ECLI:NL:TGZRAMS:2026:63 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8772

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:63
Datum uitspraak: 31-03-2026
Datum publicatie: 31-03-2026
Zaaknummer(s): A2025/8772
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht tegen een arbo-arts. De arts heeft onvoldoende zorgvuldig gehandeld, zowel in zijn medische beoordeling als in zijn professionele opstelling. De arts heeft vastgehouden aan een vooraf ingenomen standpunt, zonder voldoende ruimte te laten voor alternatieve medische verklaringen van de klachten. Diagnostische benadering was beperkt. Onvoldoende gebleken van een open en luisterende houding. Klacht gegrond. Geen blijk van reflectie. Berisping opgelegd met bekendmaking in het register.

A2025/8772

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 31 maart 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,
gemachtigde: C, wonende in B,

tegen

D,
arts,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de arts,

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster verwijt de arts, die destijds werkzaam was als arbo-arts, dat hij onprofessioneel 
heeft gehandeld in de verzuimbegeleiding omdat hij minachting voor het welzijn van klaagster toonde 
door een afwijzende houding, niet luisterde naar klaagster en pogingen deed om haar uitspraken te 
manipuleren. Door dit handelen heeft de arts volgens klaagster zijn zorgplicht geschonden en de 
mentale klachten van klaagster verergerd. De arts voert verweer.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst 
hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 juli 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  een geluidsopname en transcriptie van het consult op 26 januari 2024;
-  de brief van verweerder als reactie op het transcript, binnengekomen op 18 november 2025;
-  een kopie van de brief van een arbeidspsycholoog van 25 januari 2024, aangeleverd door
klaagster, binnengekomen op 17 februari 2026.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 februari 2026. Klaagster is niet 
verschenen met bericht van verhindering. Zij werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde die werd 
vergezeld door een tolk. Verweerder is ter zitting verschenen. De gemachtigde van klaagster en 
verweerder hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. De feiten
3.1   Klaagster heeft zich op 21 november 2023 ziekgemeld bij haar werkgever. Op 19 december 2023 
vindt een telefonisch consult plaats met de arts. In het medisch dossier schrijft de arts: “Zij 
spreekt Engels en alleen maar huilen. Zij heeft al lange tijd mentale klachten op de werksituatie. 
Haar directe leidinggevende weet over de situatie. Zij heeft heel lang volgehouden maar in november 
2023 uitgevallen door burn-out klachten. (…)”

3.2   In de adviesrapportage rapporteert de arts onder meer dat klaagster stelt klachten te ervaren 
die deels samenhangen met de werksituatie, maar dat de klachten naar zijn oordeel berusten op 
ziekte. Hij adviseert een driegesprek met de werkgever onder leiding van een derde, omdat eerdere 
gesprekken niet tot een oplossing hebben geleid.

3.3   Op 28 december 2023 ontvangt klaagster een uitnodiging voor een driegesprek op 15 januari 
2024. Diezelfde dag laat zij per e-mail aan de Register Casemanager weten dat zij daartoe niet in 
staat is en eerst haar huisarts en een psycholoog wil bezoeken vanwege mentale problemen. Op 5 
januari 2024 stuurt zij een herinnering, omdat zij geen reactie heeft ontvangen op haar mail van 28 
december 2023. De Register Casemanager reageert op 10 januari 2024 waarbij het belang van het 
gesprek wordt benadrukt en wordt medegedeeld dat het gesprek niet wordt geannuleerd. Klaagster 
reageert op 11 januari 2024 per e-mail, waarin zij schrijft niet aanwezig te zijn en het 
eerstvolgende consult op 26 januari 2024 af te wachten.

3.4   In de adviesrapportage van 15 januari 2024 wordt genoteerd dat klaagster zonder tegenbericht 
niet is verschenen op het driegesprek, ondanks extra mailverkeer rondom de uitnodiging.

3.5   Op 26 januari 2024 vindt een fysiek consult plaats. Klaagster is aanwezig met haar partner. 
De partner heeft van het gesprek een heimelijke geluidsopname gemaakt. Deze geluidsopname is met 
een transcriptie aan het college overgelegd. Tijdens het gesprek benoemt de arts meerdere malen dat 
sprake zou zijn van een probleem met de werkgever of manager, zoals klaagster dat volgens hem 
eerder zou hebben aangegeven. Klaagster betwist dit en stelt dat er geen arbeidsconflict is. Haar 
partner overhandigt ter toelichting een brief van de psycholoog van klaagster, waar zij twee keer 
per maand een consult mee heeft, waarin de bevindingen van de psycholoog staan en waarin benadrukt 
wordt dat klaagster zich vanwege emotionele stress moeilijk kan verwoorden en behoefte heeft aan psychologische 
begeleiding en rust.

3.6   De arts benoemt dat klaagster niet aanwezig was bij het driegesprek. Wanneer de arts opnieuw 
verwijst naar een door de manager veroorzaakte situatie en aangeeft niet te begrijpen wat klaagster 
wil, verklaart klaagster dat het niet gaat om haar werk, maar om haar persoonlijke situatie. Zij 
raakt vervolgens in paniek, begint te huilen en verlaat de spreekkamer. Kort daarna verlaten 
klaagster en haar partner het pand.

3.7   De arts noteert in zijn dossier: “Zij huilt en praat, het is niet te volgen. Zij ontkent dat 
zij een probleem met haar werkgever heeft. Ik heb haar uitgelegd en notitie van vorige keer liet 
zien. Zij raakte in paniek en ging uit de kamer. Dhr. [geanonimiseerd] is ook bij betrokken geweest 
maar zij lag op gerond en huilde. Zij wilde niks en alleen huilen. Iom dhr. [geanonimseerd]: het is 
niet te beoordelen dus deskundige oordeel.’

3.8   In de terugkoppeling aan het bedrijf schrijft de arts: “Op basis van dit gesprek is 
beoordeling voor haar beperkingen is moeilijk inschatten. Uw werknemer is uit het spreekuur 
weggegaan. De situatie en mijn adviezen zijn onveranderd ten opzichte van mijn bevindingen d.d. 
19-12-2024. Dit betekent dat er naar mijn oordeel nog steeds geen sprake is van 
arbeidsongeschiktheid op medische gronden en dat ongewijzigd per medisch geschikt geacht wordt voor 
het werk. (…)”

3.9   Onder het kopje ‘vervolgafspraak’ schrijft de arts: “Het opnieuw aanbieden van uw werknemer 
op mijn spreekuur, zonder dat werkgever en werknemer stappen hebben gezet om met elkaar in gesprek 
te gaan, is niet zinvol.”

3.10  In de periode daarna wordt klaagster beoordeeld door het UWV. Tevens krijgt zij een afspraak 
bij een andere arts die werkzaam is bij hetzelfde verzuimbegeleidingsbedrijf als de arts.

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1   Volgens klaagster heeft de arts onprofessioneel gehandeld in de verzuimbegeleiding, omdat hij 
minachting voor het welzijn van klaagster toonde door een afwijzende houding, niet te luisteren 
naar klaagster en pogingen te doen om haar uitspraken te manipuleren. Door dit handelen heeft de 
arts volgens klaagster zijn zorgplicht geschonden en de mentale klachten van klaagster verergerd.

4.2   De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren en verzet zich tegen het 
inbrengen van de geluidsopname en de transcriptie van de geluidsopname door klaagster.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2   Vooropgesteld overweegt het college dat geluidsopnames die zonder toestemming zijn gemaakt in 
beginsel als bewijs in tuchtzaken worden toegelaten. Dat geldt ook indien de opname is gemaakt 
zonder voorafgaande mededeling aan de andere gesprekspartner.

5.3   Het college merkt daarbij op dat het vanzelfsprekend zorgvuldig en fatsoenlijk is om 
betrokken gesprekspartners vooraf te informeren over het maken van een geluidsopname, ook wanneer 
deze uitsluitend voor eigen gebruik is bedoeld. Hiervoor verwijst het college naar de KNMG 
handreiking ‘Opnemen van gesprekken door patiënten. Handreiking voor artsen’. Nu de opname is 
gemaakt door de partner van klaagster, die bij het gesprek aanwezig was en derhalve als 
gesprekspartner wordt gezien, ziet het college geen aanleiding deze buiten beschouwing te laten en 
zal de inhoud daarvan betrekken bij de beoordeling.

Onprofessioneel gehandeld in de verzuimbegeleiding
5.4   De klacht ziet in de kern op de wijze waarop de arts invulling heeft gegeven aan de 
verzuimbegeleiding van klaagster.

5.5   Het college stelt vast dat de arts in zijn dossier naar aanleiding van het consult van 19 
december 2023 heeft genoteerd dat klaagster Engels spreekt en alleen maar kon huilen. In zijn 
verweerschrift heeft de arts daarentegen aangevoerd dat sprake was van een goed gesprek, waarin 
klaagster haar situatie duidelijk heeft kunnen toelichten. Het college constateert dat deze 
weergaven niet met elkaar stroken en acht dit een relevante discrepantie in de terugkoppeling van 
de arts.

5.6   Vaststaat dat de arts voorafgaand aan het consult van 26 januari 2024 wist dat het geplande 
driegesprek geen doorgang had gevonden vanwege mentale klachten van klaagster. Tevens had hij 
contact gehad met de huisarts. Van de huisarts had hij vernomen dat de werkgever het loon van 
klaagster had stopgezet en dat klaagster daags tevoren bij de huisarts een paniekaanval had gehad, 
waarna zij per ambulance was afgevoerd. Daarnaast had de arts begrepen dat klaagster niet eerder 
hulp bij de huisarts had gezocht.

5.7   Tijdens het fysieke consult op 26 januari 2024 heeft de arts geconstateerd dat klaagster in 
paniek raakte, begon te huilen en de ruimte verliet. Tevens werd hem een brief van een 
organisatiepsycholoog overhandigd van 25 januari 2024. Desondanks is de arts bij zijn eerdere 
advies van 19 december 2023 gebleven.

5.8   Uit het dossier en de antwoorden van de arts ter zitting maakt het college op dat de arts 
primair is uitgegaan van de veronderstelling dat sprake was van een arbeidsconflict. Dat klaagster 
met een vaststellingsovereenkomst (VSO) uit dienst is gegaan, heeft hij als bevestiging van die 
veronderstelling beschouwd. Ook heeft hij gewicht toegekend aan het feit dat klaagster niet eerder 
om hulp bij de huisarts had gevraagd. Ter zitting heeft de arts verklaard dat huilen niet betekent 
dat iemand ziek is en dat hij om al deze redenen tezamen geen ziekte kon vaststellen.

5.9   Het college is van oordeel dat de arts hiermee onvoldoende blijk heeft gegeven van een open 
en hernieuwde medische beoordeling. Relevante signalen, waaronder de emotionele ontregeling, de 
paniekaanval en de informatie van de organisatiepsycholoog, zijn niet kenbaar in samenhang gewogen. 
De arts heeft vastgehouden aan een vooraf ingenomen standpunt, zonder voldoende ruimte te laten 
voor alternatieve medische verklaringen van de klachten.

5.10  Daarmee heeft de arts in het kader van de verzuimbegeleiding niet de zorgvuldigheid betracht 
die van hem mocht worden verwacht.

Zorgplicht
5.11  Van een arbo-arts mag worden verwacht dat hij zelfstandig en zorgvuldig medische diagnostiek 
verricht. Dat houdt in dat hij klachten systematisch uitvraagt, relevante omstandigheden onderzoekt 
en, indien geïndiceerd, een differentiaaldiagnose opstelt.

5.12  Het college stelt vast dat de arts geen kenbare differentiaaldiagnose heeft opgesteld en 
onvoldoende heeft doorgevraagd naar de aard, ernst en duur van de psychische klachten van 
klaagster. Evenmin heeft hij inzichtelijk gemaakt waarom de beschikbare informatie niet tot een 
andere of nadere beoordeling leidde. Door deze beperkte diagnostische benadering is hij 
tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht.

Bejegening
5.13  Ten aanzien van de bejegening overweegt het college dat van een arts mag worden verwacht dat 
hij zich professioneel, zorgvuldig en empathisch opstelt, in het bijzonder bij psychische klachten.

5.14  Uit het dossier en de transcriptie blijkt dat de arts meermaals zijn eigen interpretatie van 
de situatie heeft herhaald, terwijl klaagster deze gemotiveerd betwistte. Het college ziet hierin 
onvoldoende ruimte bij de arts voor het perspectief van klaagster. Een open en luisterende houding, 
waarbij actief wordt nagegaan wat de patiënt ervaart en bedoelt, is essentieel voor zorgvuldige 
oordeelsvorming. Die houding komt in dit geval bij de arts onvoldoende naar voren.

5.15  Het college komt tot de conclusie dat de arts bij de verzuimbegeleiding van klaagster 
onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld, zowel in zijn medische beoordeling als in zijn professionele opstelling. Daarmee heeft hij niet gehandeld conform de NVAB richtlijn conflict in de werksituatie en de NVAB richtlijn psychische klachten zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende arts mag worden verwacht.

Slotsom
5.16  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.

Maatregel
5.17  Daarmee ligt de vraag voor welke gevolgen daaraan verbonden dienen te worden. De arts heeft 
voor het college op een niet begrijpelijke wijze klaagster begeleid tijdens haar ziekte, in strijd 
gehandeld met belangrijke richtlijnen van de NVAB en zich niet opengesteld voor hetgeen klaagster 
hem probeerde te vertellen.

5.18  Het college acht dit handelen van de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daar komt bij 
dat de arts tijdens de zitting geen blijk heeft gegeven van reflectie op zijn handelen – hoewel 
daartoe uitgenodigd door de vragen en opmerkingen van het college. Gelet op de aard en de ernst van 
de tuchtrechtelijke verwijten, kan niet worden volstaan met een waarschuwing. Het college acht een 
berisping op zijn plaats. Daarbij bepaalt het college dat deze beslissing op de voet van artikel 48 
lid 11 van de Wet BIG wordt bekendgemaakt in het register.

Publicatie
5.19  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. Anders dan de 
openbaarmaking van de opgelegde maatregel in het BIG-register, zal de publicatie in de 
vaktijdschriften plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties 
herleidbare gegevens.

6. De beslissing

Het college:
-  verklaart de klacht gegrond;
-  legt de arts de maatregel op van berisping met bekendmaking in het register;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften aan Medisch Contact en Tijdschrift voor 
Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.

Deze beslissing is gegeven door I.K. Spros, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist, J. Dogger,
F.M. Brouwer en P. Eken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.