ECLI:NL:TGZRAMS:2026:7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8234
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-01-2026 |
| Datum publicatie: | 09-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8234 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Het college stelt voorop dat de gedwongen uitzetting van klager een heftige en ingrijpende gebeurtenis voor hem is geweest,. Het gebeurde heeft ook de verpleegkundige die als medisch escort betrokken was erg aangegrepen. De videobeelden van de uitzetting die door de gemachtigde van klager zijn gemaakt zijn veelvuldig gedeeld in (sociale) media waarbij de vraag is opgekomen hoe ver wij als samenleving willen gaan in het uitzetten van mensen en of het toezicht daarop goed is geregeld. Het college benadrukt dat het niet tot taak heeft om op die vragen een antwoord te geven. Het college is kritisch over de toelichting van de verpleegkundige over de conclusie dat klager voldoende zuurstof had omdat hij luid schreeuwde. Indien een patiënt aangeeft benauwd te zijn of zuurstof tekort te komen, moet dat voor een verpleegkundige aanleiding zijn om die klacht te onderzoeken, onder andere door de saturatie te meten. Naar het oordeel van het college kon de verpleegkundige niet volstaan met de inschatting dat het in orde was omdat klager in staat was om te schreeuwen. Op dat punt acht het college de door de verpleegkundige geboden zorg onvoldoende. Voor het overige wordt de klacht ongegrond verklaard en in één klachtonderdeel is klager niet-ontvankelijk. Het college volstaat met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel. |
A2025/8234
Beslissing van 9 januari 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 9 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
gemachtigden: C en D,
tegen
E,
verpleegkundige,
destijds werkzaam te F,
verweerder, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigde: mr. E.E. Rippen, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is een vluchteling uit G die asiel heeft aangevraagd in Nederland. In
mei 2024 zou hij met een burgervliegtuig vanaf Schiphol worden uitgezet naar H onder
begeleiding van medewerkers van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar). De verpleegkundige
was als medische escort bij de uitzetting aanwezig. De piloot van het vliegtuig heeft
twee keer het taxiën naar de startbaan onderbroken, de eerste keer om demonstranten
tegen de uitzetting van boord te laten halen, de tweede keer vanwege de medische situatie
van klager. Klager is vervolgens naar het ziekenhuis vervoerd en niet uitgezet naar
H.
1.2 Klager heeft een klacht ingediend tegen de verpleegkundige met als belangrijkste bezwaren dat de verpleegkundige ten onrechte zijn prioriteit heeft gelegd bij het laten doorgaan van de uitzetting in plaats van bij de gezondheid van klager en aan die uitzetting ook actief heeft meegewerkt. De verpleegkundige verweert zich tegen de klachten.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat klager bij een klachtonderdeel niet-ontvankelijk is. Verder is de klacht op één onderdeel gegrond en voor het overige ongegrond. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, waaronder een USB-stick, ontvangen op 4 maart
2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het klaagschrift inclusief handtekening van klager, ontvangen op 26 juni 2025;
- de brief van de gemachtigde van klager van 27 juni 2025, ontvangen op 30 juni
2025,
- de brief van de gemachtigde van de verpleegkundige van 5 augustus 2025 met bijlage,
ontvangen op 6 augustus 2025,
- het proces-verbaal van het op 26 augustus 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de e-mail van de gemachtigde van de verpleegkundige van 24 november 2025 met bijlage.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 28 november 2025. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. Klager werd tevens bijgestaan door een tolk in de I taal. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd. De medewerker van de KMar die als escortcommandant de leiding had over de uitzetting is ter zitting als getuige gehoord.
3. De feiten
3.1 Klager is een vluchteling uit G die asiel heeft aangevraagd in Nederland. Na
een negatieve beslissing op zijn asielaanvraag zou hij in mei 2024 worden uitgezet
naar H. Die uitzetting vond plaats met een burgervliegtuig onder begeleiding van medewerkers
van de KMar.
3.2 De verpleegkundige was destijds werkzaam bij J. Die organisatie verzorgt medische escorts en repatriëring van zieke of gewonde personen vanuit het buitenland en levert medische escorts bij de uitzetting van uitgeprocedeerde asielzoekers in opdracht van de Dienst Terugkeer & Vertrek van het Ministerie van Asiel en Migratie.
3.3 De verpleegkundige heeft van zijn werkgever de opdracht gekregen om als medische escort aanwezig te zijn bij de uitzetting van klager. Hij heeft een dossier ontvangen met daarin gegevens en het patiëntendossier van klager. Op 20 mei 2024 was de verpleegkundige aanwezig bij het vervoer van klager van het detentiecentrum in K naar Schiphol. Op Schiphol is klager overgedragen aan de KMar. De verpleegkundige heeft medische controles bij klager verricht, waaruit geen bijzonderheden volgden. Klager weigerde de aan hem voorgeschreven kalmerende medicatie.
3.4 Voorafgaand aan het aan boord gaan van het vliegtuig hebben medewerkers van de KMar bij klager een bodycuff aangebracht. Klager, vier medewerkers van de KMar en de verpleegkundige gingen als eerste aan boord. Zij namen plaats op de achterste rij in het vliegtuig. Het vliegtuig had één gangpad. Klager zat aan de rechterzijde van het gangpad, gezeten tussen twee medewerkers van de KMar. De verpleegkundige zat op dat moment op de achterste rij aan de linkerzijde van het gangpad. 3.5 Toen de andere passagiers aan boord kwamen, heeft klager zich verzet tegen zijn uitzetting. Klager heeft continu geroepen, onder andere om ‘Oxygen’, probeerde op te staan en is hevig gaan bewegen. De medewerkers van de KMar hebben klager in een zijligging gebracht met zijn hoofd op de schoot van de ene medewerker bij het raam en zijn onderbenen op de schoot van de andere medewerker bij het gangpad. Ook is een zogenaamde kaakfixatie of kaakklem toegepast. Daarbij wordt met de handpalm tegen de onderkant van de kin geduwd, waardoor de kin naar boven wordt gedrukt zodat de mond wordt dichtgeduwd. Daarnaast zijn op dat moment de onderbenen van klager met behulp van tie-wraps, een enkel- en brede beenband gefixeerd in een hoek van 90 graden.
3.6 Voor vertrek hebben twee grondmedewerkers van de KMar het vliegtuig verlaten. Nadat het vliegtuig in beweging was gekomen om te taxiën naar de startbaan zijn twee passagiers (waaronder een van de gemachtigden van klager) in het gangpad gaan staan. Zij zeiden dat zij dit deden om de uitzetting van klager te stoppen en zij riepen andere passagiers op om zich bij hen aan te sluiten en ook te gaan staan. De gemachtigde van klager heeft hiervan video-opnamen gemaakt.
3.7 Op enig moment is de verpleegkundige naar de gemachtigde van klager toegelopen en is met haar in gesprek gegaan. Hij heeft haar gevraagd om te gaan zitten zodat het vliegtuig kon vertrekken. De gemachtigde heeft video-opnamen gemaakt van dit gesprek.
3.8 Op een later moment werd de escortcommandant van de KMar gevraagd om naar de cockpit te gaan voor overleg met de piloot. Hij heeft de verpleegkundige toen verzocht om zijn positie bij de voeten van klager in te nemen. De verpleegkundige heeft dit gedaan.
3.9 Terwijl de verpleegkundige in die positie zat, is de gemachtigde van klager naar de verpleegkundige toegegaan en heeft hem verzocht om de uitzetting te laten stoppen. Ook van dat gesprek heeft zij video-opnamen gemaakt. De verpleegkundige heeft haar verzocht om hem niet te filmen. Tijdens dat gesprek heeft hij gezegd dat hij arts is.
3.10 De piloot is teruggekeerd naar de gate. Daar zijn de gemachtigde van klager en de andere demonstrerende passagier door de KMar van boord gehaald. Daarna is het vliegtuig opnieuw vertrokken om te taxiën naar de startbaan. Klager verzette zich nog steeds hevig, verbaal en fysiek. Op enig moment vertoonde hij een abnormale ademhaling. De verpleegkundige heeft hem rechtop laten zetten en getracht controles uit te voeren. Daarbij kreeg hij geen meetgegevens. In overleg met de verpleegkundige heeft de escortcommandant de uitzetting laten afbreken. De verpleegkundige heeft zuurstof toegediend.
3.11 Het vliegtuig is opnieuw teruggekeerd naar de gate. De medische dienst van
Schiphol heeft de zorg voor klager overgenomen. Omdat ook daarbij geen uitsluitsel
werd gekregen over de gezondheidssituatie van klager, is klager met een ambulance
naar het ziekenhuis vervoerd voor verdere controles.
3.12 Klager werd beoordeeld op de Eerste Hart Long Hulp van het ziekenhuis. Hij is dezelfde dag ontslagen uit het ziekenhuis.
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klager verwijt de verpleegkundige dat:
a) hij te laat heeft ingegrepen terwijl klagers gezondheid onder toezicht van de
verpleegkundige in gevaar werd gebracht;
b) hij actief heeft meegewerkt aan de uitvoering van de uitzetting;
c) hij niet gekwalificeerd was om de uitzetting te begeleiden;
d) hij ten onrechte heeft gezegd dat hij arts was (titelmisbruik);
e) zijn handelen ernstige gevolgen heeft gehad voor de mentale gezondheid van klager;
en
f) hij de beroepsgroep een slechte naam heeft bezorgd.
4.2 De verpleegkundige heeft het college verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klachtonderdeel over het titelmisbruik en dat klachtonderdeel dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college dat klachtonderdeel wel inhoudelijk gaat beoordelen en voor de overige klachtonderdelen heeft de verpleegkundige het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college stelt voorop dat de gedwongen uitzetting van klager een heftige
en ingrijpende gebeurtenis voor hem is geweest, dat blijkt uit zijn verklaring, het
dossier en de video-opnamen van de uitzetting die in het dossier zitten. Het gebeurde
heeft ook de verpleegkundige erg aangegrepen, hij is vanwege deze gebeurtenissen met
het werk als medische escort gestopt. De video-opnamen van de uitzetting die door
de gemachtigde van klager zijn gemaakt zijn veelvuldig gedeeld in (sociale) media
waarbij de vraag is opgekomen hoe ver wij als samenleving willen gaan in het uitzetten
van mensen en of het toezicht daarop goed is geregeld. De gemachtigden van klager
hebben die vragen ook in deze procedure naar voren gebracht. Het college benadrukt
dat het niet tot taak heeft om op die vragen een antwoord te geven. Het college geeft
alleen een oordeel over het individuele handelen van de verpleegkundige tijdens deze
uitzetting.
Ontvankelijkheid
5.2 Het college beoordeelt het niet-ontvankelijkheidsverweer ten aanzien van de
klacht over het titelmisbruik onder randnummer 5.15 en verder.
De criteria voor de beoordeling
5.3 Het college beoordeelt of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van
hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende
verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige
geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter
anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Ten aanzien van de specifieke omstandigheden waaronder de verpleegkundige in deze
zaak zijn werkzaamheden heeft verricht, neemt het college tot uitgangspunt dat de
uitzetting van klager rechtmatig was. Daar mocht de verpleegkundige ook van uitgaan.
Klachtonderdeel a) te laat ingrijpen en onvoldoende zorg
5.4 Klager verwijt de verpleegkundige dat hij twee uur lang door de KMar in een
zijligging en kaakklem is gehouden, wat voor hem heel beangstigend was. Hij kon niet
goed ademhalen, wat hij ook heeft laten weten door ‘Oxygen’ te roepen. Pas op een
heel laat moment heeft de verpleegkundige ingegrepen.
5.5 De verpleegkundige is het niet eens met het verwijt. Hij licht toe dat hij op Schiphol voor het instappen in het vliegtuig de saturatie, pols en bloeddruk van klager heeft gecontroleerd. Die waren normaal. Aan boord van het vliegtuig begon klager zich hevig verbaal en fysiek te verzetten op het moment dat andere passagiers aan boord kwamen. Vanwege dat verzet heeft de KMar hem in een liggende positie gebracht en een kaakklem toegepast. Met die kaakklem is de mond van klager dichtgehouden, maar zijn neus vrijgehouden. De verpleegkundige heeft de gezondheidssituatie gemonitord. Uit het feit dat klager hard schreeuwde, heeft de verpleegkundige afgeleid dat hij genoeg zuurstof had. Uit het feit dat klager heftig heen en weer bewoog, leidde hij af dat de circulatie ook gewaarborgd was. Hij heeft daarom op dat moment geen metingen gedaan. Bij de tweede poging tot take-off heeft de verpleegkundige klager rechtop laten zetten omdat hij ineens een abnormale ademhaling had. De verpleegkundige heeft een pijnprikkel toegediend op de monnikskapspier waarop klager geen adequate reactie gaf. De verpleegkundige heeft de bodycuff los laten maken en geprobeerd de bloeddruk en saturatie van klager te meten, maar deze waren niet meetbaar. Daarop heeft de KMar na overleg met de verpleegkundige besloten om de uitzetting te laten afbreken, hetgeen ook is gebeurd. De verpleegkundige heeft op dat moment zuurstof toegediend. De hele situatie heeft inderdaad lang geduurd, maar dat is in belangrijke mate te wijten aan het feit dat een van de gemachtigden van klager in het vliegtuig protesteerde tegen de uitzetting en van boord moest worden gehaald.
5.6 Het college stelt vast dat klager voor de uitzetting door een arts is onderzocht, die heeft geoordeeld dat klager ‘fit to fly’ was en daar ook een verklaring voor heeft afgegeven. De verpleegkundige mocht op die beoordeling afgaan. Vervolgens was het zijn taak om tijdens de uitzetting de gezondheidstoestand van klager te bewaken. Uit de toelichting van de verpleegkundige leidt het college af dat hij voorafgaand aan het aan boord gaan op een correcte wijze een nulmeting heeft verricht. Het college oordeelt ook dat de verpleegkundige de juiste zorg heeft verleend toen hij bij de tweede poging tot take-off bemerkte dat de ademhaling van klager abnormaal werd, door hem rechtop te laten zetten, controles uit te voeren, zuurstof toe te dienen en te adviseren om de uitzetting te laten afbreken toen hij geen objectieve meetgegevens kreeg.
5.7 Het college is wel kritisch over de toelichting van de verpleegkundige over de daartussenin gelegen periode tijdens de eerste poging tot take-off, waarin hij concludeerde dat klager voldoende zuurstof had omdat hij zo luid schreeuwde. Indien een patiënt aangeeft benauwd te zijn of zuurstof tekort te komen, moet dat voor een verpleegkundige aanleiding zijn om die klacht te onderzoeken, onder andere door de saturatie te meten. Naar het oordeel van het college kon de verpleegkundige niet volstaan met de inschatting dat het in orde was, omdat klager in staat was om te schreeuwen. Het kan namelijk voorkomen dat een patiënt het ene moment nog in staat is om te roepen en kort erna verslechtert. Op dat punt acht het college de door de verpleegkundige geboden zorg onvoldoende.
5.8 Voor zover klager bedoelt dat de verpleegkundige wist dat klager in G en H mishandeld en gemarteld was en daarom had moeten voorkomen dat hij werd blootgesteld aan een nieuwe traumatische ervaring die de uitzettingspoging voor klager is geweest1, acht het college dat een ongegrond verwijt. De verpleegkundige mocht er bij het uitoefenen van zijn taken op vertrouwen, zoals gezegd, dat de uitzetting rechtmatig was en dat klager geschikt was bevonden om uitgezet te worden. Dat de uitzetting door het verzet van klager en de daarop toegepaste dwangmiddelen door de KMar een heftige en ingrijpende gebeurtenis werd en dat die situatie vanwege het protest tegen de uitzetting ook een lange duur heeft gehad, zijn omstandigheden die niet aan de verpleegkundige tegengeworpen kunnen worden en die hem op zichzelf ook niet hoefden te bewegen tot het laten afbreken van de uitzetting.
5.9 Het eerste klachtonderdeel is gedeeltelijk gegrond vanwege het oordeel in 5.7.
Klachtonderdeel b) actief meewerken aan de uitzetting
5.10 Klager verwijt de verpleegkundige actief te hebben meegewerkt aan de uitzetting.
Zo heeft hij klager geduwd, geslagen en geknepen. Ook heeft hij op enig moment de
positie van de escortcommandant overgenomen en klager toen in de ligprocedure gehouden
en zijn benen in bedwang gehouden. De verpleegkundige is ook in gesprek gegaan met
passagiers, waaronder de gemachtigde van klager die tegen de uitzetting protesteerde.
Dit alles behoorde niet tot zijn taak.
5.11 De verpleegkundige betwist dat hij klager heeft geslagen of ander geweld heeft
toegepast. Hij erkent dat hij op een gegeven moment op de plek van de escortcommandant
is gaan zitten en toen de onderbenen van klager heeft vastgehouden. Er was op dat
moment sprake van een uitzonderlijke situatie waardoor de verpleegkundige daartoe
gedwongen werd. Door het protest van de gemachtigde van klager en een andere passagier
kon het vliegtuig niet vertrekken. De escortcommandant moest met de piloot overleggen
en heeft hem toen gevraagd zijn positie bij de onderbenen van klager tijdelijk over
te nemen. Als hij dat niet zou hebben gedaan, zou de veiligheid van klager of van
anderen in gevaar hebben kunnen komen, gelet op het hevige verzet van klager. De verpleegkundige
voert verder aan dat hij ook vanwege die noodsituatie is opgestaan om met de gemachtigde
van klager te gaan praten. De escortcommandant kon niet opstaan omdat hij de benen
van klager op dat moment vast had, er was geen medische noodsituatie bij klager en
het vliegtuig kon niet vertrekken vanwege het protest van de gemachtigde. Hij heeft
toen aangeboden om met de gemachtigde in gesprek te gaan om te vragen of zij wilde
gaan zitten. Voor deze situatie bestaat geen draaiboek maar hij heeft naar eer en
geweten gehandeld, zo voert de verpleegkundige aan.
5.12 Het college stelt vast dat er geen bewijs is dat de verpleegkundige klager heeft geduwd of geslagen. De verpleegkundige ontkent dit expliciet, de getuige verklaart dat dit niet is gebeurd en uit de video-opnamen blijkt dit evenmin, anders dan het klaagschrift suggereert (pagina 5 eerste regel). Ook het knijpen van klager komt om dezelfde reden niet vast te staan, afgezien van het toepassen van de pijnprikkel in de monnikskapspier waarvoor een medische reden bestond.
5.13 Het staat wel vast dat de verpleegkundige op enig moment in gesprek is gegaan met de gemachtigde van klager en haar heeft gevraagd om haar protest te staken. Ook staat vast dat hij later enige tijd de positie van de escortcommandant heeft overgenomen en toen de benen van klager, die in zijligging lag, heeft vastgehouden. Deze twee dingen behoren niet tot de taak van de verpleegkundige, hij had immers tot taak om de gezondheidssituatie van klager te bewaken. Het college houdt echter rekening met de uitzonderlijke omstandigheden waarin de verpleegkundige zijn werk moest doen, namelijk in de context van een gedwongen uitzetting met hevig verzet door klager en protest door de gemachtigde van klager en een andere passagier waardoor het vliegtuig niet kon vertrekken. Het college oordeelt dat de verpleegkundige weliswaar dingen heeft gedaan die niet behoren tot zijn taak, maar dat hij daarmee in de gegeven omstandigheden niet buiten de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is getreden. Het college acht het ongelukkig dat de verpleegkundige ook dingen is gaan doen buiten zijn taak, maar dat maakt niet dat hij niet de zorg heeft gegeven die van hem mocht worden verwacht. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel c) niet gekwalificeerd
5.14 Klager vindt dat de verpleegkundige niet gekwalificeerd was om de uitzetting
te begeleiden, omdat volgens de ‘fit to fly’-verklaring klager begeleid moest worden
door een ‘medisch psychiatrisch verpleegkundige’, een titel waarover de verpleegkundige
niet beschikt.
5.15 Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond, in de eerste plaats omdat de verpleegkundige niet over de ‘fit to fly’-verklaring beschikte en dus niet wist welke eisen de keurende arts aan de medische escort had gesteld. Alleen al om die reden kan hem van een eventuele discrepantie geen verwijt worden gemaakt. In de tweede plaats is het klachtonderdeel ongegrond, omdat ‘medisch psychiatrisch verpleegkundige’ geen officiële functietitel of specialisatie is. BIG-geregistreerde verpleegkundigen zijn breed gekwalificeerd, zowel op somatisch als op psychiatrisch vlak. De verpleegkundige is primair opgeleid tot somatisch verpleegkundige en heeft aanvullende opleiding en training gevolgd op psychiatrisch gebied. Hij was daarmee gekwalificeerd om de uitzetting te begeleiden.
Klachtonderdeel d) titelmisbruik
5.16 Klager verwijt de verpleegkundige dat hij in het vliegtuig heeft gezegd dat
hij arts is, terwijl hij verpleegkundige is. Van dit moment zijn video-opnamen gemaakt
die in het dossier zitten. De verpleegkundige voert primair een niet-ontvankelijkheidsverweer.
Hij erkent tegen de gemachtigde van klager te hebben gezegd dat hij arts was, maar
dat was een verspreking onder stressvolle omstandigheden terwijl zij wist dat hij
verpleegkundige was. Dit handelen kan niet getoetst worden aan de eerste tuchtnorm,
omdat geen sprake was van een behandelrelatie tussen de gemachtigde en de verpleegkundige.
Toetsing aan de tweede tuchtnorm is ook niet aan de orde omdat het verweten handelen
onvoldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg, zo voert
hij aan.
5.17 Het college volgt de verpleegkundige in zijn niet-ontvankelijkheidsverweer. Uit de video-opnamen blijkt dat de verpleegkundige tegen de gemachtigde van klager, die in het vliegtuig tegen de uitzetting protesteerde, heeft gezegd dat hij arts was, terwijl hij haar vroeg om hem niet te filmen. Tussen de gemachtigde van klager en de verpleegkundige bestaat geen behandelrelatie dus kan deze uitspraak niet getoetst worden aan de eerste tuchtnorm2 die gaat over een tekortschieten ten opzichte van een patiënt of zijn naaste betrekking. De tweede tuchtnorm3 gaat over gedragingen die niet onder de eerste tuchtnorm vallen maar in strijd zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij toetsing aan de tweede tuchtnorm, het verweten handelen weerslag moet hebben op de individuele gezondheidszorg, bijvoorbeeld omdat die het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig kan schaden. Naar het oordeel van het college heeft de uitspraak van de verpleegkundige dat hij arts is, tegen de hem filmende gemachtigde in een gesprek dat erover gaat dat hij niet gefilmd wil worden, geen weerslag op de individuele gezondheidszorg. Klager is daarom niet-ontvankelijk in zijn klacht op dit onderdeel en het college komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het handelen op dit punt.
Klachtonderdelen e) gevolgen van de uitzettingspoging en f) reputatie voor de beroepsgroep
5.18 Met de verpleegkundige oordeelt het college dat in het tuchtrecht de toetsing
van het handelen van de zorgverlener centraal staat. Het college oordeelt niet over
een verband tussen dat handelen en de gestelde gevolgen ervan, omdat dit niet relevant
is voor de beoordeling van het handelen. Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.
Slotsom en maatregel
5.19 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a gedeeltelijk gegrond
is. De door de verpleegkundige geboden zorg is onvoldoende geweest bij het onderzoeken
van een eventueel tekort aan zuurstof. Uit het feit dat klager hard schreeuwde en
heftig heen en weer bewoog had de verpleegkundige niet zonder meer kunnen concluderen
dat geen sprake was van een zuurstoftekort. Klager is verder niet-ontvankelijk in
klachtonderdeel d en de overige onderdelen van de klacht zijn ongegrond. Dat betekent
dat de klacht voor het grootste gedeelte niet slaagt. Het college houdt verder rekening
met het feit dat het handelen van de verpleegkundige plaatsvond in zeer uitzonderlijke
omstandigheden, deels veroorzaakt door klager en zijn gemachtigde. Het college weegt
verder mee dat de verpleegkundige zich toetsbaar heeft opgesteld en openheid van zaken
over zijn handelen heeft gegeven. Het college gaat ervan uit dat de verpleegkundige
de beoordeling van zijn handelen als leerpunt ter harte zal nemen. Om deze redenen
tezamen is het college van oordeel dat het raadzaam is om te volstaan met een gegrondverklaring
zonder oplegging van een maatregel.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel d;
- verklaart klachtonderdeel a gedeeltelijk gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door M.M. van ‘t Nedereind, voorzitter, C.H. van Dijk,
lid-jurist, W.M.E. Bil, D.M. van Etten en E.M. Rozemeijer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door M.A.E. Veeren, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.