ECLI:NL:TGZRAMS:2026:51 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8907

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:51
Datum uitspraak: 13-03-2026
Datum publicatie: 13-03-2026
Zaaknummer(s): A2025/8907
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een MKA-chirurg. De MKA-chirurg wilde de door klager gewenste behandeling (het plaatsen van implantaten in de bovenkaak) niet uitvoeren. Klager verwijt de MKA-chirurg dat hij geweigerd heeft om zorg te verlenen zonder medische onderbouwing, dat hij geen alternatieve behandelopties heeft besproken en klager niet heeft doorverwezen. Het college kan de beslissing van de MKA-chirurg goed volgen, de gewenste behandeling was niet geïndiceerd. De klacht over doorverwijzing is niet onderbouwd.

A2025/8907
Beslissing van 13 maart 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 13 maart 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klager,


tegen


C,
MKA-chirurg,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de MKA-chirurg,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam in Utrecht.


1. De zaak in het kort
1.1 Klager was patiënt bij de kliniek waar verweerder als MKA-chirurg werkzaam is. De MKA-chirurg heeft klager eenmalig gezien. Klager was verwezen door zijn tandarts in verband met een wens voor implantaten in zijn bovenkaak. Na onderzoek heeft de MKA-chirurg aan klager medegedeeld dat hij de gewenste behandeling niet zou uitvoeren vanwege een significant verhoogd risico op complicaties.

1.2 Klager verwijt de MKA-chirurg dat hij geweigerd heeft om zorg te verlenen zonder medische onderbouwing en dat hij geen alternatieve behandelopties heeft besproken. Verder verwijt hij hem dat hij klager geen verwijzing heeft gegeven naar een andere zorginstelling. De MKA-chirurg voert verweer.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 8 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 18 november 2025, waar alleen klager aanwezig was.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
3.1 De vraag is of de MKA-chirurg de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende MKA-chirurg. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de MKA-chirurg geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Inhoudelijke beoordeling
3.2 Het college stelt vast dat klager in zijn klaagschrift, dat gericht is aan verweerder en een collega van verweerder (A2025/8908), meerdere klachtonderdelen noemt. Uit het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek blijkt dat de klacht van klager over de MKA-chirurg ziet op het weigeren van zorg en het niet bespreken van alternatieven tijdens het consult van 30 juni 2025. Uit het klaagschrift volgt daarnaast dat een verwijt van klager is dat er geen verwijzing naar een andere zorginstelling is gegeven. Deze verwijten zullen hieronder worden besproken.

3.3 Over het verwijt dat er geen nazorg en pijnbestrijding is aangeboden, is tijdens het mondeling vooronderzoek met klager besproken dat dit gaat over een eerdere behandeling in de kliniek bij een andere zorgverlener. Voor zover klager deze klacht handhaaft oordeelt het college dat verweerder bij deze behandeling niet betrokken is geweest en hem daarom hierover geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Zorgweigering en niet bespreken van alternatieven
3.4 Klager stelt dat het consult op 30 juni 2025 slechts enkele minuten duurde en dat hij het gevoel heeft dat de MKA-chirurg geen moeite voor hem wilde doen, zijn afwijzing slechts baseerde op de aanname dat klager rookt en dat hij geen medische alternatieven aanbood.

3.5 Het staat vast dat de MKA-chirurg aan klager heeft medegedeeld dat hij niet tot de door klager gewenste behandeling (het plaatsen van implantaten in de bovenkaak) over zou gaan, omdat deze behandeling naar de mening van de MKA-chirurg niet geïndiceerd was. De MKA-chirurg heeft hierover in het patiëntendossier het volgende genoteerd:
“Reden van komst / Verwijzing
consult implantaten bovenkaak; 2024 implantaten onderkaak; voedselretentie onder bovenprothese; patient ontkent een roker te zijn???
Voorgeschiedenis
COPD
Actuele medicatie
salbutamol en beclom inhaler
Lichamelijk onderzoek
plaque in bovenprothese; smalle processus alveolaris regio 13-15
Aanvullend onderzoek
OPT/ LSP in kader van implantologie bovenkaak; botvolume dorsaal lijkt onvoldoende
CBCT: bothoogte 15-17/13-15 regio 1mm; regio 13-15/23-24 breedte 3.0- 4.0mm
Diagnose
atrofie preocessus alveolaris bovenkaak
Beleid
negatief advies implantaten icm botopbouw bovenkaak mede gezien het feit dat patient rookt (terwijl hij dit ontkent)

3.6 Het is aan de MKA-chirurg om een professionele afweging te maken en te beoordelen of het plaatsen van implantaten geïndiceerd is. Het college kan het oordeel van de MKA-chirurg dat dit bij klager niet het geval was goed volgen. Uit het verweer van de
MKA-chirurg en uit de notitie in het patiëntendossier volgt dat de MKA-chirurg zich in zijn beoordeling niet alleen heeft gebaseerd op het (vermeende) rookgedrag van klager. Er was sprake van een smalle kaak en van onvoldoende kaakhoogte en -breedte. Op de OPT, de LSP en het aanvullend CBT-onderzoek was te zien dat er onvoldoende botvolume was voor een standaard implantaatplaatsing. Dit betekent dat eerst een omvangrijke chirurgische operatie om het kaakbot te vergroten nodig was. Ten aanzien van de contra-indicaties merkt het college op dat roken weliswaar geen absolute contra-indicatie is voor implantologische chirurgie maar wel een significante relatieve contra-indicatie is. Roken verhoogt de kans op postoperatieve complicaties en implantaatverlies. Gelet op de combinatie van de anatomische beperkingen en de verhoogde kans op complicaties bij een botopbouw en implantaatplaatsing, is de conclusie dat de gewenste behandeling niet geïndiceerd was, zorgvuldig en professioneel onderbouwd. De beslissing van de MKA-chirurg om niet tot behandeling over te gaan is niet onzorgvuldig en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

3.7 Wat betreft het verwijt dat de MKA-chirurg geen medische alternatieven heeft aangeboden oordeelt het college dat er geen alternatieven zijn die de MKA-chirurg had moeten bespreken. Klager maakt overigens ook niet concreet welke alternatieven hij bedoelt.

3.8 Gelet op het bovenstaande is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

Geen doorverwijzing/second opinion
3.9 Klager stelt dat er geen verwijzing is gegeven naar een andere zorginstelling, ondanks de erkenning dat zijn hulpvraag elders mogelijk wel beantwoord kon worden. Klager heeft deze stelling niet nader toegelicht. Door verweerder wordt gesteld dat klager niet om een verwijzing naar een andere zorginstelling heeft gevraagd. Wel merkt hij op dat klager een second opinion wenste en dat hij heeft toegezegd daaraan zijn medewerking te verlenen. Hierover heeft de MKA-chirurg echter niet meer van klager vernomen.

3.10 Op basis van deze – niet onderbouwde – standpunten van partijen kan het college niet vaststellen dat de MKA-chirurg op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij merkt het college op dat klager op eigen initiatief ergens een second opinion kan aanvragen.

3.11 Gelet op het bovenstaande is ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

Slotsom
3.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.


4. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 13 maart 2026 door M.M. van ’t Nedereind, voorzitter, W.M. Creemers, lid-jurist, J. te Poel, H.W. Luk en T. Xi, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.