ECLI:NL:TGZRAMS:2026:62 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/7987
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:62 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-03-2026 |
| Datum publicatie: | 31-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/7987 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster heeft een consult gehad bij een bedrijfsarts in opleiding. Verweerder heeft zorgvuldig gehandeld als supervisor van de bedrijfsarts in opleiding. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond |
A2025/7987
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 31 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster, gemachtigde: C,
tegen
D,
bedrijfsarts,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts, gemachtigde: mr. P. Willems, werkzaam in
Loenen.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij niet, althans onvoldoende, heeft
beoordeeld of de
bedrijfsarts in opleiding beschikte over de vereiste competenties om de belastbaarheid
van een
verzekerde te beoordelen. Daarnaast verwijt zij hem dat hij onvoldoende toezicht
heeft gehouden en
zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen door niet te reageren op een brief
van klaagster.
Volgens klaagster heeft hij zich daarmee niet open, leerbaar en toetsbaar opgesteld.
1.2 De bedrijfsarts voert verweer en verzoekt het college alle klachtonderdelen ongegrond
te
verklaren.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht op alle klachtonderdelen ongegrond
is. Hierna
vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college
de beslissing
toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 december 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- aanvullende stukken van (de gemachtigde van) klaagster, ontvangen op 28 mei 2025;
- het proces-verbaal van het op 4 juni 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- aanvullende productie van (de gemachtigde van) de bedrijfsarts, binnengekomen op
17 september 2025;
- reactie op aanvullende stukken van (de gemachtigde van) klaagster van 22 oktober
2025, ontvangen op 24 oktober 2025;
- aanvullend stuk van (de gemachtigde van) de bedrijfsarts, ontvangen op 1 oktober
2025.
- de brief van (de gemachtigde van) de bedrijfsarts van 27 oktober 2025, binnengekomen
op 28 oktober 2025;
- aanvullend stuk van (de gemachtigde van) de bedrijfsarts, binnengekomen op 2
februari 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 februari 2026. De partijen
zijn
verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden
hebben hun
standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klaagster heeft pleitnotities
voorgelezen en
aan het college overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster diende te worden beoordeeld ter vaststelling van haar recht op een
uitkering op
grond van de Ziektewet. De medische beoordeling vond plaats binnen de arbodienst.
Daarnaast werd
klaagster begeleid door een afzonderlijk verzuimbegeleidingsbedrijf.
3.2 In het kader van deze beoordeling is klaagster uitgenodigd voor een digitaal
consult op 17
oktober 2024 met een bedrijfsarts in opleiding. Deze arts stond onder supervisie
van verweerder en
was daarnaast een ervaren verzekeringsarts. Tussen de bedrijfsarts in opleiding
en verweerder was
een (ongedateerde) supervisieovereenkomst gesloten. Beiden waren ten tijde van belang
in dienst van
de arbodienst.
3.3 Het digitale consult kon vanwege verbindingsproblemen niet tot stand komen.
Er werd een nieuw
digitaal consult met de bedrijfsarts in opleiding gepland op 24 oktober 2024. Tijdens
dit consult
heeft klaagster haar camera niet ingeschakeld. Het woord werd gevoerd door haar
gemachtigde, tevens
haar partner. Hij verzocht om inzage in de samenwerkingsovereenkomst tussen de bedrijfsarts
in
opleiding en verweerder en verlangde dat de bedrijfsarts in opleiding zich legitimeerde.
Ook sprak
hij over een vertrouwensbreuk omdat de bedrijfsarts in opleiding naar aanleiding
van het vorige
consult had genoteerd dat klaagster niet was verschenen terwijl zij volgens haar
gemachtigde in de
digitale wachtkamer zat te wachten.
3.4 De bedrijfsarts in opleiding heeft tijdens het digitale consult van 24 oktober
2024
herhaaldelijk aangegeven dat hij klaagster wenste te zien en persoonlijk te spreken,
nu het consult
was bedoeld om de mate van haar arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Klaagster
is ondanks
herhaaldelijk verzoek niet in beeld geweest. Onder deze omstandigheden zag de bedrijfsarts
in
opleiding zich genoodzaakt het gesprek te beëindigen.
3.5 Klaagster heeft ook tegen de bedrijfsarts in opleiding een tuchtklacht ingediend.
3.6 Op 24 oktober 2024 heeft de gemachtigde van klaagster per e-mail en per brief
het
verzuimbegeleidingsbedrijf benaderd. In deze correspondentie uitte hij ernstige
beschuldigingen,
waaronder het plegen van fraude, het verspreiden van leugens, het systematisch misleiden
en het
negeren van klachten van zijn cliënte. Tevens stelde hij het verzuimbegeleidingsbedrijf
aansprakelijk voor de gestelde gedragingen.
Het verzuimbegeleidingsbedrijf heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen en
klaagster
uitgenodigd voor een gesprek om de klachten te bespreken.
3.7 De bedrijfsarts in opleiding heeft het consult van 24 oktober 2024 in het eerstvolgende
supervisieoverleg met verweerder besproken.
3.8 In diezelfde week werd verweerder gebeld door een onbekend telefoonnummer. De
beller noemde
zijn naam en bedrijfsnaam, maar maakte niet duidelijk in welke hoedanigheid hij
belde. De beller
was voor verweerder onbekend. Later bleek dat dit de gemachtigde van klaagster was.
Tijdens het
gesprek drong de beller aan op verstrekking van het e-mailadres van verweerder.
Daarbij sprak hij
over valsheid in geschrifte en bedrog en kondigde hij een aangifte en tuchtklacht
aan. Ook zei hij
dat hij het woonadres van verweerder had en dat hij daarheen kon rijden.
3.9 Na ongeveer tien minuten aanhoudend verzoeken heeft verweerder zijn e-mailadres
verstrekt. De
beller gaf aan dit nodig te hebben om een brief te kunnen versturen en stelde dat
weigering een
tuchtrechtelijke schending zou betekenen. Verweerder gaf meerdere keren aan dat
de beller dreigend
overkwam. De beller kondigde aan de brief per e-mail te versturen en zei dat verweerder
daarvan zou
schrikken. Toen verweerder aangaf het gesprek niet fijn meer te vinden, stelde de
beller dat dit
kwam omdat het gesprek te dicht bij de kern kwam die niet openbaar mocht worden
gemaakt en dat
verweerder probeerde af te wijken. Kort daarna is het gesprek beëindigd.
3.10 Verweerder heeft bij de directie van de arbodienst gemeld dat hij een bedreigend
telefoongesprek had gevoerd met de gemachtigde van klaagster. Ook besprak hij dit
tijdens het
supervisiegesprek met de bedrijfsarts in opleiding. Hij hoorde toen van de bedrijfsarts
in
opleiding dat die de week ervoor ook een soortgelijk gesprek had gevoerd tijdens
het consult van 24
oktober 2024. De bedrijfsarts in opleiding had dit gemeld bij de manager van de
arbodienst. Dit
heeft verweerder toen niet bereikt. Naar aanleiding van deze situatie hebben de
bedrijfsarts in
opleiding en verweerder aanvullende afspraken gemaakt over het direct informeren
van verweerder als
supervisor. Ook werd het verzoek van de directie van de arbodienst besproken om
verdere
communicatie in deze kwestie via de advocaat van de arbodienst te laten verlopen.
3.11 Op 29 oktober 2024 stuurde de gemachtigde van klaagster een brief naar 11 verschillende
(rechts)personen, waaronder verweerder, de arbodienst en het verzuimbegeleidingsbedrijf
met als onderwerp “Tuchtrechtelijke klacht en aansprakelijkstelling wegens onrechtmatige, valse rapportages/meldingen
- 14 september 2023, 17 oktober 2024 en 24 oktober 2024”. Daarin schrijft de gemachtigde
onder meer: “Uw handelswijze, zoals vastgelegd in de rapportages van 14 september
2023, 17 oktober 2024 en 24 oktober 2024, tevens ook verstrekt aan F,
G en UWV, getuigt van een ernstige mate van nalatigheid, bedrog en misleiding, die
niet enkel in
strijd is met de waarheid, maar ook op meerdere punten een strafrechtelijk karakter
bezit.”
De gemachtigde schrijft dat hij hen allen namens zijn cliënt zowel persoonlijk als
bedrijfsmatig
volledig aansprakelijk stelt voor alle schade die zijn cliënt door de rapportages
heeft geleden en
zal lijden.
3.12 Hier is op 12 november 2024 door de advocaat van de arbodienst op gereageerd
met een
stellingsbericht en aankondiging dat de inhoudelijke reactie zou volgen.
3.13 Op 17 november 2024 stuurde de gemachtigde van klaagster een e-mail met brief
in de bijlage
naar meer dan 200 e-mailadressen binnen met name de betrokken arbodienst en het
verzuimbegeleidingsbedrijf. Hierin kondigt de gemachtigde een aangifte, tuchtrechtelijke
klacht en
melding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aan wegens het uitblijven
van een
inhoudelijke reactie en het niet gehoor geven aan de eerder gedane verzoeken van
zijn cliënt. Ook
vordert hij namens zijn cliënte € 59.000,- schadevergoeding.
3.14 Hier is wederom door de advocaat namens de arbodienst en het verzuimbegeleidingsbedrijf
op
gereageerd waarin klaagster wordt uitgenodigd voor een gesprek om haar klachten
te bespreken. Hier
is door de gemachtigde van klaagster afwijzend op gereageerd met de aankondiging
om over te gaan
tot aangifte wegens het uitblijven van een inhoudelijke reactie.
4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij:
a) niet, althans onvoldoende, heeft beoordeeld of de bedrijfsarts in opleiding beschikte
over de
vereiste competenties om de belastbaarheid van een verzekerde te beoordelen;
b) onvoldoende toezicht heeft gehouden en zijn superviserende rol niet goed heeft
uitgevoerd;
c) zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen door niet te reageren op een brief
van klaagster en
zich daarmee niet open, leerbaar en toetsbaar heeft opgesteld.
4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de bedrijfsarts in de hoedanigheid van supervisor van de bedrijfsarts
in
opleiding de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor
is een
redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening
gehouden
met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Voordat het college per klachtonderdeel komt tot een beoordeling, hecht zij
eraan het
volgende op te merken. Klaagster heeft zich - bij monde van haar gemachtige- in
zowel de
schriftelijke en mondelinge contacten met verweerder, alsook in de schriftelijke
stukken bij de
klacht en in de mondelinge toelichting ter zitting in vaak weinig respectvolle en
onbetamelijke
bewoordingen uitgelaten over (het handelen van) verweerder. De rechtbank H heeft
in de procedure
over de beëndiging van de ZW-uitkering van klaagster (ECLI:NL:RBMNE:2025:4267) in
haar uitspraak
opgenomen dat de gemachtigde van klaagster in het gesprek met de bedrijfsarts in
opleiding van 24
oktober 2024 ”discriminerend, dwingend, neerbuigend en onbeleefd” heeft uitgelaten.
De rechtbank
noemt het gedrag “stuitend, respectloos en ontoelaatbaar”. Het college ziet in het
onder punt 3.8
en 3.9 genoemde telefoongesprek eenzelfde beeld van de wijze waarop de gemachtigde
van klaagster
verweerder heeft benaderd en gesproken. Alhoewel het college begrip heeft voor de
gevoelens van
klaagster, hecht het college aan fatsoenlijke omgangsvormen. Bij de hiernavolgende
beoordeling van
de door klaagster geformuleerde klachtonderdelen zal het college slechts de voor
die beoordeling
relevante standpunten betrekken, zonder daarbij in te gaan op ongefundeerde, respectloze,
discriminerende en onbetamelijke standpunten of conclusies van (de gemachtigde van)
klaagster.
Klachtonderdeel a) Onvoldoende beoordeling van competenties bedrijfsarts in opleiding
5.3 Het college stelt vast dat de arts die onder supervisie van verweerder werkte,
ten tijde van
het consult in opleiding was tot bedrijfsarts en geregistreerd stond als verzekeringsarts.
Ter
zitting heeft verweerder toegelicht dat de bedrijfsarts in opleiding reeds geruime
tijd werkzaam
was bij de arbodienst als verzekeringsarts en nadien is gestart met de opleiding
tot bedrijfsarts.
Voorts stelde verweerder dat gedurende de supervisie op verschillende momenten de
competenties van
de arts zijn getoetst, nu dat onderdeel was van de supervisie.
5.4 Ten tijde van het consult met klaagster beschikte de bedrijfsarts in opleiding
over
bekwaamheidsniveau 3. Volgens het Landelijk Opleidingsplan Bedrijfsarts van de Nederlandse
Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsartsen betekent dit: “uitvoeren onder indirecte
supervisie”.
Dit houdt in dat de bedrijfsarts in opleiding bevoegd is zelfstandig consulten uit
te voeren,
waarbij de supervisor op afstand beschikbaar is voor overleg en toetsing.
5.5 Gelet op het voorgaande en bij het onbreken van een voldoende onderbouwing door
klaagster, is
niet gebleken dat verweerder de competenties van de bedrijfsarts in opleiding onvoldoende
heeft
beoordeeld.
5.6 Het college verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel b) Onvoldoende toezicht en gebrekkige supervisie
5.7 Uit het dossier volgt dat de supervisie was geregeld in een supervisieovereenkomst
met als
bijlage de ‘Overeenkomst supervisie Bedrijfsarts-Arts: Inrichting supervisie’, waarin
nadere
afspraken zijn vastgelegd over de wijze waarop de supervisie wordt vormgegeven.
Daarnaast wordt in
de supervisieovereenkomst verwezen naar het ‘Handboek Supervisie’ van de arbodienst.
5.8 Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de supervisie bestond uit structurele
supervisiegesprekken, steekproefsgewijze dossiercontroles en inhoudelijke voordrachten
door de
bedrijfsarts in opleiding in het kader van zijn opleiding.
5.9 Het college is van oordeel dat verweerder in zijn rol als supervisor zorgvuldig
heeft
gehandeld. Uit het overgelegde supervisieverslag blijkt dat naar aanleiding van
de ontstane
situatie aanvullende werkafspraken zijn gemaakt, inhoudende dat in vergelijkbare
gevallen eerder
rechtstreeks contact met de supervisor wordt opgenomen in plaats van met de manager
van de
arbodienst. Vaststaat dat verweerder, nadat hij van het (verloop van het) digitale
consult van 24
oktober 2024 op de hoogte was gebracht door de bedrijfsarts in opleiding, overeenkomstig
zijn rol
als supervisor heeft gehandeld.
5.10 Klaagster heeft de authenticiteit van de supervisieovereenkomst en het supervisieverslag
betwist en gesteld dat deze documenten achteraf zouden zijn opgesteld. Ter onderbouwing
heeft zij
metadata en een telefoonschermafbeelding van een gespreksopname overgelegd. De
supervisieovereenkomst is ongedateerd; het supervisieverslag draagt de datum 29
oktober 2024 en zou
in de ochtend hebben plaatsgevonden. Volgens klaagster vond het telefoongesprek
tussen haar
gemachtigde en verweerder op 29 oktober 2024 in de middag plaats, zodat het in het
verslag genoemde
supervisiegesprek diezelfde ochtend niet kan hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft
daarentegen
verklaard dat het telefoongesprek op 28 oktober 2024 heeft plaatsgevonden en dat
de documenten zijn
omgezet naar pdf en geanonimiseerd, hetgeen volgens hem de metadata beïnvloedt.
5.11 Het college kan op basis van de overgelegde stukken en gegeven toelichting door
klaagster en
verweerder ter zitting niet vaststellen op welk exact moment het telefoongesprek
heeft
plaatsgevonden, noch wanneer de documenten zijn opgesteld. Wel staat vast dat verweerder
handelde
in zijn hoedanigheid van supervisor en dat er een telefonisch contact is geweest
tussen hem en de
gemachtigde van klaagster.
5.12 Ook indien vragen bestaan over de datering van de documenten, volgt uit het
geheel van de
verklaringen en stukken dat de supervisie was ingericht conform de daarvoor geldende
afspraken en
dat verweerder na kennisneming van de situatie heeft gehandeld binnen de kaders
van zijn
supervisietaak. Het college ziet daarom geen grond voor het oordeel dat sprake is
geweest van
onvoldoende toezicht of gebrekkige supervisie. Dat de bedrijfsarts in opleiding
hem eerder had
moeten contacteren over het verloop van de digitale consulten met (gemachtigde van)
klaagster, kan
verweerder niet worden verweten. Bovendien heeft verweerder naar aanleiding van
deze situatie
direct aanvullende afspraken opgesteld met de bedrijfsarts in opleiding om dit in
de toekomst te
voorkomen.
5.13 Het college verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel c) Geen reactie op brief van klaagster en onvoldoende verantwoordelijkheid
genomen
5.14 De betreffende brief was gericht aan elf (rechts)personen en niet afzonderlijk
of persoonlijk
aan verweerder. De inhoud van de brief had een juridisch karakter en bevatte onder
meer een
aansprakelijkstelling. De arbodienst, waar verweerder ten tijde van de gebeurtenissen
in dienst
was, heeft er daarom voor gekozen de brief centraal en via haar advocaat te laten
beantwoorden.
5.15 Door deze keuze is verweerder feitelijk niet in de gelegenheid gesteld om zelfstandig
en
individueel op de brief te reageren. Het lag evenwel niet op zijn weg om buiten
de arbodienst om
alsnog inhoudelijk te corresponderen. De beslissing om de reactie via de advocaat
te laten verlopen
betreft een organisatorische keuze van de arbodienst en kan verweerder tuchtrechtelijk
niet worden
aangerekend. Van het onvoldoende nemen van verantwoordelijkheid is dan ook niet
gebleken.
5.16 Het college verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.
Slotsom
5.17 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht op alle onderdelen ongegrond
is.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door I.K. Spros, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist, J.
Dogger,
F.M. Brouwer en P. Eken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.