ECLI:NL:TGZRAMS:2026:60 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam a2025/8484
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:60 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | a2025/8484 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een longarts. Bij klager is sprake geweest van een onduidelijk ziektebeeld met als uiteindelijke diagnose een ernstige bacteriële infectie. Verweerder was als longarts overdag de behandelend longarts op de SEH. Gelet op de verslaglegging van de SEH-arts, ziet het college geen aanleiding te twijfelen aan de intensieve betrokkenheid van de longarts. Het college heeft begrip voor de drukke en onrustige omstandigheden die ochtend, zoals beschreven door verweerder, en het prioriteren van het zorgdragen van de overdracht. Er waren weinig aanwijzingen voor het bestaan van een ernstige bacteriële infectie en ook geen aanwijzingen om te handelen op basis van de NHG-standaard acute keelpijn en de richtlijn Sepsis. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 27 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: mr. S. Oosting, werkzaam in Groningen,
tegen
C,
longarts,
destijds werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de longarts
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is een 38-jarige man die getroffen is door een zeer ernstige ziekte.
Klager verwijt de longarts onder meer betrokkenheid bij het niet (tijdig) onderkennen
van de ernstige bacteriële infectie. Als gevolg van de te late onderkenning van de
infectie is niet tijdig gestart met antibiotica met als consequentie amputatie van
de onderbenen en enkele vingers, aldus klager.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 7 mei 2025 door het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg (RTG) Zwolle, waarna het is overgedragen aan en ontvangen
door het RTG Amsterdam op 21 mei 2025;
- het verweerschrift.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerder is longarts en was in 2015 als zodanig werkzaam in ziekenhuis D te
B. Hij nam op 23 juli 2015 de dienst over van een collega-longarts, die de avond en
nacht ervoor dienst had gehad. De collega-longarts informeerde verweerder over de
patiënt (klager) die die nacht was opgenomen met klachten van pijn op de borst bij
een bestaande keelontsteking.
3.2 De longarts werd verzocht klager zo spoedig mogelijk op de spoedeisende hulp (SEH) te beoordelen, vanwege diens klachten. Op grond van het eerder die nacht uitgevoerde lichamelijk onderzoek en aanvullende onderzoeken, waaronder laboratoriumonderzoek, een ECG en een X-thorax, werd een longembolie of pericarditis vermoed.
3.3 De longarts heeft klager direct op de SEH gezien. Hij heeft kennisgenomen van het medisch dossier dat was opgesteld en heeft samen met de radioloog de CT-thorax bekeken, die kort daarvoor was gemaakt. Daarop werden geen longembolieën gezien en ook geen infiltraten. Beoordeling van de CT was echter moeilijk gezien de forse (thoracale) musculatuur van klager (bodybuilder).
3.4 Gezien de onbegrepen oorzaak voor de evident verslechterde situatie van klager is in onderling overleg besloten dat het E zou worden verzocht om de behandeling van klager over te nemen.
3.5 Verweerder heeft zodoende contact opgenomen met de afdeling longgeneeskunde van het E en aangegeven dat het om een onbegrepen casus ging. Het E is akkoord gegaan met overplaatsing van klager. Vervolgens is het vervoer naar het E in gang gezet.
3.6 De longarts is vervolgens niet meer bij de behandeling van klager betrokken geweest. In het E werd later de diagnose bacteriële infectie geconstateerd (fascitiis necroticans) met voor klager ernstige onomkeerbare gevolgen, namelijk de amputatie van beide onderbenen en een drietal vingers.
3.7 Later heeft de longarts vernomen hoe het verdere verloop bij klager is geweest.
4. De klacht en de reactie van de longarts
4.1 Klager verwijt de longarts samengevat:
a) dat diens betrokkenheid bij de behandeling onvoldoende duidelijk wordt uit de
verslaglegging;
b) een gebrekkige dan wel onjuiste informatieverstrekking;
c) het ontbreken van informed consent;
d) het ontbreken van de bacteriële infectie in de differentiaal diagnose;
e) niet handelen overeenkomstig de NHG-standaard acute keelpijn 2007;
f) niet handelen overeenkomstig de richtlijn Sepsis 2012;
g) te late verstrekking van het medisch dossier aan de deskundige.
4.2 De longarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de longarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende longarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de longarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. Klachtonderdeel
a) en b) betrokkenheid longarts onvoldoende duidelijk uit de
verslaglegging
5.2 Gezien de overlap worden de klachtonderdelen a) en b) samengevoegd. Vanaf het
moment dat de longarts bij de behandeling betrokken raakte, was er sprake van een
hectische situatie met diverse betrokken medisch specialisten. De longarts stelt dat
hij ten gevolge van de hectiek zelf niet is toegekomen aan het op dat moment maken
van aantekeningen in het medisch dossier. De aandacht ging primair naar andere zaken,
waaronder het zorgdragen voor de overplaatsing van klager naar het E. De betrokken
SEH-arts heeft wel voldoende aantekeningen in het dossier gemaakt en om die reden
meent de longarts dat in voldoende mate uit het dossier is af te leiden hoe de behandeling
van klager is verlopen en zijn betrokkenheid was in de hectische fase die ochtend.
5.3 Het college heeft begrip voor de drukke en onrustige omstandigheden die ochtend, zoals beschreven door verweerder, en het prioriteren van het zorgdragen van de overdracht. Gelet op de verslaglegging van de SEH-arts, ziet het college geen aanleiding te twijfelen aan de intensieve betrokkenheid van de longarts. Daarnaast heeft de collega-longarts op een later moment, 27 juli 2015, het medisch dossier bijgewerkt waarmee voldoende duidelijk wordt waaruit de behandeling heeft bestaan en wat de betrokkenheid van de longarts is geweest.
5.4 Deze klachtonderdelen acht het college ongegrond.
Klachtonderdeel c) het ontbreken informed consent
5.5 Vaststaat dat de longarts de klager en diens echtgenote meermaals heeft gesproken
die ochtend over de behandeling. De overdracht en de reden voor overdracht (diagnose
onbekend) is eveneens besproken met klager. Al had klager weinig keuze, hij ging hiermee
wel akkoord, aldus de longarts.
5.6 Gezien deze uitleg acht het college de informatieverstrekking door de longarts
adequaat. Het verwijt van het ontbreken van informed consent vindt het college niet
aannemelijk, gezien de instemming van klager met overplaatsing eerder die nacht, en
de gesprekken met klager en diens echtgenote die ochtend over de behandeling en overplaatsing.
5.7 Dit klachtonderdeel acht het college ongegrond
Klachtonderdeel d) het ontbreken van de bacteriële infectie in de differentiaal diagnose
5.8 De longarts heeft afdoende duidelijk gemaakt dat er ten tijde van de behandeling
weinig aanwijzingen voor het bestaan van een bacteriële oorzaak van de klachten waren.
Er was geen koorts en de vitale functies waren over het algemeen goed. Er bestonden
nog alternatieve diagnoses en de keelklachten stonden bovendien niet voorop. Volgens
de longarts gaat klager ten onrechte uit van de later verkregen kennis over de oorzaak
van diens klachten. Het college volgt de redenering van de longarts en acht ook dit
klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel e) niet handelen overeenkomstig de NHG-standaard acute keelpijn 2007
5.9 Met dit klachtonderdeel verwijt klager de longarts de keelontsteking onvoldoende
te hebben meegewogen bij de behandeling.
5.10 Volgens verweerder had klager ten tijde van het contact met de longarts niet geklaagd over zijn keel. Er waren volgens de longarts geen aanwijzingen om uit te gaan van een oorzaak van de klachten vanuit de keelholte. De klachten waren zeer atypisch en leken niet te passen bij een keelontsteking of een complicatie daarvan. Ten tijde van opname in het ziekenhuis waren er nog geen objectiveerbare verschijnselen van faciitis necroticans of van een andere ernstige infectie. Onder dergelijke omstandigheden was het voorschrijven van een antibioticum niet geïndiceerd.
5.11 Het college kan de uitleg en afwegingen van de longarts volgen en acht het klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel f) niet handelen overeenkomstig de richtlijn Sepsis 2012
5.12 Evenals bij klachtonderdeel e) waren er volgens de longarts geen aanwijzingen
om uit te gaan van sepsis en dus evenmin redenen om in de nacht een antibioticum voor
te schrijven, later in de ochtend voor transport naar het E is dit wel gebeurd. Het
college volgt die redenering.
5.13 Voorts is niet gebleken dat op basis van de genoemde richtlijn klager niet adequaat is behandeld. Immers, toen verweerder bij de behandeling betrokken raakte, was de behandeling multidisciplinair uitgebreid en geïntensiveerd. Volgens de verslaglegging is er door het behandelend team afdoende geacteerd waaronder het toedienen van antibiotica voor het transport naar het E. In het behandelteam was er consensus over de noodzakelijke overplaatsing naar het E en heeft de longarts een coördinerende rol gespeeld.
5.14 Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel g) te late verstrekking van het medisch dossier aan de deskundige
5.15 Nu de longarts slechts zijdelings betrokken is geweest bij de aansprakelijkheidsstelling
en het inroepen van deskundigenberichten, kan hem dit verwijt niet worden aangerekend.
Verweerder heeft gedocumenteerd aangegeven dat hij zo goed als mogelijk heeft meegewerkt
door desgevraagd zijn visie op gebeurtenissen te geven.
5.16 Dit klachtonderdeel acht het college eveneens ongegrond.
Slotsom
5.17 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn. Voor een kostenveroordeling zoals door klager verzocht, is gelet op
deze uitkomst geen aanleiding
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 27 maart 2026 door E.A. Messer, voorzitter, A.P. den Exter, lid-jurist, P. Baas, B.E.E.M. van den Borne en H.H. Dol, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.