ECLI:NL:TGZRAMS:2026:70 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8995

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:70
Datum uitspraak: 03-04-2026
Datum publicatie: 03-04-2026
Zaaknummer(s): A2025/8995
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht tegen een verpleegkundige. De Inspectie verwijt de verpleegkundige seksueel grensoverschrijdend handelen jegens een cliënte die verbleef in een instelling waar hij werkte, door het aanleggen, activeren en vasthouden van een seksspeeltje. De verpleegkundige heeft het handelen erkend, maar voert verweer ten aanzien van het grensoverschrijdende karakter. Het college oordeelt dat sprake is van seksueel grensoverschrijdend gedrag en legt een voorwaardelijke schorsing van twee maanden op met als bijzondere voorwaarde het volgen van een cursus met het thema Afstand en Nabijheid in de werkrelatie. Het college merkt daarbij op dat het belangrijk is dat dit thema op de werkvloer wordt besproken met en tussen medewerkers. In een werksituatie, zeker bij een relatief langdurig verblijf van cliënten waarbij een zekere band kan ontstaan tussen cliënten en de zorgverleners, moet voldoende aandacht zijn voor afstand en nabijheid ook als het gaat om kwetsbare behoeftes zoals de behoefte aan intimiteit en seksualiteit.

A2025/8995
Beslissing van 3 april 2026

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 3 april 2026 op de klacht van:

INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd in Utrecht,
klaagster, hierna ook: de Inspectie,
vertegenwoordigd door: drs. E.E.P. Eiling, mr. Q.J.M.A. Amelink en mr. E.G. van Diggele-Lootens,

tegen

A,
verpleegkundige,
destijds werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigden: mr. D.A.M. Blom en mr. D.C. Coppens, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1 De Inspectie verwijt de verpleegkundige dat hij seksueel grensoverschrijdend heeft gehandeld jegens een cliënte die verbleef in een instelling waar hij werkzaam was. Dit handelen bestond uit het aanleggen, het activeren en het vasthouden van een seksspeeltje. De verpleegkundige heeft het handelen erkend, maar voert verweer ten aanzien van het grensoverschrijdende karakter en verzoekt het college om geen maatregel op te leggen.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de verpleegkundige tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en de klacht gegrond is. Als maatregel legt het college een voorwaardelijke schorsing van twee maanden op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 september 2025;
- het verweerschrift.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.


2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 februari 2026. De partijen zijn verschenen. De verpleegkundige werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D.A.M. Blom. Klaagster werd vertegenwoordigd door mr. Q.J.M.A. Amelink en drs. E.E.P. Eiling. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht en pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten
3.1 De verpleegkundige was sinds 11 maart 2019 werkzaam bij C (hierna: de instelling). Sinds juli 2022 werkte hij als avond-, nacht- en weekend hoofd (ANW hoofd). Bij de instelling verbleef een cliënte vanwege haar ernstige lichamelijke beperkingen door Multiple Sclerose. Zij was volgens de informatie van de instelling wilsbekwaam.

3.2 In de nacht van 6 op 7 april 2023 heeft een collega van de verpleegkundige geluiden van, volgens haar, zoenen, kreunen, pijpen en gerommel op de kamer van de cliënte gehoord. Zij heeft niet op de kamer gekeken, maar op de gang gewacht en ze heeft de verpleegkundige, toen die uit de kamer kwam, met haar bevindingen geconfronteerd. De verpleegkundige heeft volgens de collega op dat moment aangegeven dat er dingen zijn gebeurd die niet hoorden en hij heeft daarbij gesproken over seksuele handelingen. De collega heeft gezegd dat de verpleegkundige ontslag moest nemen.

3.3 Op 11 april 2023 heeft de verpleegkundige daadwerkelijk ontslag genomen.

3.4 De collega heeft het incident op 18 april 2023 bij de manager van de instelling gemeld.

3.5 De instelling heeft het incident op 26 april 2023 bij de Inspectie gemeld. Daarnaast heeft de Inspectie op 1 juli 2023 een melding ontslag wegens disfunctioneren ontvangen van de instelling. Naar aanleiding van deze meldingen heeft de Inspectie onderzoek gedaan en een rapport opgesteld.

3.6 Tijdens het onderzoek van de Inspectie heeft de verpleegkundige verschillende verklaringen afgelegd, waarin hij onder meer naar voren heeft gebracht dat hij een vertrouwensband had met de cliënte en haar al jaren kende. Verder heeft de verpleegkundige verklaard dat hij de cliënte bij haar seksuele behoeften ondersteunde. Volgens de verpleegkundige had de cliënte hem vaker gevraagd om een seksspeeltje bij haar aan te brengen en te activeren, omdat zij dat zelf door haar lichamelijke beperkingen niet kon. De verpleegkundige heeft naar zijn zeggen dit verzoek enkele malen ingewilligd, waarbij hij zei dat hij direct na het aanbrengen en activeren van het speeltje altijd enige tijd in de badkamer wachtte. In de bewuste nacht had de verpleegkundige het seksspeeltje op verzoek van de cliënte ook aangebracht en geactiveerd, waarna de cliënte terwijl de verpleegkundige het seksspeeltje nog vasthield onverwachts al een hoogtepunt zou hebben bereikt. Dit was volgens de verpleegkundige ongewild en ongewenst en hij durfde dit niet met collega’s of zijn leidinggevende te bespreken, vanwege de vertrouwensband met de cliënte en schaamte.


3.7 De cliënte heeft verklaard dat het handelen eenmalig is gebeurd, dat er verder geen andere seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en dat er niets tegen haar zin is gebeurd. Verder heeft zij niet willen meewerken aan het onderzoek van de instelling.

3.8 In de zienswijze van de verpleegkundige op het rapport van de Inspectie staat vermeld dat de verpleegkundige stelt dat hij geen kwade bedoelingen heeft gehad, dat de regels rondom seksualiteit voor hem onduidelijk waren en dat hij beter had moeten nadenken, ook over de gevolgen van het inwilligen van de hulpvraag van de cliënte.

3.9 Op 16 september 2025 heeft de Inspectie onderhavige tuchtklacht ingediend.

4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 De Inspectie verwijt de verpleegkundige dat hij de professionele grenzen die hij in acht behoort te nemen heeft overschreden door seksueel grensoverschrijdend te handelen door een seksspeeltje aan te leggen, te activeren en vast te houden bij een cliënte die verbleef in een instelling waar hij werkzaam was.

4.2 De verpleegkundige heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2 De Inspectie heeft in haar klaagschrift geconcludeerd dat de verpleegkundige heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ten opzichte van patiënte(n) had behoren te betrachten en daarmee in strijd heeft gehandeld met de normen zoals genoemd in artikel 47, eerste lid, van de Wet BIG. Hierbij heeft de Inspectie verwezen naar de volgende beroepsnormen (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):

“Artikel 2.4 van de Nationale beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden, 2015:
“Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (en/of zijn vertegenwoordiger) professionele grenzen in acht. Dat betekent onder andere dat ik:
- geen misbruik maak van de afhankelijke positie van de zorgvrager.
- mij niet schuldig maak aan intimidatie of geweld.
- mijn collega’s of leidinggevende om hulp vraag als ik merk dat de professionele grenzen dreigen te vervagen of overschreden dreigen te worden.

“Artikel 4.7 van de Nationale beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden, 2015:
“Als verpleegkundige/verzorgende bewaak ik de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van mijzelf en van de beroepsgroep. Dat betekent onder andere dat ik mij bij de uitoefening van mijn beroep gedraag op een manier die het vertrouwen van zorgvragers in mijzelf en de beroepsgroep bevordert.”

5.3 Verder heeft de Inspectie onder meer verwezen naar een zogeheten Verrijking van de Nationale beroepscode voor Verpleegkundige en Verzorgenden, de Notitie “Omgaan met aspecten van seksualiteit tijdens de beroepsuitoefening” uit 2011. Ook is verwezen naar het beleid van de instelling, te weten Beleidsdocument 1.7 “Seksualiteit en seksueel misbruik, preventie van seksueel misbruik van en omgaan met seksualiteit bij bewoners en cliënten” uit 2020. In dit beleidsdocument staat specifiek vermeld:
“De medewerker zal zich onthouden van daadwerkelijke hulp aan bewoners bij seksuele handelingen anders dan het scheppen van voorwaarden, voor zover dat in het zorgleefplan is vastgelegd. Daaronder kan worden verstaan het bij elkaar in bed leggen van bewoners als zij dat als gevolg van een lichamelijke handicap niet zelf kunnen.”

5.4 De Inspectie heeft in het klaagschrift opgemerkt dat er in het zorgplan van de cliënte geen afspraken zijn vastgelegd over de ondersteuning bij seksuele behoeften. De verpleegkundige is meegegaan in het ondersteuningsverzoek van de cliënte zonder onderzoek te doen naar afspraken hierover of navraag te doen bij zijn leidinggevende of zijn collega’s. Het handelen van de verpleegkundige is volgens de Inspectie onmiskenbaar een seksuele handeling. De Inspectie verwijt de verpleegkundige dat hij daarmee een essentiële norm heeft overschreden, namelijk dat verpleegkundigen zich dienen te onthouden van het aangaan van seksueel grensoverschrijdende contacten en handelingen met cliënten in de zorgrelatie, ook indien de cliënt daarmee instemt of er uitdrukkelijk om verzoekt.

5.5 Ter zitting is namens de verpleegkundige bepleit dat hij geen seksuele handelingen heeft verricht bij of met de cliënte. Hij heeft op meerdere momenten op verzoek van de cliënte het seksspeeltje aangebracht en geactiveerd, maar is vervolgens nooit in dezelfde ruimte gebleven en heeft daarmee nooit toegezien op de handeling. Verder heeft de situatie die door de collega is opgemerkt zich maar één keer voorgedaan en is niet gebleken dat er iets tegen de wil van de cliënte is gebeurd. Wel erkent de verpleegkundige dat hij de hulpvraag van de cliënte niet zonder meer had moeten honoreren. Hij had zorgvuldiger moeten handelen door de hulpvraag eerst te bespreken met zijn collega’s of zijn leidinggevende. Verder is aangevoerd dat er bij de instelling geen vastgelegde kaders of instructies waren waar de verpleegkundige zich op kon beroepen. De conclusie is dat de klacht ongegrond moet worden verklaard, aldus de verpleegkundige.

5.6 Het college is van oordeel dat sprake is van seksueel grensoverschrijdend gedrag van de verpleegkundige. Het aanleggen, het activeren en het vasthouden van een seksspeeltje bij een cliënte, onafhankelijk van het vervolgens al of niet bij die cliënte aanwezig zijn op het moment dat die cliënte een orgasme krijgt, kan niet anders worden beschouwd dan als het verrichten van een seksuele handeling. Dit was weliswaar in dit geval de wens van cliënte, maar dat maakt het oordeel dat sprake is van overschrijding van de professionele grenzen die de verpleegkundige in zijn positie als zorgverlener in acht behoort te nemen niet anders. Dit is tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5.7 Hierbij komt dat de verpleegkundige ervoor heeft gekozen om in te gaan op de zorgvraag van de cliënte, zonder dit met collega’s of zijn leidinggevende te bespreken. Het college rekent het de verpleegkundige aan dat hij niet zorgvuldig is omgegaan met de zorgvraag van de cliënte maar er zelfstandig voor heeft gekozen om de wensen van de cliënte in te willigen. De verpleegkundige heeft ook erkend dat dit anders had gemoeten. De wens van cliënte had moeten worden besproken om te kijken hoe dit ingevuld had kunnen worden binnen de instelling. Het college wijst erop dat een zorgverlener niet zelfstandig, ook niet uit sympathie of op grond van een vertrouwensband, mag ingaan op dergelijke kwetsbare wensen van cliënten/patiënten. Dit volgt ook uit de brochure van de Inspectie “Het mag niet, het mag nooit”.

5.8 Hoewel dit een zorgverlener niet ontslaat van de genoemde eigen professionele verantwoordelijkheid voor de veilige zorgrelatie, heeft het college vastgesteld dat er in deze specifieke situatie wel beleid was bij de instelling, maar dat dit beleid voor meerdere interpretaties vatbaar was en, naar de zorgverlener onweersproken heeft gesteld, niet werd besproken op de werkvloer. Het college acht het van groot belang dat bij zorginstellingen aandacht is voor het thema seksualiteit en intimiteit, waarbij een instelling zorg dient te dragen voor een veilige werksfeer om het onderwerp te bespreken.

5.9 Alles tezamen is het college van oordeel dat de verpleegkundige met zijn handelen de professionele grenzen heeft overschreden. Dat de cliënte heeft ingestemd met het handelen van de verpleegkundige dan wel specifiek hierom zou hebben gevraagd maakt dit oordeel niet anders.

Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is. De conclusie is dat de verpleegkundige heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens de cliënte had behoren te betrachten.

Maatregel
5.11 De Inspectie heeft ter zitting het college verzocht om de klacht gegrond te verklaren en een passende maatregel op te leggen die enerzijds recht doet aan de patiëntveiligheid in de toekomst en anderzijds past bij de huidige stand van zaken.

5.12 De verpleegkundige heeft het college verzocht om de klacht ongegrond te verklaren dan wel af te zien van het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel. Daartoe is aangevoerd dat hij van de situatie heeft geleerd en dat er momenteel geen sprake is van een situatie die een ernstige bedreiging kan betekenen voor de veiligheid van cliënten of de zorg, omdat hij momenteel niet met cliënten werkt. Ter zitting heeft de verpleegkundige aangevoerd dat deze zaak hem al bijna drie jaar achtervolgt en dat dit hem zwaar valt, en dat hij het liefst zijn BIG-registratie niet geheel kwijt zou raken, omdat hij wellicht ooit nog verder in de zorg zou kunnen werken. Ook heeft hij spijt betuigd dat hij in is gegaan op de zorgvraag van de cliënte.

5.13 Het college dient te beoordelen welke maatregel hier op zijn plaats is. Deze maatregel dient enerzijds recht te doen aan de ernst van dit seksueel grensoverschrijdend gedrag en anderzijds de veiligheid van cliënten in de toekomst zo goed mogelijk te waarborgen. Hiervoor is het immers noodzakelijk dat een zorgverlener de professionele grenzen van de beroepsgroep respecteert en in acht neemt.

5.14 Het college neemt in aanmerking dat de verpleegkundige openheid van zaken heeft gegeven tijdens het onderzoek van de Inspectie en tijdens onderhavige tuchtprocedure, hoewel hij deels wisselende verklaringen heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat de verpleegkundige ter zitting onvoldoende inzicht heeft getoond in de onderliggende factoren en kwetsbaarheden van zijn positie als verpleegkundige, hoe hij tot het overschrijden van de professionele grens is gekomen of maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen. Dat brengt een risico op herhaling met zich mee. Het college acht het dan ook van belang dat de verkleegkundige hierin wordt ondersteund.

5.15 Bij deze feiten en omstandigheden past een schorsing van de bevoegdheid om de aan de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor een periode van twee maanden, die niet zal worden uitgevoerd onder de voorwaarde dat de verpleegkundige in een proeftijd van één jaar niet opnieuw tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt. Het college acht het daarnaast van belang dat de verpleegkundige zich (meer) bewust wordt van het bewaken van zijn professionele grens in zijn werkzaamheden. Het college legt dan ook een bijzondere voorwaarde op aan de verpleegkundige, namelijk het volgen van een cursus dan wel training met als doel om meer inzicht en handvatten te krijgen in hoe om te gaan met het thema Afstand en Nabijheid in de werkrelatie. Het college verzoekt de Inspectie een geschikte cursus dan wel training aan te dragen aan de verpleegkundige. De proeftijd zal één jaar bedragen, gezien de lange duur van het onderzoek van de Inspectie en de daaropvolgende tuchtprocedure.

5.16 Alles afwegende legt het college een geheel voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee maanden op met als bijzondere voorwaarde het volgen van een cursus dan wel training met het thema Afstand en Nabijheid in de werkrelatie.

5.17 Tot slot merkt het college nog het volgende op. Ter zitting is onder meer ter sprake gekomen dat er volgens de verpleegkundige op de werkvloer niet altijd voldoende en structureel aandacht wordt besteed aan de vraag hoe om te gaan met vragen rondom intimiteit en seksualiteit van cliënten. Het is belangrijk dat dit thema niet alleen in beleid
wordt uitgewerkt, maar dat dit ook in teambijeenkomsten of intervisiegroepen wordt besproken met en tussen de medewerkers. In een werksituatie, zeker bij een relatief langdurig verblijf van cliënten waarbij een zekere (vriendschappelijke) band kan ontstaan tussen cliënten en de zorgverleners, moet voldoende aandacht zijn voor afstand en nabijheid ook als het gaat om kwetsbare behoeftes zoals de behoefte aan intimiteit en seksualiteit. Er moet een werkomgeving zijn waarin hierover wordt gesproken, zeker als er een beleidsplan ligt dat voor ruimere uitleg vatbaar is. Dit ontslaat echter de verpleegkundige op geen enkele wijze van zijn professionele verplichting te handelen volgens de voor hem geldende beroepsnormen.

Publicatie
5.18 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Het college ziet meerwaarde in het publiceren van een uitspraak over seksueel grensoverschrijdend gedrag, waarbij andere zorgverleners en mogelijk ook zorginstellingen iets kunnen leren van wat hiervoor is overwogen. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- schorst de bevoegdheid van de verpleegkundige om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van twee (2) maanden;
- beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het college later anders mocht bepalen omdat de verpleegkundige voor het einde van een proeftijd van één jaar:
o zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de zorg die hij als verpleegkundige behoort te betrachten of in strijd is met hetgeen een behoorlijk verpleegkundige betaamt; en
o zich niet heeft gehouden aan de navolgende bijzondere voorwaarde:
1. De verpleegkundige volgt een cursus dan wel training met het thema Afstand en Nabijheid in de werkrelatie, een en ander in overleg tussen de verpleegkundige en de Inspectie vorm te geven;
De verpleegkundige informeert, binnen een door de Inspectie te bepalen termijn, de Inspectie over deze cursus, geeft de Inspectie toestemming om informatie in te winnen over de voortgang van de cursus en informeert de Inspectie als de cursus is afgebroken, gestopt of afgerond.
- draagt de Inspectie op toezicht te houden op de bijzondere voorwaarde;
- bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk is geworden;
- bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat de verpleegkundige in het register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit te oefenen;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact, Nursing en V&VN magazine.


Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, W.M. Creemers, lid-jurist, I.M. Bonte, W.J. van der Meer en D.M. van Etten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.