ECLI:NL:TGZRAMS:2026:52 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8908
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:52 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-03-2026 |
| Datum publicatie: | 13-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8908 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een MKA-chirurg. Klager heeft bij de kliniek waar de MKA-chirurg werkzaam is een klacht ingediend. De MKA-chirurg was aanwezig bij een gesprek over de klacht. Klager verwijt de MKA-chirurg dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de klachtafhandeling en dat zij hem geen verwijzing heeft gegeven naar een andere zorginstelling. Klager is wel ontvankelijk in de klacht, maar alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
A2025/8908
Beslissing van 13 maart 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 13 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
MKA-chirurg,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de MKA-chirurg,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager was patiënt bij de kliniek waar verweerster als MKA-chirurg werkzaam
is. Klager was verwezen door zijn tandarts in verband met een wens voor implantaten
in zijn bovenkaak. Hij is gezien door een collega van de MKA-chirurg. Deze collega
heeft aan klager medegedeeld dat hij de door klager gewenste behandeling niet zou
uitvoeren vanwege een significant verhoogd risico op complicaties. Klager heeft hierover
een klacht ingediend bij de kliniek, waarna verweerster samen met de kliniekmanager
met klager een gesprek heeft gevoerd.
1.2 Klager verwijt verweerster kort gezegd dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de klachtenafhandeling. Ook verwijt hij haar dat zij hem geen verwijzing heeft gegeven naar een andere zorginstelling.
1.3 De MKA-chirurg stelt primair dat klager in zijn klacht jegens haar niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair voert zij inhoudelijk verweer.
1.4 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 8 augustus 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 18 november 2025,
waar alleen klager aanwezig was.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
3.1 Verweerster heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in de
klacht,
omdat zij geen behandelrelatie met hem heeft gehad en de klachtenafhandeling op
grond
van de Wkkgz een verantwoordelijkheid is van de zorgaanbieder.
Het college komt tot het oordeel dat klager wel ontvankelijk is. Daartoe is het
volgende van
belang.
3.2 Vaststaat dat van een behandelrelatie tussen klager en verweerster geen sprake
was. Het verweten handelen valt daarmee niet onder de zogenoemde eerste tuchtnorm
zoals
beschreven in artikel 47 lid 1 aanhef en onder a van de Wet op de beroepen in de
individuele
gezondheidszorg (Wet BIG).
3.3 De vraag ligt vervolgens voor of het handelen of nalaten van verweerster valt
onder
de tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 aanhef en onder b Wet BIG). De tweede tuchtnorm
ziet
op enig ander dan onder de eerste tuchtnorm bedoeld handelen of nalaten in strijd
met wat
een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Volgens vaste jurisprudentie kan het handelen
van een BIG-geregistreerde zorgverlener in een leidinggevende of een bestuurlijke
functie op
grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk worden beoordeeld, als dit handelen
weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en de zorgverlener zich bij zijn
of haar
handelen heeft begeven op het deskundigheidsgebied dat bij zijn of haar titel hoort.
Daar is
in dit geval naar het oordeel van het college sprake van. Verweerster heeft met
klager
gesproken over zijn klacht inhoudende dat hem onterecht een medische behandeling
was
onthouden door een collega van verweerster. Uit het gespreksverslag dat verweerster
van dit
gesprek heeft gemaakt volgt dat zij het oordeel van haar collega in bepaalde mate
heeft
getoetst en diens beslissing nader heeft toegelicht aan klager. Dit maakt dat het
handelen
van verweerster waar de klacht op ziet weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg,
en
zij daarbij gehandeld heeft binnen haar deskundigheidsgebied als MKA-chirurg.
3.4 Het college zal de klacht daarom inhoudelijk bespreken.
Inhoudelijke beoordeling
3.5 Het college stelt vast dat klager in zijn klaagschrift, dat gericht is aan verweerster
en
een collega van verweerster (A2025/8907), meerdere klachtonderdelen noemt. Uit het
proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek blijkt dat de klacht van klager over
verweerster gaat over de klachtafhandeling. Zij zou klagers klacht niet inhoudelijk
en
transparant hebben behandeld, geen hoor- en wederhoor hebben toegepast en niet op
de
hoogte zijn geweest van relevante wetenschappelijke literatuur of geweigerd hebben
daar
inzicht in te geven. Uit het klaagschrift volgt daarnaast dat een verwijt van klager
is dat er
geen verwijzing naar een andere zorginstelling is gegeven. Deze verwijten zullen
hieronder
worden besproken.
3.6 Over het verwijt dat er geen nazorg en pijnbestrijding is aangeboden, is tijdens
het
mondeling vooronderzoek met klager besproken dat dit gaat over een eerdere behandeling
in
de kliniek bij een andere zorgverlener. Voor zover klager deze klacht handhaaft
oordeelt het
college dat verweerster bij deze behandeling niet betrokken is geweest en haar daarom
hierover geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
De klachtafhandeling
3.7 Op 30 juni 2025 heeft klager naar het algemene e-mailadres van de kliniek een
e-mail gestuurd over zijn consult met een collega MKA-chirurg van verweerster. Daarin
schrijft klager onder meer (citaten alleen voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…)
Heb mijn verhaal niet kunnen doen. de heer [naam] was gepreoccupeerd over het feit
dat ik 1
maal permaand een sigaretje opstak. En maakt daar gelijk veel roken van. (…)
Derhalve voel ik me gediscrimineerd en behandeld met vooroordelen van de heer [naam].
Graag een second opinion van een arts
die zich ook verdiept heeft in onderzoeks vraagstelling en methodologie. (…)”
3.8 Naar aanleiding van deze e-mail heeft er op 22 juli 2025 een gesprek plaatsgevonden
tussen klager, verweerster en de kliniekmanager. Verweerster heeft over dit gesprek
in het
patiëntendossier genoteerd:
“(…)
Naar aanleiding van de klachten die patiënt heeft ingediend, vindt dit gesprek plaats.
Hij geeft
aan collega [naam] een erg koude man te vinden en wil niet meer door hem worden
behandeld.
Patiënt geeft aan gelezen te hebben over een nieuwe methode uit Amerika om tanden
en kiezen
te laten groeien en wil dit graag hebben in zijn mond. (…) Roken: 1 sigaret/maand.
Aan patiënt wordt uitgelegd dat de nieuwe methode van nieuwe tanden en kiezen te
laten
groeien in de kaak, dat wij die niet hebben in deze kliniek en ook niet in NL. Advies
gegeven om
contact op te zoeken met de onderzoekers van deze studie. Ook uitgelegd dat roken
een slechte
invloed heeft op het kaakbot en kan leiden tot een lager succespercentage van implantaten
in
de BK en hoger verlies van implantaten in de BK en derhalve dat wij deze behandeling
niet
uitvoeren bij patiënten die roken. Patiënt wordt boos en staat op. Hij geeft aan
dat wij hem
discrimineren en herhaalt dit een aantal keer. Hij staat op en loopt boos weg.”
3.9 Uitgaande van bovenstaande weergave van de klacht in de e-mail van klager en
de
gespreksnotitie naar aanleiding van het gesprek hierover tussen partijen, kan het
college
niet vaststellen dat verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Zonder
een nadere
toelichting van klager, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom zijn klacht onvoldoende
inhoudelijk en transparant zou zijn behandeld, hij onvoldoende in zijn klacht is
gehoord, of
dat verweerster onvoldoende op de hoogte was dan wel inzicht heeft gegeven in
wetenschappelijke literatuur. Uit de gespreksnotitie volgt dat er een inhoudelijk
gesprek over
de onvrede van klager heeft plaatsgevonden, waarbij verweerster is ingegaan op het
door
klager genoemde onderzoek in Amerika en zij hem heeft medegedeeld dat deze behandeling
in Nederland niet bestaat. Verder heeft zij nader toegelicht dat roken een risicofactor
is bij
het plaatsen van implantaten in de atrofische bovenkaak en dat deze behandeling
binnen de
kliniek daarom niet wordt aangeboden aan patiënten die roken. Deze mededelingen
acht het
college terecht. Dat klager het hier niet mee eens is, maakt niet dat verweerster
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld tijdens het gesprek van 22 juli 2025.
3.10 Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Geen doorverwijzing/second opinion
3.11 Klager stelt dat er geen verwijzing is gegeven naar een andere zorginstelling,
ondanks de erkenning dat zijn hulpvraag elders mogelijk wel beantwoord kon worden.
Klager
heeft deze stelling niet nader toegelicht. Door verweerster wordt gesteld dat klager
niet om
een verwijzing naar een andere zorginstelling heeft gevraagd.
3.12 Op basis van deze – niet onderbouwde – standpunten van partijen kan het college
niet vaststellen dat verweerster op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Daarbij merkt het college op dat het geven van een verwijzing of het regelen van
een second
opinion niet onder de verantwoordelijkheid van verweerster valt in het kader van
de
klachtenafhandeling. Een verwijzing dient een patiënt met de behandelend specialist,
tandarts of huisarts af te stemmen. Een second opinion kan bovendien door een patiënt
zelf
aangevraagd worden.
3.13 Gelet op het bovenstaande is ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
Slotsom
3.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.
4. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 13 maart 2026 door M.M. van ’t Nedereind, voorzitter,
W.M. Creemers, lid-jurist, J. te Poel, H.W. Luk en T. Xi, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.