ECLI:NL:TGZRAMS:2026:69 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8550

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:69
Datum uitspraak: 31-03-2026
Datum publicatie: 31-03-2026
Zaaknummer(s): A2025/8550
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij hem geen toegang heeft gegeven tot zijn dossier, ten onrechte diagnoses aan zijn medisch dossier heeft toegevoegd en heeft gedreigd met een Veilig Thuis-melding. Klager heeft ruimschoots binnen de wettelijke termijn een afschrift van zijn dossier ontvangen. Het toevoegen van diagnoses in het dossier betreft een administratieve handeling en de gz-psycholoog heeft vooraf overlegd met de psychiater. Niet gebleken dat de gz-psycholoog een Veilig Thuis-melding heeft gedaan. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

A2025/8550

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 31 maart 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klager,

tegen

C,
gz-psycholoog,
destijds werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de gz-psycholoog,
gemachtigde: mr. K.T.B. Salomons, werkzaam in ’s-Gravenhage.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager is behandeld door de gz-psycholoog. Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij zijn 
patiëntenrechten heeft geschonden, ten onrechte de diagnose schizofrenie en psychose aan zijn 
medisch dossier heeft toegevoegd en heeft gedreigd een melding te doen bij Veilig Thuis. Volgens 
klager heeft dit ernstige gevolgen voor hem gehad.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht van klager kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ 
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan partijen te stellen en dat duidelijk is dat de 
klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is 
verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de Engelstalige bijlagen, ontvangen op 28 mei 2025;
-  het aanvullende klaagschrift met de Nederlandstalige bijlagen;
-  de e-mail van klager van 20 juli 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek van 21 oktober 2025;
-  de brief van de gemachtigde van de gz-psycholoog van 15 december 2025, met aanvullende bijlagen.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld, gelijktijdig met de klacht tegen de 
psychiater (A2025/8549). Dit betekent dat het college de zaak heeft beoordeeld op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   Klager was sinds 18 mei 2022 in behandeling bij de ambulante instelling voor verslavingszorg 
waar de gz‑psycholoog werkzaam is en optrad als regiebehandelaar. De behandeling was in eerste 
instantie gericht op het stoppen van het cannabisgebruik en op verdere diagnostiek rondom ADHD. 
Daarnaast werd aandacht besteed aan de relatieproblemen tussen klager en zijn toenmalige partner en 
de impact daarvan op hun jonge kinderen. In september 2024 toonde klager zich toenemend wantrouwend 
ten opzichte van zijn toenmalige partner en schoonouders en gaf hij aan zich zeer onveilig te 
voelen.

3.2   Op 12 september 2024 had klager een gesprek met de gz-psycholoog, een ggz-verpleegkundige en 
een psychiater (NB: niet dezelfde psychiater als degene tegen wie klager eveneens een klacht heeft 
ingediend A2025/8549) over de mogelijkheid voor een vrijwillige opname. In de behandelrapportage 
noteerde de gz-psycholoog: ”Beleid: Toewerken naar opname gezien psychotische decompensatie bij 
cannabisgebruik, waarbij in toenemende mate druk komt te staan op clt en het systeem, waaronder 
twee kinderen (5 j en 7 j).”
Klager gaf aan bang te zijn dat zijn kinderen niet veilig zouden zijn 
als hij werd opgenomen, maar had tegelijkertijd behoefte aan rust. Hij is diezelfde dag vrijwillig 
opgenomen.

3.3   Tijdens de opname vonden verschillende Zorgafstemmingsgesprekken (ZAG) plaats, waarbij ook de 
gz-psycholoog in haar rol als ambulant regiebehandelaar en zijn partner aanwezig waren. De 
gz‑psycholoog richtte zich in deze gesprekken vooral op het optimaliseren van de thuissituatie na 
ontslag. Op 20 november 2024 schreef de gz‑psycholoog: “Verloop: tav waanideeën valt op dat clt 
meer kan twijfelen en uitspreekt dat zijn overtuigingen mogelijk “due to psychosis” waren.”

3.4   Op 28 januari 2025 had de gz-psycholoog een afrondend gesprek met klager en zijn partner. Dit 
gesprek ging over de zorgen rond de gespannen thuissituatie en de mogelijke impact daarvan op de 
kinderen. Diezelfde dag vroeg klager om een afschrift van zijn dossier, dat hij op 7 februari 2025 
ontving.

4. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
4.1  Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij:
a) zijn patiëntenrechten heeft belemmerd;
b) zonder consult of onderbouwing de diagnoses psychose en schizofrenie aan het dossier heeft toegevoegd;
c) heeft gedreigd een melding bij Veilig Thuis te doen.
Dit verweten handelen heeft volgens klager grote (juridische) gevolgen voor hem gehad.

4.2  De gz-psycholoog heeft het college gemotiveerd verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De centrale vraag is of de gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar mocht worden 
verwacht. De toetsingsmaatstaf is die van een redelijk bekwame en redelijk handelende 
gz-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de
gz-psycholoog geldende beroepsnormen en overige professionele standaarden. Daarnaast geldt het 
uitgangspunt dat zorgverleners uitsluitend tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen 
handelen.

5.2  Het college oordeelt dat de gz-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 
Volgens het college heeft zij zorgvuldig gewerkt

Klachtonderdeel a) belemmering patiëntenrechten
5.3   Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij de uitoefening van zijn patiëntenrechten heeft 
belemmerd door hem geen toegang te geven tot zijn dossier. Volgens klager ontving hij uiteindelijk, 
en met vertraging, een geprinte versie.

5.4   De gz-psycholoog heeft toegelicht dat klager op 28 januari 2025 om inzage in zijn medisch 
dossier verzocht en dat hij dit op 7 februari 2025 heeft ontvangen. Zij betwist dat er stukken in 
het dossier zouden ontbreken.

5.5   Het recht op inzage in en afschrift van het medisch dossier is vastgelegd in artikel 7:456 
van het Burgerlijk Wetboek (WGBO). Een patiënt heeft recht op een kosteloos afschrift van zijn 
medische gegevens, en een zorgverlener moet een verzoek tot inzage of verstrekking van een kopie in 
beginsel binnen één maand honoreren.
Het college stelt vast dat klager tien dagen na zijn verzoek een afschrift van zijn medisch dossier 
heeft ontvangen, wat (ruimschoots) binnen de wettelijke termijn valt. Het college is niet gebleken 
dat onderdelen van het dossier ontbreken. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b) ongeautoriseerde diagnoses
5.6   Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij op 9 januari 2025, zonder overleg met hem en zonder 
zijn instemming, de voorlopige diagnoses psychose en schizofrenie in zijn dossier heeft opgenomen. 
Klager betwist deze diagnoses en stelt dat deze nooit met hem zijn besproken.

5.7   Volgens de gz-psycholoog is geen sprake van ongeautoriseerde diagnoses. Zij heeft meerdere 
keren geprobeerd dit aan klager uit te leggen. De gz-psycholoog wijst erop dat uit de behandelrapportages blijkt dat klager waanideeën had en zelf sprak over een mogelijke psychose. Dit was ook kort vóór de opname vastgesteld. De gz-psycholoog licht toe dat de DSM-5-classificatie ontbrak in de door de kliniek opgestelde ontslagbrief van 2 januari 2025, waardoor deze op 9 januari 2025 alsnog aan het dossier moest worden toegevoegd. Voor een juiste classificatie heeft zij intensief overleg gevoerd met de psychiater. Zij legt uit dat ‘waandenkbeelden’ niet als zodanig kunnen worden ingevoerd op het daarvoor bestemde DSM-formulier. Vanwege de psychotische problematiek en het ontbreken van beter passende classificaties werd daarom de code ‘298.8 – andere gespecificeerde schizofreniespectrum – of andere psychotische stoornis’ gebruikt met als toegevoegde specificatie: stressor-gerelateerde paranoïde- en stemmingssymptomen tijdens overbelasting.

5.8   Het college ziet dat dit een administratieve handeling betreft en dat de gz-psycholoog 
zorgvuldig heeft gehandeld door vooraf overleg te voeren met de psychiater. Het college oordeelt 
dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel c) Veilig Thuis
5.9   Klager stelt dat de gz-psycholoog anoniem contact heeft opgenomen met Veilig Thuis. Ook zou 
er volgens hem zijn gedreigd dat een melding bij Veilig Thuis zou worden gedaan, wat hij 
onbegrijpelijk vindt.

5.10  De gz-psycholoog betwist dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt, heeft gedreigd met een 
melding bij Veilig Thuis of daadwerkelijk een melding heeft gedaan. Zij licht toe dat in de 
gesprekken met klager regelmatig diens waanideeën en de invloed daarvan op de thuissituatie zijn 
besproken. Volgens de gz-psycholoog heeft Veilig Thuis op enig moment aangegeven dat de 
thuissituatie als onveilig werd beoordeeld en dat, wanneer hier niet op korte termijn verbetering 
in zou komen, er zou worden ingegrepen. Dit heeft zij op 28 januari 2025 met klager besproken. De 
gz-psycholoog zelf is niet betrokken geweest bij een melding bij Veilig Thuis.

5.11  Voor het college is niet duidelijk geworden op wie de gestelde Veilig Thuis-melding precies 
betrekking heeft. Voor zover deze aan de gz-psycholoog wordt toegeschreven, blijkt nergens uit dat 
zij een officiële melding heeft gedaan. Het dossier bevat hiervoor geen aanknopingspunten. Wel 
heeft de gz-psycholoog anoniem overlegd met Veilig Thuis, zoals ook is bepaald in de Meldcode 
huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit getuigt volgens het college van zorgvuldigheid, gezien 
de mogelijke effecten van de problematiek van klager op de nog in het gezin aanwezige kinderen. 
Omdat klager en de gz-psycholoog over de Veilig Thuis-melding verschillend verklaren, en er geen 
extra bewijs is voor klagers lezing, kan het college niet aannemen dat er sprake was van een Veilig 
Thuis-melding door de gz-psycholoog. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

Slotsom
5.12  Op grond van het voorgaande volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 31 maart 2026 door E.A. Messer, voorzitter, S.J.A. de Vries en
E.L. Chavannes, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.I.M. de Haan, secretaris.