ECLI:NL:TGZRAMS:2026:5 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8147
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:5 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-01-2026 |
| Datum publicatie: | 06-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8147 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Klager is gediagnosticeerd met ME/CVS (myalgische encephalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom). Bij een herbeoordeling van zijn gezondheidstoestand door een (andere) verzekeringsarts van het UWV – hierna: de primaire verzekeringsarts – is die arts tot de conclusie gekomen dat klager per week vijf dagen van zeven uur kon werken. Tegen de mede op die conclusie gebaseerde beslissing van het UWV om klager geen WIA-uitkering toe te kennen, heeft klager bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft verweerder de gezondheidstoestand van klager opnieuw beoordeeld per de zogenoemde data in geding. Hij heeft de conclusie van de primaire verzekeringsarts bevestigd. Klager is het niet eens met die conclusie en maakt de verzekeringsarts een groot aantal verwijten, die er onder andere op neerkomen dat hij onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en op grond van de beschikbare informatie in redelijkheid niet tot zijn conclusie heeft kunnen komen.Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt de verzekeringsarts een waarschuwing op. |
A2025/8147
Beslissing van 6 januari 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 6 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
gemachtigden: C (echtgenote), en mr. Y. van der Linden, werkzaam te Helmond,
tegen
D,
verzekeringsarts,
destijds werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. E, werkzaam te F.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager is gediagnosticeerd met ME/CVS (myalgische encephalomyelitis/chronisch
vermoeidheidssyndroom). Bij een herbeoordeling van zijn gezondheidstoestand door een
(andere) verzekeringsarts van het UWV – hierna: de primaire verzekeringsarts – is
die arts tot de conclusie gekomen dat klager per week vijf dagen van zeven uur kon
werken. Tegen de mede op die conclusie gebaseerde beslissing van het UWV om klager
geen WIA-uitkering toe te kennen, heeft klager bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft verweerder
de gezondheidstoestand van klager opnieuw beoordeeld per de zogenoemde data in geding.
Hij heeft de conclusie van de primaire verzekeringsarts bevestigd. Klager is het niet
eens met die conclusie en maakt de verzekeringsarts een groot aantal verwijten, die
er onder andere op neerkomen dat hij onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan
en op grond van de beschikbare informatie in redelijkheid niet tot zijn conclusie
heeft kunnen komen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt de verzekeringsarts een waarschuwing op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 februari 2025;
- de brief met bijlage, waaronder een USB-stick, van de zijde van klager van 23
februari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 16 mei 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de brief met bijlagen van de zijde van klager van 10 november 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 25 november 2025. Namens klager zijn de beide gemachtigden verschenen. De verzekeringsarts was ook aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als deskundige was aanwezig en is gehoord dr. H (cardioloog). Namens klager heeft zijn echtgenote persoonlijke aantekeningen voorgelezen. De verzekeringsarts en de gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Daarbij heeft mr. Van der Linden pleitnotities aan het college en de andere partij overhandigd en deze voorgelezen.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Bij besluit van 23 februari 2022 weigert het UWV klager, geboren in 1970, een
in september 2021 aangevraagde WIA-uitkering. Klager had zich in december 2019 vanuit
de WW ziekgemeld en sindsdien een ZW-uitkering ontvangen. Volgens het UWV was klager
op 14 december 2021 – de ‘datum in geding’ in die procedure – voor minder dan 35%
arbeidsongeschikt en komt hij daarom niet voor een WIA-uitkering in aanmerking.
3.2 Tegen de beslissing van het UWV maakt klager bezwaar. In het kader daarvan stelt een (andere) verzekeringsarts bezwaar en beroep op 14 juli 2022 een rapport op, waarin zij omtrent de bij klager gestelde diagnoses noteert:
1) status na bicepsruptuur;
2) diabetes mellitus type 2;
3) slaapapneu;
4) syndroom van Tietze.
In de door deze verzekeringsarts opgestelde functionele-mogelijkhedenlijst (FML) wordt
vermeld dat klager vijf dagen per week zeven uur per dag kan werken. Mede op basis
daarvan concludeert de arbeidsdeskundige tot een arbeidsongeschiktheidspercentage
onder de 35%, waarna het bezwaar ongegrond wordt verklaard. Van die beslissing gaat
klager in beroep. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Klager stelt tegen
deze uitspraak hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Die benoemt, op grond
van twijfel of voor klager voldoende beperkingen zijn opgenomen in de FML, een deskundige
om te rapporteren over – kort gezegd – de vraag of er voor klager per 14 december
2021 meer beperkingen golden dan in de FML van 14 juli 2022 vermeld en of de deskundige
zich kan verenigen met het standpunt van de verzekeringsarts die de FML heeft opgesteld
dat klager zeven uur per
dag en 35 uur per week kon werken.
3.3 Intussen vraagt klager bij het UWV een herbeoordeling aan vanwege verslechtering
van zijn gezondheidsklachten. Hij meldt – voor zover hier nog van belang –:
- op 27 september 2022: toegenomen moeheid na covid per 16 september 2022;
- op 18 of 19 juli 2023: verder toegenomen vermoeidheidsklachten.
3.4 Op 14 februari 2023 heeft een internist van I in J bij klager de diagnose ME/CVS gesteld. De betreffende brief vermeldt (alle citaten letterlijk weergegeven):
“Beloop (…) Nog wel typische klachten voor ME/CVS. Stik/snurkgeluiden maakt pt niet meer. Draagt CPAP niet meer laatste 2 maanden. Vermoeidheid/mist is er nog. Na inspanning is die vermoeidheid erger. Concentratie/zaken herinneren is sterk verminderd. Daardoor lukt het minder om dingen te doen die patiënt wil doen, zoals sociaal contact. (…) Die klachten worden niet beter door slapen. Patiënt is geregeld duizelig bij opstaan. 19kg afgevallen. (…) Ik besprak eerder met patiënt de diagnose ME/CVS. Conclusie Ernstige chronische vermoeidheidsklachten en ondermeer verminderde cognitieve functie bij bovenstaand beschreven klachtenpatroon. Er wordt derhalve voldaan aan de criteria die zijn opgesteld voor het chronische vermoeidheidssyndroom (EM/CVS). Beleid Ik adviseer patiënt te werken aan de balans tussen belastbaarheid en belasting. Ik bespreek dat uitgebreider bij het volgende consult.”
3.5 Op 4 augustus 2023 verricht de primaire verzekeringsarts (tegen wie een klacht is ingediend onder zaaknummer A2024/7911) een medisch heronderzoek. Hij noteert in zijn beschouwing dat klager meer klachten ervaart, maar dat de klachten en aandoeningen niet wezenlijk zijn gewijzigd en dat de belastbaarheid dus ook niet is veranderd. Hij concludeert dat klager verminderd benutbare arbeidsmogelijkheden heeft als gevolg van ziekte, dat er toegenomen gezondheidsklachten zijn door dezelfde ziekteoorzaak en dat klager vanaf 18 juli 2023 belastbaar is conform de door hem opgestelde FML. Deze vermeldt onder het kopje Duurzaamheid arbeidsbeperking “Verwachting verbetering van de belastbaarheid is redelijk tot goed.” Onder Werktijden staat geschreven: “Toelichting: De klant is in staat tot en met 35 uur per week te werken.” Met inachtneming van de beschreven beperkingen komt een arbeidsdeskundige opnieuw tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van onder de 35%. Het UWV wijst op basis daarvan opnieuw de aanvraag van klager om een WIA-uitkering af.
3.6 Op 8 december 2023 maakt klager bij het UWV melding van een collaps, waarvoor
hij per ambulance naar ziekenhuis is vervoerd, en op 30 april 2024 van een tenniselleboog
en hartklachten.
3.7 In bezwaar vindt een hoorzitting plaats op 3 juni 2024 door een jurist van het UWV en de verzekeringsarts (verweerder), die klager – buiten aanwezigheid van de jurist en in aanwezigheid van de echtgenote van klager – ook lichamelijk onderzoekt. De verzekeringsarts rapporteert op 24 juli 2024 dat de klachten dezelfde oorzaak hebben als die eerder aan de orde waren en dat er geen extra beperkingen kunnen worden vastgesteld. Op basis van deze beoordeling wijst het UWV opnieuw de aanvraag voor een WIA-uitkering af.
3.8 In 2025 heeft het UWV in zijn besluit van 28 augustus 2025, op basis van een nieuwe medische beoordeling door een verzekeringsarts, klager een IVA-uitkering toegekend met ingang van 1 mei 2025.
4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
4.1 Volgens klager voldoet het rapport van de verzekeringsarts niet aan de daaraan
te stellen eisen. In het bijzonder heeft de verzekeringsarts:
a) zijn medische beoordeling laten beïnvloeden door juridische overwegingen;
b) een speculatieve beoordeling gedaan in plaats van deze te baseren op medische
feiten;
c) onbevoegd een herinterpretatie gegeven van de bevindingen van medische specialisten;
d) ontoereikend en onzorgvuldig lichamelijk en psychisch onderzoek gedaan;
e) verzuimd een actuele en onafhankelijke FML op te stellen;
f) een tegenstrijdige beoordeling gegeven en onbevoegd psychosociale uitspraken
gedaan;
g) gegevens overgenomen van de primaire verzekeringsarts zonder die kritisch te
bezien;
h) met onvoldoende ervaring en onbevoegd gehandeld in de bezwaarfase;
i) geen reconstructie of herbeoordeling van de meldingen verslechtering uitgevoerd;
j) de melding verslechtering van 8 december 2023 genegeerd;
k) de onjuiste oorzaakcodering code 8 door de primaire verzekeringsarts genegeerd.
Daarnaast heeft de verzekeringsarts volgens klager:
l) zijn geheimhoudingsplicht geschonden;
m) niet het vermogen feitelijke onjuistheden in zijn rapportage te onderkennen.
De kern van de klacht is dat de verzekeringsarts redelijkerwijs niet tot zijn conclusie
heeft kunnen komen. Klager was gediagnosticeerd met ME/CVS. Op grond van de medische
informatie, de bevindingen bij het eigen onderzoek van de verzekeringsarts en wat
inmiddels bekend is over ME/CVS had hem duidelijk moeten zijn dat klager met de belemmeringen
die hij daarvan ondervond, niet 35 uur in de week kon werken, zoals de primaire verzekeringsarts
in de FML had geoordeeld. De verzekeringsarts had daarom die FML niet ongewijzigd
mogen overnemen, aldus klager.
4.2 De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. In het verweerschrift heeft hij aangevoerd dat in de systematiek van de arbeidsongeschikt-heidsbeoordeling niet de ervaren klachten of de diagnose doorslaggevend zijn, maar de mate waarin beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van die klachten objectief kunnen worden onderbouwd. Met de beperkingen van de frozen shoulder is in de primaire beoordeling en de bijbehorende FML rekening gehouden. Van een objectieve onderbouwing van de overige gezondheidsklachten van klager, in het bijzonder de moeheid, bleek niet uit de overgelegde medische informatie. Er waren geen diagnoses gesteld die de klachten konden verklaren. De diagnose ME/CVS zegt op zichzelf onvoldoende over de door een werknemer ervaren beperkingen; die verschillen per persoon. De slaapapneu en diabetes mellitus type II waren onder controle, en onderzoek naar Parkinson of Alzheimer leidden niet tot een van die diagnoses. Daarom was de conclusie van de primaire verzekeringsarts juist, ook waar het de gemelde toegenomen klachten betrof, aldus de verzekeringsarts. Daarom heeft hij die conclusie in bezwaar bevestigd.
5. De overwegingen van het college
5.1 Van de zijde van klager is duidelijk gemaakt dat hij al lange tijd veel last
heeft van ernstige gezondheidsklachten, die een groot negatief effect hebben op zijn
dagelijkse leven. Hij heeft geruime tijd geen inkomsten genoten. Deze praktische,
emotionele en financiële problemen raken ook zijn echtgenote en hun kinderen. Dat
valt zeer te betreuren.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag die het college moet beantwoorden is of de verzekeringsarts heeft gehandeld
zoals van hem verwacht mocht worden. Dat is een zakelijke beoordeling. De norm daarvoor
is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ verzekeringsarts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende beroepsnormen en
de wetenschappelijke inzichten ten tijde van het handelen en de informatie die op
het moment van handelen bij de verzekeringsarts bekend was of kon zijn.
5.3 Het gaat in deze zaak om het rapport dat de verzekeringsarts op 24 juli 2024 heeft
opgemaakt. Bij de beoordeling van een rapport dat is opgesteld door een zorgverlener
worden de voor die zorgverlener geldende normen ingevuld aan de hand van de volgende
criteria:
A) het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
B) het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
C) in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
D) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen;
E) de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst volledig of het in het rapport vermelde onderzoek uit het oogpunt
van vakkundigheid en zorgvuldigheid aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Ten aanzien
van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de arts in redelijkheid tot
die conclusie heeft kunnen komen.
5.4 Het college zal de klachtonderdelen bespreken aan de hand van de genoemde criteria. Daarbij stelt het college voorop dat het kader waarin een verzekeringsarts werkzaam is, wezenlijk verschilt van het kader van een behandelend arts. Een behandelend arts gaat in beginsel uit van de juistheid van wat de patiënt hem vertelt en gaat samen met de patiënt op zoek naar een oorzaak van de actuele klachten (diagnose) en een adequate behandeling daarvan. Daarbij ontstaat in de regel een vertrouwensrelatie. Een behandelend arts mag zich uitlaten over de beperkingen die een patiënt ervaart of die de arts bij eigen onderzoek vaststelt, maar niet over beperkingen voor arbeid, omdat dit tot de specifieke deskundigheid van de (bedrijfs- en/of) verzekeringsarts behoort. Een verzekeringsarts heeft tot taak de door een betrokkene ondervonden klachten en belemmeringen te ‘vertalen’ in eventuele beperkingen voor arbeid. Nu die beoordeling, als het gaat om een bij het UWV werkzame verzekeringsarts, van belang is voor de toekenning van verschillende uitkeringen en het dus gaat om de besteding van gemeenschapsgelden, is een kritische houding van de verzekeringsarts ten aanzien van de door een betrokkene geuite klachten passend. Verder is van belang dat de verzekeringsarts altijd een beoordeling doet die betrekking heeft op een datum in het verleden, de ‘datum in geding’.
A) het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust
5.5 Volgens klager voldoet het rapport van de verzekeringsarts niet aan dit criterium,
omdat hij in zijn rapport een belangrijk gedeelte van de onder 3.4 aangehaalde brief
van de internist die de diagnose ME/CVS heeft gesteld, niet heeft vermeld. Het college
verwerpt dit verwijt. Nu de verzekeringsarts de betreffende brief als onderdeel van
de beschikbare medische informatie in het rapport heeft opgenomen, is duidelijk dat
hij van die brief kennis heeft genomen. Daaraan doet niet af dat hij daaruit alleen
de conclusie heeft overgenomen. In die conclusie staat (ook) dat klager ernstige chronische
vermoeidheidsklachten heeft en verminderde cognitieve functie, met de diagnose ME/CVS.
Het is gebruikelijk en onvermijdelijk dat bij de weergave in een rapport van de beschikbare
medische informatie slechts gedeelten uit specialistenbrieven en/of samenvattingen
daarvan worden gehanteerd. Het rapport voldoet dus aan dit criterium. De verzekeringsarts
heeft alle beschikbare, van belang zijnde medische en andere informatie voldoende
in zijn rapport vermeld.
B) het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden, en
E) de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid
5.6 Klager heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts onvoldoende (systematisch) lichamelijk
en psychisch onderzoek heeft gedaan (klachtonderdeel d). Dat is naar het oordeel van
het college niet het geval. Het is in beginsel aan een verzekeringsarts zelf om te
bepalen hoe het onderzoek wordt verricht. In dit geval is niet gebleken dat de verzekeringsarts
onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan. In het rapport schrijft hij dat, hoewel er
geen
specifieke lichamelijke klachten zijn naast de pijnklachten van de frozen shoulder,
hij een oriënterend lichamelijk onderzocht heeft gedaan naar het bewegen van klager.
Zijn waarnemingen daarbij en de uitspraken van klager over zijn lichamelijke mogelijkheden
heeft de verzekeringsarts in het rapport adequaat beschreven. Aan de psychische beperkingen
van klager heeft de verzekeringsarts in zijn rapport ook voldoende aandacht besteed,
onder het kopje “Psychologische oriëntatie”. Hij heeft daar duidelijk zijn waarnemingen
beschreven en genoteerd wat klager heeft gezegd over zijn emotionele toestand en het
gebrek aan perspectief. Volgens klager zou dit tegenstrijdig zijn met uitspraken die
de verzekeringsarts tijdens het onderzoek zou hebben gedaan op psychosociaal gebied,
bijvoorbeeld dat er hulp zou kunnen worden gezocht voor het gezin van klager als systeem.
De verzekeringsarts zou daartoe ook onbevoegd zijn, net als over de uitspraak dat
klager niet het beeld vertoont dat te verwachten zou zijn bij Parkinson of Alzheimer.
Het college acht deze uitspraken niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De suggestie van
de verzekeringsarts dat er een ‘hulplijn’ zou moeten komen wijst op empathie voor
de situatie van klager en zijn gezin en is niet tegenstrijdig met andere uitspraken
of bevindingen. Daarvoor is geen specialistische psychiatrische of neurologische expertise
vereist. Ook was de verzekeringsarts bevoegd om iets te zeggen over het te verwachten
beeld bij Parkinson of Alzheimer; dat is niet voorbehouden aan een medisch specialist.
Nu bij klager na onderzoek door een specialist ouderengeneeskunde geen Parkinson of
Alzheimer was gediagnosticeerd, kan het college niet vaststellen dat uitspraken van
de verzekeringsarts innerlijk tegenstrijdig zijn. Klachtonderdeel d) is daarom ongegrond.
5.7 Verder heeft de verzekeringsarts zich volgens klager bij het onderzoek onbevoegd uitgelaten over het te verwachten natuurlijke beloop van een frozen shoulder, omdat hij geen bijzondere expertise heeft op dit gebied en daarmee een speculatieve beoordeling gedaan (klachtonderdelen b en c). De verzekeringsarts heeft blijkens de transcriptie van de hoorzitting gezegd dat hij hoopte dat klager was uitgelegd dat de klachten van een frozen shoulder eerst toenemen en een tijd aanwezig blijven en dan vanzelf weer afnemen. Volgens klager is het algemeen bekend in de medische wetenschap dat een frozen shoulder bij diabetespatiënten – zoals betrokkene – vaak een ernstiger en langduriger beloop kent en niet vanzelf geneest. Naar het oordeel van het college is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de verzekeringsarts de betreffende uitspraak heeft gedaan. Die uitspraak is niet onjuist. Ook bij diabetespatiënten is er een goede kans dat een frozen shoulder vanzelf overgaat; het duurt vaak wel langer. In het rapport van de primaire verzekeringsarts is bovendien als mededeling van klager vermeld dat de schouder al iets vooruit ging. Het is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de verzekeringsarts de betreffende uitspraak heeft gedaan. Het is bovendien onderdeel van zijn taak om uitspraken te doen over de prognose van de te verwachten beperkingen bij arbeid van een betrokkene, ook op de langere termijn. Een inschatting van het beloop van de ziekte(n)/aandoening(en) waardoor die beperkingen worden veroorzaakt, hoort daarbij. Klachtonderdelen b) en c) zijn dus ook ongegrond.
5.8 De verzekeringsarts zou volgens klager tijdens het onderzoek ook professioneel
onaanvaardbare – want grensoverschrijdende – vragen hebben gesteld (gedeelte klachtonderdeel
f). De verzekeringsarts heeft dit betwist. Het college overweegt dat de interpretatie
die klager geeft aan een bepaalde vraag van de verzekeringsarts (blz. 11 van het gespreksverslag),
inhoudende dat de verzekeringsarts zou hebben gevraagd naar de intieme relatie tussen
klager en zijn echtgenote, daar niet in is te lezen. In zoverre is ook klachtonderdeel
f) ongegrond.
5.9 Ook overigens kan de verzekeringsarts ten aanzien van het onderzoek geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Hij heeft kennis genomen van de reeds beschikbare medische informatie en nadere informatie ingewonnen bij de specialist ouderengeneeskunde tot wie klager zich had gewend. Daarnaast heeft hij klager (en zijn echtgenote) uitgebreid persoonlijk gesproken bij gelegenheid van het gehoor in bezwaar en, zoals hiervoor overwogen, klager behoorlijk onderzocht. Dit zijn de gebruikelijke stappen bij een verzekeringsgeneeskundige beoordeling.
C) in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen
5.10 Volgens klager heeft hij inmiddels een IVA-uitkering toegekend gekregen met
ingang van 13 juni 2024, op basis van een medische beoordeling die heeft plaatsgevonden
op grond van dezelfde gegevens als waarover de verzekeringsarts beschikte. Reeds daaruit
zou blijken dat de beoordeling door de verzekeringsarts onjuist is geweest. Dat is
naar het oordeel van het college niet het geval. Bij de meest recente beoordeling,
vastgelegd in een medisch onderzoeksverslag van 27 augustus 2025, is informatie in
aanmerking genomen die de verzekeringsarts ten tijde van zijn onderzoek op 3 juni
2024 niet bekend kon zijn. Zo heeft klager in een wijzigingsformulier van 13 juni
2024 melding gemaakt van het vermoeden van een herseninfarct, in een wijzigingsformulier
van 25 oktober 2024 van uitvalsverschijnselen van zijn rechterbeen en van een gestage
toename van rug- en heupklachten, waardoor klager nauwelijks kan lopen en bewegen.
In een vragenlijst van 2 mei 2025 wordt melding gemaakt van neuropathische klachten
aan de rechtervoet en sinds april 2025 ook aan de linkervoet, die passen bij een diabetische
neuropathie. Dit is allemaal nieuwe informatie ten opzichte van de in het rapport
van de verzekeringsarts vermelde medische gegevens. Uit het feit dat de verzekeringsarts
die de meest recente beoordeling heeft gedaan, tot de conclusie komt dat klager geen
benutbare mogelijkheden heeft, kan dus niet worden geconcludeerd dat de beoordeling
door de verzekeringsarts (verweerder) reeds om die reden onjuist is.
5.11 Naar het oordeel van het college voldoet het rapport van de verzekeringsarts echter toch niet aan het genoemde criterium. Hij had duidelijker inzicht behoren te geven in de manier waarop hij alle beschikbare informatie heeft gewogen om tot zijn conclusie te komen dat klager op de data in geding (27 september 2022 en 19 juli 2023) vijf dagen per week zeven uur per dag kon werken. Het ongewijzigd overnemen van de FML van de primaire verzekeringsarts is op zichzelf niet zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar. Gelet op de hoeveelheid informatie die erop wees dat bij klager sprake was van een ernstig ziektebeeld, had de verzekeringsarts echter – de geldende professionele standaarden voor verzekeringsartsen in aanmerking genomen, waaronder de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid van het UWV – beter moeten motiveren waarom hij geen aanleiding zag om meer beperkingen aan te nemen dan door de primaire verzekeringsarts in de FML waren opgenomen. De verzekeringsarts heeft op zitting onder andere verwezen naar het dagverhaal van klager zoals weergegeven in het rapport van de primaire verzekeringsarts. Uit dat dagverhaal blijkt dat klager in zijn thuissituatie in de ochtend tussen 10:00 uur en 12:00 uur een activiteit van maximaal twee uur uitvoerde (zoals boodschappen doen) en dan na de lunch een half uur rustte, en dat hij ’s middags een activiteit van een uur uitvoerde en dan van 15:00 uur tot 17:00 uur op bed ging liggen. In het licht daarvan, van de beschikbare medische informatie en van de bevindingen van de verzekeringsarts bij zijn eigen onderzoek kan het college, zonder nader inzicht in de gedachtegang van de verzekeringsarts, redelijkerwijs niet de conclusie volgen dat klager zeven uur per dag zou kunnen werken. Klachtonderdelen e) en g) zijn daarmee gegrond.
5.12 Klager heeft de verzekeringsarts ten aanzien van de beoordeling nog verweten dat hij vooringenomen zou zijn (gedeelte klachtonderdeel f). Daarvoor ziet het college geen aanwijzingen. Dat de conclusies niet logisch uit de bevindingen volgen, maakt nog niet dat sprake is van vooringenomenheid. Klachtonderdeel f) is ook wat dit aspect betreft ongegrond.
5.13 Ook heeft klager aangevoerd dat de verzekeringsarts zich bij zijn beoordeling heeft laten beïnvloeden door juridische overwegingen (klachtonderdeel a). Dit klachtonderdeel bevat twee verwijten. Het eerste verwijt houdt in dat de verzekeringsarts zich bij de hoorzitting in bezwaar te veel heeft laten sturen door de jurist. Toen de echtgenote van klager een belangrijke opmerking maakte over de primaire beoordeling, wijzigde de jurist het onderwerp, zodat de verzekeringsarts daar niet op inging. Het college overweegt hierover dat het niet aan de verzekeringsarts in bezwaar is om tijdens een hoorzitting inhoudelijk in te gaan op de geuite bezwaren tegen de primaire medische beoordeling. Hij dient daarover schriftelijk te rapporteren en daarbij de informatie uit de hoorzitting te betrekken. Het tweede verwijt houdt in dat de verzekeringsarts zijn beoordeling heeft gebaseerd op interne UWV-rapportages en juridische overwegingen, in plaats van op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die twijfels had over de beoordeling door het UWV en daarom een onafhankelijke deskundige had benoemd. Volgens klager zou dit onderstrepen dat de eerdere beoordelingen van de collega’s van de verzekeringsarts binnen het UWV gebrekkig – want niet deugdelijk en overtuigend genoeg – waren. Het college overweegt dat niet is gebleken dat juridische overwegingen de overhand hebben gehad bij de beoordeling door de verzekeringsarts. Hij diende in bezwaar de medische situatie en de daarmee samenhangende beperkingen van klager te beoordelen en daarbij de conclusie van de primaire verzekeringsarts te betrekken. Hij diende dit onafhankelijk te doen en hoefde zich daarbij dus ook niet te laten leiden door het oordeel van de Centrale Raad van Beroep in de procedure over de eerdere weigering van het UWV om een WIA-uitkering aan klager te verstrekken. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
5.14 Ten slotte heeft klager nog aangevoerd dat de verzekeringsarts geen reconstructie of herbeoordeling van de meldingen van verslechtering heeft uitgevoerd en de melding van 8 december 2023 heeft genegeerd. Deze verwijten gaan niet op. De beoordeling ging nu juist over de meldingen van verslechtering door klager van september 2022 en mei 2023. Dit waren de zogenoemde ‘data in geding’. Nu die gelegen waren vóór 8 december 2023 hoefde de verzekeringsarts de door klager gemelde collaps en hartproblemen niet in zijn beoordeling te betrekken. De klachtonderdelen i) en j) zijn ongegrond.
D) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen
5.15 Volgens klager heeft de verzekeringsarts bij zijn beoordeling in strijd met
dit criterium de actuele wetenschappelijke inzichten op het gebied van ME/CVS niet
voldoende in aanmerking genomen. Klager heeft in dit verband verwezen naar het advies
van de Gezondheidsraad (GR) over ME/CVS uit 2018 en de NICE-richtlijn (National Institute
for Health and Care Excellence in het Verenigd Koninkrijk) uit 2021.
5.16 Hierover overweegt het college dat de verenigingen van verzekeringsartsen (de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (NVVG) en de Nederlandse Vereniging van Geneeskundig Adviseurs in particuliere Verzekeringszaken (GAV)) het advies van de GR tot op heden niet hebben gevolgd. Zij zijn het niet met het advies eens, omdat dit volgens hen niet werkbaar is. Zij hebben dit gemotiveerd met het argument dat verzekeringsartsen een breed scala aan patiënten zien met minder en meer beperkingen onder de noemer van ME/CVS. Verzekeringsartsen verrichten dan ook een individuele beoordeling die recht doet aan deze beperkingen, wat ook blijkt uit onderzoek van UWV, aldus deze beide verenigingen. Zij onderschrijven de aanbeveling voor meer onderzoek naar ME/CVS, omdat dit de sleutel is naar niet alleen een effectieve(re) behandeling, maar ook tot betere diagnostiek. De beroepsverenigingen hebben voorgesteld om het GR-advies mee te nemen bij een update van de multidisciplinaire CBO-richtlijn uit 2013.
5.17 Nu de beroepsverenigingen van de verzekeringsartsen, die bij uitstek bepalen welke beroepsnormen specifiek voor verzekeringsartsen gelden, het GR-advies niet hebben gevolgd, kan een individuele verzekeringsarts niet worden verweten dat hij dat ook niet doet en dat hij aan de hand van zijn onderzoek ten aanzien van de specifieke situatie van de te onderzoeken patiënt de concrete beperkingen voor arbeid vaststelt. De NICE-richtlijn is opgesteld door specialistenverenigingen in het Verenigd Koninkrijk en niet in Nederland geïmplementeerd. De Federatie Medisch Specialisten bereidt op dit moment een update van de CBO-richtlijn uit 2013 voor. Deze bestaande richtlijn noopte de verzekeringsarts niet tot ander handelen.
5.18 Dit klachtonderdeel, voor zover als afzonderlijk klachtonderdeel bedoeld, is daarom ongegrond.
5.19 Het college merkt nog op dat de gemachtigde van klager het college heeft verzocht de kloof te dichten die in de optiek van ME/CVS-patiënten, hun behandelaars en hun belangenbehartigers bestaat tussen de reguliere geneeskunde en de wetenschappelijke inzichten die inmiddels zijn opgedaan rond ME/CVS, de oorzaken daarvan en de ernstige beperkingen die patiënten ondervinden die aan deze ziekte lijden. Aan die wens kan het college niet voldoen. De wettelijke taak van het college is beperkt tot het toetsen van het handelen van een individuele zorgverlener aan de ten tijde van dat handelen voor die zorgverlener geldende normen, richtlijnen en gebruiken. Eventuele nieuwe richtlijnen en andere normen moeten binnen de beroepsgroepen worden ontwikkeld op basis van de wetenschappelijke ontwikkelingen. Het tuchtcollege is daarvoor niet toegerust en is daar ook niet toe bevoegd.
5.20 Klager heeft nog een aantal klachtonderdelen geformuleerd die losstaan van de rapportage. Die zal het college hierna bespreken.
Klachtonderdeel h) met onvoldoende ervaring en onbevoegd gehandeld in de bezwaarfase
5.21 Klager heeft in dit klachtonderdeel nog aangevoerd dat de verzekeringsarts
hem inzage had moeten geven in het conceptrapport. Artikel 7:446 van het Burgerlijk
Wetboek (BW) bepaalt dat geen geneeskundige behandelingsovereenkomst aanwezig is als
het gaat om handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand van een persoon,
verricht in opdracht van een ander dan die persoon in verband met (onder andere) de
vaststelling van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of
voorziening. Dat is hier het geval. Volgens artikel 7:464, tweede lid onder b, BW
heeft de betrokkene dan in beginsel in ieder geval een inzage- en correctierecht.
Artikel 74 lid 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet
SUWI) bepaalt echter dat artikel 7:464 lid 2 onderdeel b BW niet van toepassing is
als in verband met de uitvoering van de Wet SUWI handelingen worden verricht op het
gebied van de geneeskunst door personen, voor wie de geheimhoudingsplicht van artikel
74 lid 1 Wet SUWI geldt. De verzekeringsarts is een van die personen. Dat betekent
dat hij niet de verplichting had om zijn conceptrapport aan klager ter inzage te geven
met het oog op correctie of blokkering. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.22 De uitgebreide, overwegend speculatieve argumenten die klager verder ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft aangevoerd leiden het college niet tot de conclusie dat de verzekeringsarts met onvoldoende ervaring en onbevoegd zou hebben gehandeld. Hij was ten tijde van zijn onderzoek en rapportage BIG-geregistreerd als arts arbeid en gezondheid – verzekeringsgeneeskunde (verzekeringsarts). Het is aannemelijk dat hij in zijn opleiding tot deze specialisatie ruime praktijkervaring heeft opgedaan onder supervisie van ervaren verzekeringsartsen. Er zijn geen aanwijzingen voor het tegendeel. Uit het feit dat het college oordeelt dat hij zijn conclusies in het rapport niet voldoende heeft onderbouwd, kan niet worden afgeleid dat hij niet bevoegd of bekwaam zou zijn geweest om de beoordeling van klagers gezondheidstoestand uit te voeren.
Klachtonderdeel k) negeren onjuiste oorzaakcodering 8 door de primaire verzekeringsarts
5.23 Dit klachtonderdeel berust op een onjuiste interpretatie van die code, zoals
de gemachtigde van de verzekeringsarts bij het mondelinge vooronderzoek heeft uiteengezet,
en is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel l) schending geheimhoudingsplicht
5.24 Klager verwijt de verzekeringsarts dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door bij zijn verweerschrift onnodig een omvangrijke set medische documenten en vertrouwelijke informatie over klager te verstrekken, terwijl andere essentiële stukken, zoals het rapport en de FML van de primaire verzekeringsarts, daarin zouden ontbreken.
5.25 Het college overweegt dat van zorgverleners wordt verwacht dat zij zich in een tuchtprocedure toetsbaar opstellen en verantwoording afleggen van hun handelen. Zij hebben een te respecteren belang om zich in een dergelijke procedure adequaat te kunnen verweren. Het stond de verzekeringsarts daarom vrij in het kader van zijn verdediging medische gegevens betreffende klager in het geding brengen. De ingebrachte stukken, waaronder (als bijlagen 1a en 1b) het rapport en de FML van de primaire verzekeringsarts, evenals zijn eigen rapport en de daarin genoemde stukken, zijn van belang voor de beoordeling van de klacht en het verweer. De verzekeringsarts heeft zijn beroepsgeheim niet geschonden. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel m) niet het vermogen feitelijke onjuistheden in zijn rapportage te onderkennen, en overige subklachtonderdelen
5.26 Dit klachtonderdeel heeft, evenals alle overige subklachtonderdelen, naast de hiervoor besproken klachtonderdelen geen zelfstandige betekenis. Deze worden daarom niet afzonderlijk besproken en ongegrond verklaard.
Slotsom
5.27 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen e) en g) gegrond zijn. Voor het overige is de klacht ongegrond.
Maatregel
5.28 Het college moet beslissen of een maatregel op zijn plaats is en zo ja, welke.
5.29 In bijzondere gevallen kan het college bij de gegrondverklaring van een klacht
afzien van een maatregel. Van bijzondere omstandigheden is in het geval van de verzekeringsarts
niet gebleken. De beoordeling van de gezondheidstoestand door een verzekeringsarts
kan ingrijpende gevolgen hebben voor de betrokkene. Als daarbij een fout wordt gemaakt,
past daarbij een maatregel.
5.30 Het college zal de verzekeringsarts een waarschuwing opleggen, om de volgende redenen. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken komt naar voren dat de verzekeringsarts gewetensvol zijn werk heeft gedaan. Hij heeft zijn onderzoek voldoende zorgvuldig verricht en zowel bij de hoorzitting in bezwaar als op de zitting blijk gegeven van empathie jegens klager en zijn echtgenote. Hij heeft zich verder uitgesproken toetsbaar opgesteld. Het verwijt aan zijn adres moet bovendien worden bezien in het licht van een complexe medische beoordeling binnen een juridisch kader. Er is daarom geen reden de verzekeringsarts een zwaardere maatregel op te leggen. De waarschuwing is bedoeld als een zakelijke boodschap dat de verzekeringsarts een volgende keer in een rapport meer inzicht behoort te bieden in zijn gedachtegang. De in het klaagschrift gesuggereerde zware maatregelen zijn niet aan de orde. Het doel van het tuchtrecht is verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg. Een maatregel moet dat belang dienen en is niet bedoeld voor genoegdoening van de klagende partij. Voor de andere door klager gewenste interventies, zoals verplichte toetsing en herregistratie en verwijzing naar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd voor nader onderzoek, bestaat geen aanleiding en/of heeft het college geen bevoegdheid.
Publicatie
5.31 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere verzekeringsartsen mogelijk iets van deze zaak kunnen
leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
Kostenveroordeling
5.32 Klager heeft verzocht de verzekeringsarts te veroordelen in de kosten die klager
heeft gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college
de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt.
Nu dit in deze zaak het geval is, zal het college het verzoek van klager beoordelen.
5.33 De kosten worden berekend aan de hand van de Oriëntatiepunten kostenveroordeling
tuchtcolleges voor de gezondheidszorg. Dat betekent dat:
- de reiskosten van de echtgenote van klager als zijn gemachtigde op € 100,-- worden
vastgesteld (afstand woonplaats tot de rechtbank meer dan 50 km, tweemaal € 50,--
berekend voor mondeling vooronderzoek en zitting);
- de kosten voor rechtsbijstand worden begroot op één punt (voor de zitting – de
gemachtigde heeft niet het klaagschrift opgesteld en was niet aanwezig bij het mondelinge
vooronderzoek) à € 666,-- per punt, waarbij de wegingsfactor in verband met de ernst
van het tuchtrechtelijk verwijt op 1 wordt gesteld.
5.34 Het college wijst het verzoek van klager om vergoeding van de kosten van de meegebrachte deskundige af. Bij de stukken bevindt zich een brief van dr. H van 9 september 2025 aan de huisarts van klager. Daaruit blijkt dat zij lichamelijk onderzoek bij klager heeft verricht en (onder andere) de diagnose ME/CVS heeft bevestigd. Uit de brief kan worden afgeleid dat zij dat op verzoek van klager heeft gedaan en zij heeft ook levensstijlregels met hem besproken. Dat betekent dat er een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen klager en dr. H tot stand is gekomen (zie artikel 7:446 BW). Zij kan daarom niet als onafhankelijke deskundige worden beschouwd. Haar bevindingen ten aanzien van klager, waarover zij dus in feite als getuige heeft verklaard, dateren van ruim een jaar na het opmaken van het rapport door de verzekeringsarts en kunnen als zodanig niet in de beoordeling van zijn handelen worden betrokken. Voor wat betreft de stand van de wetenschap beschikt het college zelf over voldoende kennis van de toepasselijke richtlijnen op het gebied van ME/CVS. De verklaring van dr. H heeft daarom niet bijgedragen aan de vragen die het college moet beantwoorden. Er is dan ook geen reden om de kosten daarvan voor rekening van de verzekeringsarts te brengen.
5.35 Het betaalde griffiegeld krijgt klager terug van het tuchtcollege, omdat zijn klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard (artikel 56a, vijfde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg).
5.36 In totaal moet de verzekeringsarts dus € 766,-- aan klager betalen als vergoeding van de kosten die klager heeft gemaakt voor deze procedure.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ten aanzien van de klachtonderdelen e) en g) gegrond;
- legt de verzekeringsarts de maatregel op van waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch
Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde;
- veroordeelt de verzekeringsarts in de hierboven vastgestelde kosten van klager
van € 766,--;
- veroordeelt de verzekeringsarts dit bedrag – nadat deze uitspraak onherroepelijk
is geworden – te voldoen binnen vier weken nadat (een gemachtigde van) klager schriftelijk
het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop het bedrag
kan worden gestort aan de verzekeringsarts of zijn gemachtigde heeft laten weten.
Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, A.P. den Exter, lid-jurist,
M. Keus, F.J. Perquin en J. Dogger, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van
‘t Nedereind, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.