ECLI:NL:TGZRAMS:2026:58 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam a2025/8431
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:58 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | a2025/8431 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een longarts. Bij klager is sprake geweest van een onduidelijk ziektebeeld met als uiteindelijke diagnose een ernstige bacteriële infectie. Verweerder was de dienstdoende longarts in de nacht ten tijde van de opname van klager op de SEH. Gelet op de verslaglegging is er geen twijfel aan de betrokkenheid van de longarts bij de behandeling van klager. Er waren weinig aanwijzingen voor het bestaan van een ernstige bacteriële infectie en dus ook geen aanwijzingen om te handelen op basis van de richtlijn Sepsis. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 27 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: mr. S. Oosting, werkzaam in Groningen,
tegen
C,
longarts,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de longarts,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is getroffen door een ernstige bacteriële infectie die voor hem zeer
ingrijpende gevolgen heeft gehad. Hij verwijt de longarts onder meer het niet onderkennen
van de bacteriële infectie, waardoor niet tijdig is gestart met antibiotica.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 24 april 2025 door het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg (RTG) Zwolle, waarna het is overgedragen aan en ontvangen
door het RTG Amsterdam op 8 mei 2025;
- het verweerschrift.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Verweerder is longarts in het D in B. In de nacht van 22 op 23 juli 2015 had
hij dienst als longarts. Tijdens zijn dienst werd hij gebeld door de arts-assistent
niet in opleiding (hierna de anios) op de spoedeisende hulp (SEH) over klager. Tegen
de anios is ook een tuchtklacht ingediend met zaaknummer A2025/8822.
3.2 Klager, geboren in 1977, was die nacht via de huisartsenpost verwezen naar de SEH vanwege pijn op de borst. Hij had sinds enige dagen keelklachten. Er was sprake van het ophoesten van bloed en stekende pijn op de borst waarop de huisarts klager had ingestuurd met verdenking pericarditis. Uit bloedonderzoek was een verhoogd CRP en D-dimeer gebleken en een nierfunctiestoornis. Een X-thorax en ECG lieten geen afwijkingen zien. Er was geen sprake van koorts, de vitale functies waren intact. Wel was sprake van een snelle hartslag. Er werd gedacht aan de mogelijkheid van een pericarditis of een longembolie. Vanwege het verhoogde D-dimeer en nierfunctiestoornissen werd besloten klager op te nemen om overdag een CT-scan te maken. Tegen de pijn werd pijnstilling gegeven en er werd alvast begonnen met toedienen van fragmin (een antistollingsmiddel).
3.3 In de vroege ochtend verslechterde de situatie van klager. Hij had aanhoudend veel pijn, transpireerde hevig, had een lage bloeddruk en een snelle hartslag. De anios heeft snel extra vocht ingediend via het infuus waarmee de bloeddruk verbeterde en stabiel bleef. Besloten werd om de CT-scan te vervroegen en klager weer van de afdeling naar de SEH te verplaatsen. Verder werd de intensivist ingeschakeld.
3.4 De CT-scan gaf geen duidelijke verklaring voor de klachten. Beoordeling van de CT-scan was moeilijk vanwege de imposante spieropbouw bij klager. Er werd opnieuw laboratoriumonderzoek ingezet. Ondertussen waren ook de SEH-arts en de longarts van de dagdienst aanwezig. Hierna eindigde de dienst van de longarts en lichtte hij zijn collega-longarts (tegen wie een tuchtklacht is ingediend met zaaknummer A2025/8484) in voor verdere beoordeling en onderzoek. Verweerder was vanaf dat moment niet meer bij de behandeling van klager betrokken.
3.5 Vanwege de onbegrepen oorzaak voor de verslechterde situatie van klager is die
ochtend besloten om klager over te dragen aan het E. In het E werd later de diagnose
fasciitis necroticans van de hals en thorax gesteld, een ernstige bacteriële infectie.
Bij klager zijn de beide onderbenen en drie vingers geamputeerd. Daarnaast heeft hij
nog vele operaties ondergaan.
3.6 Vanaf 2015 heeft klager verschillende aansprakelijkheidsprocedures ingesteld,
waarvoor meerdere deskundigenberichten zijn opgesteld.
4. De klacht en de reactie van de longarts
4.1 Klager verwijt de longarts dat:
a) zijn betrokkenheid bij de behandeling onvoldoende duidelijk wordt uit de verslaglegging;
b) hij niet naar waarheid heeft verklaard;
c) hij niet heeft voldaan aan de dossierplicht;
d) hij geen informed consent voor de behandeling heeft verkregen;
e) hij een bacteriële infectie niet heeft meegenomen in de differentiaal diagnose,
ondanks duidelijke aanwijzingen daarvoor;
f) hij niet heeft gehandeld overeenkomstig de NHG Standaard acute keelpijn 2007;
g) hij niet heeft gehandeld in overeenstemming met de Richtlijn Sepsis bij volwassenen
in prehospitale en SEH-fase 2012
h) hij niet tijdig het medisch dossier aan de deskundige in de aansprakelijkheidsprocedure
heeft verstrekt.
4.2 De longarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het is duidelijk dat het ernstige en blijvende letsel dat klager heeft opgelopen
zeer ingrijpend is voor klager en dat hij hier nog steeds nare gevolgen van ondervindt.
Ook de longarts betreurt wat klager is overkomen.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de longarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende longarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de longarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen voor hun eigen handelen verantwoordelijk kunnen worden gehouden.
Klachtonderdeel a) betrokkenheid onvoldoende gedocumenteerd, b) niet naar waarheid
verklaard, c) niet voldaan aan de dossierplicht
5.3 Vanwege de samenhang bespreekt het college de klachtonderdelen a tot en met
c gezamenlijk. Klager verwijt de longarts dat zijn betrokkenheid niet uit de verslaglegging
volgt en dat hij dus niet voldaan heeft aan de dossierplicht. Hij betwijfelt daarom
of de longarts wel betrokken is geweest. Indien dit komt vast te staan, verwijt de
klager de longarts dat hij in de communicatie met de aansprakelijkheidsverzekeraar
en het ziekenhuis in strijd met de waarheid heeft verklaard.
5.4 De longarts heeft toegelicht dat hij in de nacht van 23 juli 2015 vanuit huis
dienst had en daarom niet in de gelegenheid was om aantekeningen in het dossier te
maken. Hij stelt dat zijn betrokkenheid wel voldoende uit het medische dossier is
af te leiden.
5.5 Het is te begrijpen dat de longarts in de nacht van 23 juli 2015 niet in de gelegenheid was om zelf aantekeningen in het dossier te maken. De anios heeft, zoals gebruikelijk is na overleg met een medisch specialist, wel het afgesproken beleid genoteerd. Gelet op deze verslaglegging heeft het college geen aanleiding om te twijfelen aan de betrokkenheid van de longarts bij de behandeling van klager. Daarnaast heeft de longarts later, op 27 juli 2015, wel aantekeningen gemaakt door het opstellen van de ontslagbrief. De klachtonderdelen a, b en c zijn ongegrond.
Klachtonderdeel d) geen informed consent
5.6 De longarts heeft klager zelf niet gezien en niet gesteld of gebleken is dat
klager de longarts zelf had willen spreken. Nu de longarts niet in het ziekenhuis
aanwezig was, kan hij niet verantwoordelijk worden gehouden voor het verkrijgen van
informed consent. Klachtonderdeel d is ongegrond.
Klachtonderdeel e) bacteriële infectie niet meegenomen in differentiaal diagnose,
f) niet gehandeld overeenkomstig de NHG-standaard acute keelpijn
5.7 Vanwege de samenhang bespreekt het college de klachtonderdelen e en f gezamenlijk.
Naar het oordeel van het college heeft de longarts afdoende duidelijk gemaakt dat
er in de nacht van 22 op 23 juli 2015 weinig aanwijzingen waren voor het bestaan van
een ernstige bacteriële infectie. Er was geen koorts en de vitale functies waren goed.
Bij opname op de SEH stonden de pijnklachten op de borst voorop en werd gedacht aan
een longembolie of pericariditis. Daarop is naar behoren gehandeld. Een virale luchtweginfectie
was wel meegenomen in de differentiaal diagnose, maar de keelklachten werden niet
als ernstig geduid. De klachtonderdelen e en f zijn ongegrond.
Klachtonderdeel g) niet gehandeld overeenkomstig de richtlijn Sepsis
5.8 Op grond van de bevindingen in het begin van de nacht was er geen aanleiding
om te denken aan een sepsis. Ondanks het hoge CRP waren hier goede alternatieve verklaringen
voor en was de diagnostiek nog niet afgerond. Klager had geen koorts, had geen lage
bloeddruk en een laag lactaat. Onder die omstandigheden was het voorschrijven van
een antibioticum op dat moment niet geïndiceerd.
5.9 Voorts is niet gebleken dat klager op basis van de genoemde richtlijn niet adequaat
is behandeld. Toen de situatie van klager in de vroege ochtend verslechterde, is er
direct gehandeld en zijn er meerdere specialisten ingeschakeld en onderzoeken uitgezet.
Deze onderzoeken liepen nog toen de dienst van de longarts eindigde. Volgens de verslaglegging
is er door het behandelend team afdoende geacteerd. Klachtonderdeel g is daarom ook
ongegrond.
Klachtonderdeel h) niet tijdig verstrekking van het medisch dossier aan de deskundige
5.10 De longarts stelt dat hij slechts zijdelings betrokken is geweest bij de aansprakelijkheidsstelling
en het inroepen van deskundigenberichten en dat hij nimmer een verzoek heeft ontvangen
tot verstrekken van het medisch dossier. Uit de stukken blijkt niet dat aan de longarts
gevraagd is om verstrekking van het medisch dossier. Dat niet direct het volledige
dossier is aangeleverd kan hem daarom niet worden aangerekend. Klachtonderdeel h is
daarom ook ongegrond.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn. Voor een kostenveroordeling zoals door klager verzocht, is gelet op
deze uitkomst geen aanleiding
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 27 maart 2026 door E.A. Messer, voorzitter, A.P. den Exter, lid-jurist, P. Baas, B.E.E.M. van den Borne en H.H. Dol, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.