorgverleners in een leidinggevende of bestuurlijke rol is deze tweede norm in de tuchtrechtspraak nader ingevuld. Een van de vereisten voor de ontvankelijkheid van een tuchtklacht is dat de zorgverlener moet hebben gehandeld in de hoedanigheid waarvoor hij of zij geregistreerd is volgens de Wet BIG.
4.4 Uit de processtukken en uit wat er is besproken tijdens het mondeling vooronderzoek blijkt dat er tussen klaagster en de instelling vele gesprekken zijn gevoerd en vervolgens een conflict is ontstaan, over de mogelijkheden om klaagster goede zorg te verlenen op de locatie van de instelling waar zij verbleef. Verweerster is bij het merendeel van deze gesprekken aanwezig geweest. Het conflict leidde in eerste instantie tot het door verweerster genomen besluit om de zorgverlening aan klaagster te beëindigen. Klaagster heeft over die beslissing een kort geding tegen de instelling aangespannen en de voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat de zorg voortgezet moest worden en dat partijen samen naar een oplossing moesten zoeken. Tegen de nadien genomen beslissing om klaagster over te plaatsen naar de andere locatie heeft klaagster een tweede kort geding aangespannen, waarbij klaagster in het ongelijk is gesteld. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de instelling bij haar beslissing zorgvuldig heeft gehandeld en dat zij in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen om klaagster over te plaatsen naar de andere locatie van de instelling.
4.5 Het college stelt vast dat de beslissing van de instelling om klaagster over te plaatsen is genomen na vele gesprekken en dat daarbij vooral is gekeken naar hoe de zorg van klaagster zo goed mogelijk kon worden vormgegeven, waarbij naast de belangen van klaagster ook de belangen van de andere cliënten van de instelling zijn meegewogen en tevens de belangen van de instelling zelf. Daarmee gaat het om een beslissing met een organisatorisch en bedrijfsmatig karakter. Weliswaar is de beslissing genomen door verweerster, maar dat heeft zij gedaan in haar rol van directeur van de instelling en niet in haar rol van verpleegkundige. Dit volgt overigens ook uit het feit dat in beide kort geding procedures niet verweerster maar de instelling is gedagvaard.
4.6 Ook overigens is het college niet gebleken dat verweerster zich in deze kwestie heeft begeven op het terrein van haar deskundigheid als verpleegkundige waarvoor zij is ingeschreven in het BIG-register. Dit betekent dat het handelen van verweerster, in alle facetten van hetgeen wat klaagster aan verweerster verwijt -en wat er van die verwijten verder ook zij-, onvoldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en dat het college dan ook van die handelingen geen kennis kan nemen.
4.7 Het college komt dan ook tot het oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht.
5. De beslissing
Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven op 3 april 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, W.M. Creemers, lid-jurist, I.M. Bonte, W.J. van der Meer en D.M. van Etten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.