ECLI:NL:TGZRAMS:2026:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8549
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:68 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-03-2026 |
| Datum publicatie: | 31-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8549 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager verwijt de psychiater een gebrek aan transparantie, het invoeren van een retroactieve diagnose en onprofessioneel en agressief gedrag. Uit het dossier blijkt dat de psychiater klager steeds uitgebreid te woord heeft gestaan en de behandeling heeft proberen toe te lichten. Geen aanwijzingen dat de psychiater zich onprofessioneel of agressief heeft gedragen. Het invoeren van de diagnose in het dossier was een administratieve handeling waarbij de psychiater niet betrokken was. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
A2025/8549
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 31 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
tegen
C,
psychiater,
destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. K.T.B. Salomons, werkzaam in ’s-Gravenhage.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is behandeld door de psychiater. Klager verwijt de psychiater een gebrek
aan
transparantie, het invoeren van een retroactieve diagnose en onprofessioneel en
agressief gedrag.
Volgens klager hebben deze gedragingen voor hem ernstige gevolgen gehad.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht van klager kennelijk ongegrond
is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de
klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe
de procedure is
verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de Engelstalige bijlagen, ontvangen op 28 mei 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de Nederlandstalige bijlagen;
- de e-mail van klager van 20 juli 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek van 21 oktober 2025;
- de brief van de gemachtigde van de psychiater van 15 december 2025, met aanvullende
bijlagen.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld, gelijktijdig met de klacht
tegen de
gz-psycholoog (A2025/8550). Dit betekent dat het college de zaak heeft beoordeeld
op
basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager was van 12 september 2024 tot en met 17 december 2024 vrijwillig opgenomen
in de
ggz‑kliniek waar de psychiater werkzaam is. De behandeling was in eerste instantie
gericht op het
stoppen van het cannabisgebruik en op verdere diagnostiek rondom ADHD. Daarnaast
werd aandacht
besteed aan de relatieproblemen tussen klager en zijn toenmalige partner en de impact
daarvan op
hun jonge kinderen. Klager toonde zich toenemend wantrouwend ten opzichte van zijn
toenmalige
partner en schoonouders en gaf aan zich zeer onveilig te voelen. De psychiater was
toen nog niet
betrokken bij de behandeling van klager. Na deze opname bleef klager in behandeling
binnen dezelfde
kliniek.
3.2 Op 6 februari 2025 had klager voor het eerst contact met de psychiater, die
toen als
waarnemend psychiater betrokken raakte. Tijdens dit gesprek keken zij samen in het
medisch dossier.
Klager uitte daarbij zijn onvrede over de psychiatrische diagnose rond psychotische
klachten, de
klinische ontslagbrief en hoe gebeurtenissen uit de eerdere periode waren geïnterpreteerd.
Op 20
maart 2025 volgde een tweede gesprek om verder kennis te maken.
3.3 Op 23 april 2025 hadden klager en de psychiater telefonisch contact. Klager
was toen net
verhuisd en in scheiding met zijn partner. Naar aanleiding van dit gesprek maakte
de psychiater een
aantekening in de behandelrapportage:“Uitleg gegeven over afwezigheid van [gz-psycholoog,
zaaknummer A2025/8550] en mijn rol als tijdelijk waarnemer voor haar en mijn herziening
op de
eerder gestelde waarschijnlijkheidsdiagnose bij aanvang van klinische detox en klinische
behandeling. Het beloop en het herstel zijn leidend en bieden mogelijkheden om in
retrospect de
diagnose te actualiseren. Per mail een concept van de diagnostiek bij aanvang, herziening
op
meerdere punten en de meest waarschijnlijke retrospectieve diagnose op basis van
het huidige
klinische beeld. Pt ontvangt het concept, leest dit door en reageert op het document:
(…)”.
3.4 Op die 23e april 2025 vroeg klager de psychiater om een medische verklaring
over de
behandeling en diagnostiek van zijn detox. Hij wilde deze verklaring gebruiken in
de
echtscheidingsprocedure en in het traject rondom ouderschap en voogdij. De psychiater
heeft de
verklaring op 1 mei 2025 per e-mail aan klager gestuurd.
3.5 Op 21 mei 2025 was klager bijna klaar met zijn behandeling bij de psychiater
en vond de
behandelevaluatie plaats. De psychiater noteerde: “Hoewel herhaald is toegelicht dat de medische
verslaglegging zich baseert op het behandelverloop en actuele beoordeling van functioneren,
blijft
betrokkene vasthouden aan het idee dat de opname ten onrechte is geïnitieerd vanuit
de aanname
psychose, zou nooit psychotisch zijn geweest en legt opnieuw zijn eigen interpretatie
uit: opname
was vrijwillig om verdere emotionele crisis te voorkomen en om partner gerust te
stellen. De
klinische diagnose, pas na het opnameproces formeel vastgelegd in DSM in het dossier,
leidt tot
onbegrip. Ondanks uitleg over het verschil tussen diagnosestelling en de datum van
registratie,
houdt hij vast aan zijn interpretatie dat dit een onjuiste of oneerlijke weergave
betreft van de behandeling. De achterdocht jegens de rol van zijn ex-partner blijft
hierin doorslaggevend.”
En over de communicatie tijdens het gesprek noteerde de psychiater: “Op het moment
dat verdere
structurering en begrenzing niet meer bijdragen aan rust of richting in het gesprek,
is besloten
het overleg te beëindigen. Het gesprek liep hierdoor 20 minuten uit. Bij vertrek
erkende betrokkene
dat hij mogelijk te ver is gegaan in zijn manier van uiten en bood hiervoor zijn
excuses aan.
Afscheid genomen en succes gewenst met zijn toekomst in E”
3.6 Na dit gesprek had de psychiater geen verdere betrokkenheid meer bij de behandeling
van
klager.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt de psychiater dat hij:
a) niet transparant is geweest;
b) een retroactieve diagnose in het medisch dossier heeft vastgelegd;
c) onprofessioneel en agressief gedrag heeft vertoond.
Dit verweten handelen heeft volgens klager grote (juridische) gevolgen voor hem
gehad.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Hij
geeft aan dat
hij het betreurt dat klager de gesprekken niet als steunend heeft ervaren en deze
zelfs als
onprofessioneel en agressief heeft beleefd. De psychiater benadrukt dat hij steeds
heeft geprobeerd
binnen zijn professionele rol zorgvuldig uitleg te geven en ondersteuning te bieden.
Ook wilde hij
voorkomen dat psychiatrische diagnostiek een stigmatiserende rol zou krijgen in
de
echtscheidingsprocedure.
4.3 Het college gaat hierna in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De centrale vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem mocht
worden
verwacht. De toetsingsmaatstaf is die van een redelijk bekwame en redelijk handelende
psychiater.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen
en
overige professionele standaarden. Daarnaast geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
uitsluitend
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld.
Volgens het college heeft hij zorgvuldig gewerkt.
Klachtonderdeel a) gebrek aan transparantie
5.3 Klager verwijt de psychiater dat hij tussen 7 en 11 februari 2025 niet passend
heeft
gereageerd op zijn verzoeken. Klager wilde zijn diagnose bespreken en zich voorbereiden
op zijn
juridische verweer in de echtscheidingsprocedure.
5.4 De psychiater heeft toegelicht dat hij begrijpt dat klager veel stress ervoer
door de
aanstaande echtscheidingsprocedure, maar dat het hem niet kan worden verweten dat
hij dit niet
direct met klager kon bespreken. Op 6 februari 2025 vond het kennismakingsgesprek
plaats, en vanaf
dat moment heeft hij de vragen van klager opgepakt en samen met hem het dossier
doorgenomen.
5.5 Het college kan niet vaststellen dat de psychiater hierin onzorgvuldig heeft
gehandeld. Uit
het dossier blijkt juist dat hij klager steeds uitgebreid te woord heeft gestaan
en de behandeling
heeft proberen toe te lichten. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b) retroactieve diagnose
5.6 Klager verwijt de psychiater dat op 9 januari 2025, zonder overleg, de voorlopige
diagnoses
psychose en schizofrenie in zijn dossier zijn gezet. Hij betwist deze diagnoses
en stelt dat ze
nooit met hem zijn besproken. Ook vindt hij dat de psychiater op 21 mei 2025 een
‘retroactieve
diagnose’ psychose heeft bevestigd.
5.7 De psychiater heeft dit tijdens het eerste gesprek op 6 februari 2025 toegelicht.
Klager vond
de diagnose van 9 januari 2025 in strijd met de ontslagbrief van 2 januari 2025.
De psychiater
legde uit dat het ging om het aanvullen van de administratieve DSM-classificatie,
die nog ontbrak in de ontslagbrief. Dat is op 9 januari 2025 hersteld door de gz-psycholoog
(tegen wie klager ook een klacht heeft ingediend, A2025/8550). De psychiater benadrukt
dat hij geen nieuwe diagnose heeft gesteld, maar alleen bestaande bevindingen uit
de
opname heeft verduidelijkt.
5.8 Het college ziet dat het invoeren van de diagnoses een administratieve handeling
was waarbij
de psychiater niet betrokken was. Hij heeft dit later alleen uitgelegd aan klager.
Omdat het
tuchtrecht uitgaat van persoonlijke verwijtbaarheid, wordt dit klachtonderdeel ongegrond
verklaard
Klachtonderdeel c) onprofessioneel en agressief gedrag
5.9 Klager vindt dat de psychiater zich tijdens het consult op 21 mei 2025 agressief
en
onprofessioneel heeft gedragen.
5.10 De psychiater legt uit dat alle gesprekken in het Engels werden gevoerd, omdat
klager
Braziliaans is en zich in het Nederlands minder goed kan uitdrukken. Volgens de
psychiater kan een
misverstand door de taal hebben bijgedragen aan deze klacht. Hij vertelt dat het
gesprek begon in
goede sfeer, maar dat klager steeds emotioneler werd toen de diagnostiek en verwijzingen
naar psychotische symptomen aan bod kwamen. Uiteindelijk heeft de psychiater het gesprek
volgens het veiligheidsprotocol beëindigd en klager gevraagd de kamer te verlaten.
Daarna bood klager zijn excuses aan en werd het contact passend afgerond.
5.11 Het college kan niet vaststellen dat de psychiater zich onprofessioneel of agressief
heeft
gedragen. In het dossier zijn hiervoor geen aanwijzingen te vinden. Omdat klager
en de psychiater
verschillend verklaren en er geen aanvullend bewijs is voor klagers lezing, kan
het college de
juistheid van dit verwijt niet vaststellen. Het klachtonderdeel wordt daarom ongegrond
verklaard.
Slotsom
5.10 Op grond van het voorgaande volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 31 maart 2026 door E.A. Messer, voorzitter, P.D. Meesters
en
T.A. Wouters, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.I.M. de Haan, secretaris.