ECLI:NL:TGZRAMS:2026:59 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam a2025/8483

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:59
Datum uitspraak: 27-03-2026
Datum publicatie: 27-03-2026
Zaaknummer(s): a2025/8483
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een longarts. Bij klager is sprake geweest van een onduidelijk ziektebeeld met als uiteindelijke diagnose een ernstige bacteriële infectie. Verweerder is longarts en is door het gerechtshof als deskundige benoemd voor het opstellen van een voorlopig deskundigenrapport over het handelen van de behandelend longartsen. Klager is het niet eens met het rapport. Het college komt tot het oordeel dat het geen tegenstrijdigheden ziet. Verweerder heeft in redelijkheid tot zijn conclusies kunnen komen en heeft deze ook ruimschoots onderbouwd. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 27 maart 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: mr. S. Oosting, werkzaam in Groningen,

tegen

C,
longarts,
destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de longarts.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager is in 2015, op 38-jarige leeftijd, getroffen door een zeer ernstige ziekte. Klager verwijt diverse betrokken artsen, waaronder een tweetal longartsen van het E te B, het niet (tijdig) onderkennen van een ernstige bacteriële infectie. Als gevolg van de te late onderkenning van de infectie is niet tijdig gestart met antibiotica met als consequentie amputatie van de onderbenen en enkele vingers, aldus klager. Verweerder is longarts en is door het gerechtshof F als deskundige benoemd voor het opstellen van een voorlopig deskundigenrapport over het handelen van de hiervoor genoemde longartsen. Op 31 maart 2025 heeft verweerder een definitief rapport opgeleverd. Klager is het niet eens met het rapport en de daaraan voorafgaande concept-rapporten. Er is volgens klager sprake van zwaarwegende gebreken die maken dat de rapporten de tuchtrechtelijke toets niet kunnen doorstaan.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 7 mei 2025 door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) Zwolle, waarna het is overgedragen aan en ontvangen door het RTG Amsterdam op 21 mei 2025;
- het verweerschrift.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van
het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerder is bij beschikking van 21 mei 2024 benoemd door het gerechtshof F als
deskundige voor het opstellen van een voorlopig deskundigen oordeel ter zake van het
handelen van de longartsen G en H bij de behandeling van klager in het E te B in de periode
22 juli 2015 rond middernacht tot en met 23 juli 2015 rond 13.15 uur.

3.2 Verweerder heeft twee concept-rapportages uitgebracht, die met klager en zijn
advocaat zijn gedeeld en door hen van commentaar zijn voorzien, waarna verweerder een
definitief rapport heeft uitgebracht op 31 maart 2025. Verweerder komt in het rapport tot de
conclusie dat de longartsen hebben gehandeld volgens de geldende professionele standaard.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Volgens klager heeft verweerder bij het opstellen van het deskundigenrapport en de
concept-rapporten onvoldoende vakkundig en zorgvuldig gehandeld, waardoor het rapport
de tuchtrechtelijke toets niet kan doorstaan en verweerder in redelijkheid niet tot de in het
rapport getrokken conclusies heeft kunnen komen.

4.2 Verweerder heeft de klacht gemotiveerd bestreden en het college verzocht de klacht
ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 Volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
dient een deskundigenrapport zoals hier aan de orde aan de volgende criteria te voldoen:
1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
3. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de
conclusies van het rapport steunen;
4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust;
5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

5.2 Het college toetst ten volle of het onderzoek door verweerder uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.3 Klager heeft een groot aantal, deels zeer gedetailleerde klachten naar voren gebracht tegen de beide concept-rapporten en het definitieve rapport. Het college zal uitsluitend oordelen over de klachten tegen het definitieve rapport. Dit is immers het rapport dat voortbouwt op de eerdere concepten en het daarop door klager gegeven commentaar. Dit rapport is uiteindelijk bestemd voor een eventuele aansprakelijkheidsprocedure. Het college merkt in dit verband voorts op dat niet alle klachten zullen worden besproken: het college beperkt zich tot de klachten met (enige) substantie of grondslag.

5.4 Verder stelt het college voorop dat het merendeel van de klachten al eerder in de correspondentie tussen klager en verweerder naar aanleiding van de concept-rapporten aan de orde zijn gekomen. Deze klachten hebben ofwel geleid tot een aanpassing van het rapport of zijn gemotiveerd door verweerder weerlegd. Klager kan zich evenwel kennelijk niet neerleggen bij de conclusie van het rapport, te weten dat de longartsen niet in strijd met de professionele standaard hebben gehandeld. Dat wil echter niet zeggen dat het rapport reeds om die reden partijdig of onvoldoende onafhankelijk zou zijn of onvoldoende feitelijk onderbouwd.

5.5 Het rapport bevat volgens klager een aantal tegenstrijdigheden waardoor het niet blijk geeft van een geschikte methode van onderzoek en wordt niet op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. Het gaat hier volgens klager in de eerste plaats om het antwoord op de volgende vraag in het rapport:


“b. Als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven in hoeverre dat niet is gebeurd en hoe er anders had moeten en kunnen worden gehandeld?
Voor wat betreft het longgeneeskundige handelen is gehandeld volgens de professionele standaard. Dat de keelinfectie en de daarvoor enkele dagen tevoren ingestelde behandeling mogelijk van invloed zijn geweest op het beloop gedurende het verblijf in het E is naar mijn oordeel echter onvoldoende overwogen.

c. Als er volgens uw antwoord op de vorige vraag zou zijn gehandeld, zou de juiste diagnose dan eerder zijn gesteld en zo ja, wanneer?
Als de keelinfectie meer dan nu gebeurd lijkt te zijn in de overwegingen was meegenomen was wellicht eerder gestart met antibiotica.

De NHG-standaard Acute keelpijn uit 2007 (2) stelt: Een keelontsteking heeft over het algemeen een gunstig natuurlijk beloop met spontane genezing binnen 7 dagen. Bij de meeste patiënten volstaat het geven van voorlichting in combinatie adequate pijnstilling. Gebruik van antibiotica is slechts zinvol bij een ernstig verlopende keelontsteking of bij een verhoogd risico op complicaties. Onder een ernstige keelontsteking wordt verstaan een keelontsteking met ernstig algemeen ziek zijn, ernstige keel- en slikklachten en aanzienlijke beperking van het dagelijks functioneren.

Het komt mij voor dat deze omschrijving tijdens de opname in het E op A van toepassing was (…)

Bij de behandeling van A in het E is de KNO-arts -achteraf gezien helaas- niet betrokken geweest.

Voor de later op 23 juli 2015 in I gestelde diagnose fasciitis necroticans bestonden in het E nog geen aanwijzingen.”


5.6 In dit verband wijst klager ook nog op de volgende passages in het rapport:


“De CT van de borstkas en de buik toonde, naar verluidt in het verslag van de eerste CT, “merkwaardige tekening in het subcutane vet presternaal en mediastinaal en laag in de hals” en in het verslag van de kort daarna vervaardigde tweede CT ”…veel tekening van het mediastinum forse wekedelenzwelling ventraal van de trachea laag in de hals”. Hieraan is voor zover ik kan beoordelen geen vervolg gegeven, niet in de zin van het klinisch redeneren direct volgend op het vervaardigen van de CT’s als nadien, bijvoorbeeld bij het heroverwegen van het eigen handelen van alle bij de casus betrokken zorgverleners. Ik zou verwacht hebben dat het doen van een “merkwaardige” bevinding aanleiding vormt voor nadere overleg, bijvoorbeeld ook met de behandelaars in het J met de vraag of deze “merkwaardige” bevinding gerelateerd kan zijn geweest ofwel een voorbode was van de later gestelde diagnose fasciitis necroticans. Zoals eerder in dit rapport aangegeven is de keelinfectie verschillende keren opgemerkt en in de status vermeld. Deze bevinding is evenwel niet van invloed geweest op het beleid. Zeker achteraf, in het licht van het latere beloop en met in het achterhoofd de merkwaardige bevindingen op de CT’s is dat te betreuren. (…)

Het geheel overziend komt ik tot de slotsom dat de behandelaars in het E, in casu de longartsen G en H en de door hen gesuperviseerde zorgverleners gehandeld hebben op een manier zoals men die van hen volgens de geldende professionele standaard mocht verwachten.”

5.7 In de hiervoor weergegeven passages, bezien tegen de achtergrond van het gehele rapport, ziet het college geen tegenstrijdigheden. Voldoende duidelijk wordt aangegeven dat het handelen van de longartsen conform de professionele standaard is geweest en dat het -zeker met de blik van achteraf- op twee onderdelen beter had gekund, wat kennelijk geldt voor alle bij klager betrokken behandelaars. Deze onderdelen -de keelinfectie en de “merkwaardige bevindingen” op de CT’s- heeft verweerder benoemd en besproken en hij is kennelijk, ondanks dat het op die onderdelen beter had gekund, tot de slotsom gekomen dat sprake was van handelen volgens en binnen grenzen van de professionele standaard. Het college is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot deze conclusie kon komen en deze conclusie ook ruimschoots heeft onderbouwd. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.8 Volgens klager is niet voldaan aan het eerste criterium (het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust) omdat onjuist is om als feit op te nemen dat klager op een gegeven moment (23 juli 2015, 11:21) een antibioticum werd toegediend. Volgens verweerder is de toediening in het dossier gedocumenteerd en SEH-arts K heeft dit ook in zijn beantwoording van vragen bevestigd. Het college is van oordeel dat dit inderdaad voldoende duidelijk uit het dossier blijkt. Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.9 Klager stelt dat het rapport geen blijk geeft van een geschikte methode van onderzoek omdat het vermeldt dat verweerder het handelen van de longartsen en de gesuperviseerden onderzoekt. Dat laatste zou niet in overeenstemming zijn met de opdracht in de beschikking van het Hof. Dit klachtonderdeel snijdt geen hout. Het is juist van belang -en in lijn met de beschikking- om de feitelijke situatie te onderzoeken. Die feitelijke situatie was dat de dienstdoende ANIOS, die klager als eerste heeft gezien toen hij aankwam in het E, onder supervisie stond van een van de longartsen. Uiteraard moet dan ook diens handelen in het onderzoek worden meegenomen.

5.10 Er is volgens klager, tot slot, geen sprake van een geschikte methode van onderzoek, omdat er ten onrechte niet is verwezen naar de NHG standaard acute keelpijn 2007 en de richtlijn Sepsis. Verweerder heeft dit klachtonderdeel bestreden. Het college stelt vast dat in het rapport wel degelijk naar de NHG standaard acute keelpijn 2007 en de richtlijn Sepsis wordt verwezen. Ook dit klachtonderdeel is dus ongegrond.

5.11 Het college komt tot de conclusie dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De overige klachten die klager nog naar voren heeft gebracht tegen het rapport kunnen niet tot een ander oordeel leiden en zullen derhalve onbesproken blijven.

5.12 De slotsom is dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn. Voor een kostenveroordeling zoals door klager verzocht, is gelet op deze uitkomst geen aanleiding.

6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 27 maart 2026 door E.A. Messer, voorzitter, A.P. den Exter, lid-jurist, P. Baas, B.E.E.M. van den Borne en H.H. Dol, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.