ECLI:NL:TGZRAMS:2026:64 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8563
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:64 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-03-2026 |
| Datum publicatie: | 31-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8563 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arbo-arts. Klager verwijt de arts dat zij rapportages heeft opgesteld op basis van een ander ziektebeeld en dat zij niet heeft meegewerkt aan de aanvraag van een second opinion. Niet is gebleken dat de arts zonder aanleiding een medische klacht heeft betrokken bij de beoordeling. Aannemelijk dat klager niet eerder een second opinion had aangevraagd. Overige klachtonderdelen ook kennelijk ongegrond. |
A2025/8563
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 31 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
tegen
C,
arts,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is gedurende een aantal maanden door de arts begeleid tijdens zijn
verzuim. Klager
verwijt de arts – onder andere – dat zij rapportages heeft opgesteld op basis van
een ander
ziektebeeld, niet transparant is geweest over het feit dat zij nog in opleiding
is en dat zij niet
heeft meegewerkt aan het doorzetten van een second opinion aanvraag.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht
kennelijk
ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen
te stellen en
dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt
het college eerst
hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de reactie op het verweer van de zijde van klager (repliek);
- de reactie van de zijde van verweerster (dupliek);
- de e-mail van de zijde van verweerster van 21 november 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). In eerste instantie is een
mondeling
vooronderzoek gepland op 26 augustus 2025, dat is geannuleerd door klager. Later
heeft klager
aangegeven dat hij geen gebruik meer wilde maken van de mogelijkheid
van een mondeling vooronderzoek.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 De arts is werkzaam bij D en is in de hoedanigheid van arbo-arts betrokken
geweest bij de
verzuimbegeleiding van klager.
3.2 Op 9 december 2024, 27 februari 2025 en 18 maart 2025 is klager op consult geweest bij de arts.
3.3 In een e-mail van 8 mei 2025 heeft klager bij zijn werkgever gevraagd om een
second opinion.
Op 23 mei 2025 bevestigde D aan klager dat het verzoek tot een second opinion inmiddels
in gang is
gezet.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat:
a) zij tijdens het eerste gesprek niet heeft aangegeven dat ze in opleiding is;
b) zij de consultrapportages enkel naar de teamleider heeft gestuurd en niet ook
naar klager zelf;
c) zij niet tijdig gehoor heeft gegeven aan de wens van klager om een second opinion;
d) zij onjuistheden in rapportages niet heeft verbeterd;
e) zij rapportages heeft opgesteld op basis van een andere ziekte dan de werkelijke
reden waarom
klager zich heeft ziekgemeld;
f) D niet bereikbaar is en enkel een algemeen mailadres hanteert.
4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Dat een
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
en overweegt
daartoe (per klachtonderdeel afzonderlijk) als volgt.
Klachtonderdeel a) niet aangegeven dat zij in opleiding is
5.3 Klager verwijt de arts dat zij in het eerste consult niet transparant is geweest
over het
feit dat zij onder supervisie werkt en nog in opleiding is. Verweerster heeft dat
in haar
verweerschrift betwist en aangegeven dat zij dit tijdens het eerste consult op 9
december 2024 wel
aan klager heeft verteld en dat zij dit ook in de rapportage van het consult heeft
opgenomen.
5.4 Het college stelt voorop dat het voor patiënten duidelijk moet zijn wanneer
zij worden
behandeld door een arts die nog in opleiding is of onder supervisie handelt. Met
verweerster is het
college van oordeel dat zij zich voldoende heeft ingespannen om klager daarvan op
de hoogte te
stellen. Zo heeft klager zelf ook aangegeven in zijn klaagschrift dat hij tijdens
het eerste
consult op enig moment op de gang moest wachten omdat zij met haar supervisor moest
overleggen. Dat
klager tijdens het eerste consult niet op de hoogte is gesteld van het feit dat
verweerster in
opleiding was, is dan ook niet gebleken. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
Klachtonderdelen b) en e) inhoud van de rapportages en de verzending van de rapportage
5.5 Het college zal deze twee klachtonderdelen gezamenlijk bespreken.
5.6 Klager verwijt de arts dat zij in haar rapportage van 18 maart 2025 ten onrechte
medische
gegevens van klager heeft opgenomen over zijn nierprobleem, wat voor klager niet
de reden is
geweest van zijn ziekmelding. Daarnaast verwijt klager de arts dat hij de rapportages
niet heeft
ontvangen die zijn opgesteld na de consulten van 9 december 2024 en 27 februari
2025.
5.7 De arts heeft in haar verweerschrift toegelicht dat het door technische redenen
tijdelijk
niet mogelijk was om rapportages via het verzuimsysteem te verzenden aan klager.
De arts heeft
aangegeven dat zij de rapportages aan de werkgever heeft verzonden en in deze berichten
heeft
gevraagd om de rapportages door te sturen aan klager. Op het moment dat de arts
van klager heeft
vernomen dat hij de rapportages niet had ontvangen, heeft zij direct actie ondernomen
en de
werkgever hierover bericht.
5.8 Het college stelt voorop dat een arts in een rol als verzuimbegeleider het medisch
dossier
van een patiënt dient te beoordelen en zelfstandig een beoordeling maakt over de
gevolgen van deze
medische informatie. Daarbij luistert een arts naar de klachten van een patiënt,
wint medische
gegevens in en verricht (indien nodig) zelf onderzoek. Het behoort dan ook tot de
taak van een
arbo-arts om eigen bevindingen hierover op te schrijven om zo een integraal beeld
te schetsen van
de klachten van klager. Het college stelt vast dat uit niets is gebleken dat de
arts, zonder
aanleiding, de nierproblemen heeft betrokken bij haar beoordeling. Uit het dossier
heeft het
college opgemaakt dat de mentale en fysieke klachten van klager ook in verband staan
met elkaar,
zodat het college niet tot de conclusie komt dat de arts ten onrechte deze informatie
heeft
betrokken in haar beoordeling. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
5.9 Voor zover klager klaagt over zijn stelling dat de arts geen medische informatie
heeft
opgevraagd, overweegt het college dat uit de toelichting en rapportages van de arts
blijkt dat zij
wel degelijk, met toestemming van klager, medische informatie heeft opgevraagd en
dat zij ook
nieuwe medische informatie heeft verkregen en verwerkt bij haar beoordeling.
5.10 Over de verzending van de rapportages overweegt het college het volgende. Het
uitgangspunt is
dat de arbo-arts de rapportage gelijktijdig aan de werkgever en werknemer stuurt.
Het is een soms
afgesproken werkwijze dat artsen de rapportage naar de werkgever sturen en dat de
werkgever het
vervolgens uploadt in een portaal waarin de werknemer ook kan kennisnemen van de
rapportage. Het
college is van oordeel dat de arts op een inzichtelijke wijze heeft toegelicht waarom
klager de
rapportages niet heeft ontvangen via het verzuimsysteem. Dat zij de rapportages
naar de werkgever
heeft verzonden en daarbij heeft gevraagd om de rapportages ook naar klager te sturen,
acht het
college dan ook begrijpelijk. Het college is van oordeel dat haar daarom geen tuchtrechtelijk
verwijt kan worden gemaakt, zodat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel c) second opinion
5.11 Klager stelt zich op het standpunt dat hij meerdere malen heeft gevraagd om
een second
opinion en dat verweerster hier geen gehoor aan heeft gegeven. Verweerster heeft
deze stelling
betwist en toegelicht dat zij tot mei 2025 niet heeft vernomen dat klager een second
opinion
wenste. Het eerste verzoek om een second opinion werd volgens verweerster door klager
gedaan op 8
mei 2025.
5.12 Het college stelt voorop dat zij niet op de hoogte is van wat er precies is
gezegd door
klager tijdens de consulten. Met verweerster heeft het college acht geslagen op
het bericht van
klager aan D van 25 april 2025, waarin hij aangeeft dat hij overweegt een second
opinion aan te
vragen. Gelet op deze informatie acht het college het aannemelijk dat klager niet
ook op een eerder
moment een second opinion heeft aangevraagd. Immers, hij was in april 2025 nog niet
zeker of hij
dat wilde. Op 8 mei 2025 heeft klager vervolgens bij D een second opinion aangevraagd
en dat
verzoek is toen meteen in behandeling genomen. Dit klachtonderdeel is daarom ook
ongegrond.
Klachtonderdeel d) onjuistheden in rapportage
5.13 Op 8 mei 2025 heeft klager een consult gehad bij een andere verzuimbegeleider,
een
Praktijkondersteuner Bedrijfsarts (POB). De arts is alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
voor
haar eigen handelen. Omdat dit klachtonderdeel niet is gericht naar de arts, zal
het college dit
klachtonderdeel ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel f) D
5.14 Klager beklaagt zich erover dat D niet bereikbaar is en dat klager hen alleen
via een
algemeen e-mailadres kan bereiken.
5.15 Het college zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren, nu deze klacht gericht
is op D als
organisatie en niet het persoonlijk handelen van de arts zelf. De arts is aangesloten
bij een
grotere organisatie. Hoe deze organisatie haar meldpunt heeft ingericht is niet
aan de arts, zodat
de arts hierover geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 31 maart 2026 door I.K. Spros, voorzitter, L. Knap,
lid-jurist,
J. Dogger, F.M. Brouwer en P. Eken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M.
Hanssen,
secretaris.