ECLI:NL:TGZRAMS:2026:57 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8505

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:57
Datum uitspraak: 24-03-2026
Datum publicatie: 24-03-2026
Zaaknummer(s): A2025/8505
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Volgens klager heeft hij niet alle voorgeschreven medicatie ontvangen. In de apotheek is hem ten onrechte meegedeeld dat hij deze al uit de afhaalautomaat had opgehaald, waarna de medicatie zou zijn geannuleerd. Klager ziet dit als nalatigheid van de apotheker. De apotheker voert verweer en voert aan dat zij de situatie met klager wilde bespreken, maar dat klager direct aangaf de formele tuchtrechtelijke route te willen volgen.Het college oordeelt in raadkamer dat de klacht kennelijk ongegrond is.

A2025/8505
Beslissing van 24 maart 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 24 maart 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klager,


tegen


C,
apotheker,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de apotheker.


1. De zaak in het kort
1.1 Volgens klager heeft hij niet alle voorgeschreven medicatie ontvangen. Aan de balie van de apotheek is hem ten onrechte meegedeeld dat hij deze medicatie al via de afhaalautomaat had opgehaald, waarna de medicatie zou zijn geannuleerd. Volgens klager is daardoor sprake van nalatigheid van de apotheker.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 mei 2025;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 21 augustus 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 27 maart 2025 ontving de apotheek waar de apotheker beherend apotheker is, een recept voor metoprolol 50 mg retard (90 stuks + 3 herhaalrecepten, 1× daags) en
hydrochloorthiazide 25 mg (90 stuks + 3 herhaalrecepten, 1× daags). Deze medicatie was in beginsel voldoende tot en met 25 juni 2025.

3.2 Op 31 maart 2025 heeft klager de medicatie opgehaald via de afhaalautomaat van de apotheek.

3.3 Op 24 april 2025 ontving de apotheek een nieuw recept voor allopurinol 200 mg, metoprolol 50 mg retard en hydrochloorthiazide 25 mg.

3.4 Om dubbele verstrekking te voorkomen is op 24 april 2025 alleen allopurinol klaargemaakt, die klager een dag later, op 25 april 2025, heeft opgehaald uit de afhaalautomaat.

3.5 Op 1 mei 2025 ging klager naar de apotheek om naar de overige op 24 april 2025 voorgeschreven medicatie te informeren. De apothekersassistente heeft aan klager meegedeeld dat hij deze medicatie al uit de afhaalautomaat had gekregen, waarop klager vertrok.


4. De klacht en de reactie van de apotheker
4.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat de apotheker nalatig is geweest, doordat aan de balie is meegedeeld dat klager zijn medicatie reeds had ontvangen en de medicatie daardoor was geannuleerd, terwijl dit volgens klager onjuist was.
4.2 De apotheker heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de apotheker de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende apotheker. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de apotheker geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.2 Een apothekersassistente verricht haar werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van de apotheker. Het college oordeelt dat de apotheker in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt treft. De metoprolol en hydrochloorthiazide die klager op 31 maart 2025 via de afhaalautomaat heeft opgehaald, was in beginsel voldoende voor de periode tot en met 25 juni 2025. Dat betekent dat er voldoende reden was om de betreffende middelen niet al eind april 2025 nogmaals aan klager te verstrekken. Die reden is er onder andere in gelegen dat het tot de taak van een apotheker behoort om medicijnverspilling tegen te gaan en er met het oog daarop voor te zorgen dat patiënten niet onnodig veel medicatie in huis hebben.
Klager heeft bij het mondeling vooronderzoek gezegd dat hij de medewerker van de apotheek heeft verteld dat hij geen metoprolol en hydrochloorthiazide meer in huis had. Volgens het klaagschrift is hij echter direct weggegaan nadat de medewerker hem had gezegd dat hij die medicijnen al had opgehaald. Bovendien ligt, gelet op het feit dat klager op 31 maart 2025 de medicatie voor 90 dagen had opgehaald, niet voor de hand dat hij deze eind april 2025 helemaal niet meer in huis had. Gelet hierop kan het college niet met voldoende zekerheid vaststellen dat klager de medewerker daadwerkelijk heeft verteld dat hij bijna geen medicatie meer in huis had. Onder die omstandigheden kan het niet als fout worden beschouwd dat de apothekersassistente eind april 2025 niet opnieuw metoprolol en hydrochloorthiazide aan klager heeft verstrekt. Dat brengt mee dat ook aan de apotheker geen verwijt kan worden gemaakt.

5.3 Vaststaat dat de uitleg over de verstrekking van de metoprolol en hydrochloorthiazide door de apothekersassistente voor klager kennelijk niet duidelijk is geweest. Het lijkt erop dat zij klager niet heeft verteld – en in ieder geval heeft klager niet begrepen – dat zij doelde op de verstrekking op 31 maart 2025, en niet die op 25 april 2025. Dat is betreurenswaardig. Uit de stukken en hetgeen is besproken in het mondeling vooronderzoek blijkt dat de apotheker de gang van zaken alsnog duidelijk aan klager heeft toegelicht. Het college stelt voorts vast dat klager voorafgaand aan het indienen van de tuchtklacht zijn onvrede niet bij de apotheker zelf kenbaar heeft gemaakt. Nadat de apotheker van de klacht kennis had genomen, heeft zij direct contact met klager gezocht om de situatie te bespreken en zo nodig tot een oplossing te komen. Klager heeft evenwel te kennen gegeven geen gesprek te wensen en de formele tuchtrechtelijke weg te willen volgen.

5.4 Het college overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat de apotheker niet in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij jegens klager behoorde te betrachten. De medicatieverstrekking heeft plaatsgevonden overeenkomstig de ontvangen recepten en ter voorkoming van dubbele verstrekking. Dat de communicatie daarover aanvankelijk niet duidelijk is geweest, levert onder de gegeven omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt op.

Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.


6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 24 maart 2026 door N.B. Verkleij, voorzitter, W.M. Creemers, lid-jurist, S. Holst, W. van de Spijker en D.J. Touw, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.