ECLI:NL:TGZRAMS:2026:65 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8455
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:65 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-03-2026 |
| Datum publicatie: | 31-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8455 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een gz-psycholoog. Klager is voor een deel van de klacht kennelijk niet-ontvankelijk omdat hij geen rechtstreeks belanghebbende is. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond. Klacht niet feitelijk onderbouwd en door de gz-psycholoog gemotiveerd bestreden. |
A2025/8455
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 31 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
gemachtigde: mr. A.B. Noordhof, werkzaam in Eindhoven,
tegen
C,
gz-psycholoog,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de gz-psycholoog,
gemachtigde: mr. K.T.B. Salomons, werkzaam in Den Haag.
1. De zaak in het kort
1.1 De dochter van klager, geboren op 18 januari 2000, is in de periode van september
2022 tot
eind 2023 in behandeling geweest bij D, in verband met ernstige depressieve klachten.
In die
periode heeft zij diverse suïcidepogingen gedaan. Door medewerkers van D is een
melding gedaan bij
de politie tegen klager, vanwege vermoeden van seksueel misbruik en verkrachting
van zijn dochter.
Klager is vervolgens door de politie aangehouden als verdachte en heeft van 23 december
14.00 uur
tot 24 december 2023 19.30 uur vastgezeten. De zaak is door het OM op 23 april 2024
geseponeerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager in een onderdeel van zijn klacht
kennelijk
niet-ontvankelijk is en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 2 mei 2025;
- het aanvullende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juni 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 17 juli 2025;
- de reactie (van de gemachtigde) van klager op het niet-ontvankelijkheidsverweer,
binnengekomen op 6 augustus 2025, met bijlage;
- de brief van de gemachtigde van de gz-psycholoog van 23 september 2025, binnengekomen
op 25
september 2025, gericht aan het tuchtcollege, met een drietal bijlagen, onder embargo
ingestuurd
naar aanleiding van een door de gemachtigde gedaan verzoek op grond van artikel
67 lid 3 Wet BIG.
- de brief van 11 november 2025 van de secretaris bij het tuchtcollege waarin staat
dat het
artikel 67 lid 3-verzoek door de voorzitter is gehonoreerd, hetgeen betekent dat
alleen de
gemachtigde van klager, die advocaat is, kennis mag nemen van de informatie. De
gemachtigde is deze
gelegenheid geboden.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
3.1 Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij:
a) een niet-bestaand incesttrauma onterecht heeft gediagnosticeerd;
b) dwang heeft uitgeoefend op de dochter van klager om valse aangiften/meldingen
te doen bij de
politie;
c) de ouders actief heeft buitengesloten, ondanks herhaald verzoek om betrokkenheid;
d) mentorschap en bewindvoering achter hun rug om heeft geregeld, terwijl ouders
hiervoor geschikt
waren en dit expliciet hadden aangegeven;
e) heeft gehandeld buiten protocol door handtekening te verkrijgen tijdens gedwongen
opname (CIB D).
3.2 De gz-psycholoog heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de
klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk
gaat beoordelen, heeft de gz-psycholoog het college verzocht de klacht ongegrond
te verklaren.
3.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid en inhoudelijke beoordeling
4.1 De gz-psycholoog heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is
in de klacht,
omdat -voor wat betreft klachtonderdeel a)- klager weliswaar een naaste betrekking
is, maar niet is
gebleken dat de dochter met de klacht heeft ingestemd en duidelijk is dat de dochter
geen klachten
heeft over de gz-psycholoog. Klager, die in de gelegenheid is gesteld op (onder
meer) dit
ontvankelijkheidsverweer te reageren, heeft geen enkel woord gewijd aan deze stellingen
van de gz-psycholoog. Het college komt tot het oordeel dat klager in dit klachtonderdeel
kennelijk niet-ontvankelijk is.
Dat ligt anders voor de overige klachtonderdelen. Het college kan niet uitsluiten
dat de
klachtonderdelen b) tot en met e), indien feitelijk juist, klager rechtstreeks in
zijn eigen belang
raken en vallen onder de zogenaamde tweede tuchtnorm van artikel 47 eerste lid,
onder b, Wet BIG
(enig ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar
betaamt).
Maar omdat klager deze klachtonderdelen niet feitelijk heeft onderbouwd, en de gz-psycholoog
deze
waar mogelijk -zonder daarbij de vertrouwelijke informatie waar het de patiënt-dochter
relatie
betreft prijs te geven- gemotiveerd heeft bestreden, zal het college al deze klachtonderdelen
ongegrond verklaren.
Slotsom
4.2 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager in klachtonderdeel a) kennelijk
niet
ontvankelijk dient te worden verklaard en de onderdelen b) tot en met e)
kennelijk ongegrond zijn.
5. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel a);
De klacht is voor het overige in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 31 maart 2026 door E.A. Messer, voorzitter, S.J.A. de
Vries en
E.L. Chavannes, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.I.M. de Haan, secretaris.