ECLI:NL:TGZRAMS:2026:49 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8397

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:49
Datum uitspraak: 10-03-2026
Datum publicatie: 10-03-2026
Zaaknummer(s): A2025/8397
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een physician assistant (PA). Klaagster verwijt de PA dat zij onvoldoende zorg heeft verleend en dat zij, na klaagsters uitschrijving uit de huisartsenpraktijk waar de PA werkzaam is, het medisch dossier niet tijdig aan de nieuwe huisarts heeft overgedragen. Het college oordeelt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor het verwijt dat zij onvoldoende zorg heeft verleend. De PA heeft juist veel inspanning geleverd in de behandeling, terwijl klaagster hier slechts deels op reageerde. De overdracht van het medisch dossier aan de nieuwe huisarts was een administratieve handeling waarbij de PA niet betrokken was en ook niet betrokken hoefde te zijn.

A2025/8397

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 10 maart 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,

tegen

C,
physician assistant, werkzaam in B
verweerster, hierna ook: de physician assistant of de PA,
gemachtigde: mr. S.C. van Rikxoort-Wesselingh, werkzaam te Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster is vanwege ernstige gezondheidsklachten door de PA onderzocht. Daarna hadden zij 
telefonisch contact. Vervolgens heeft klaagster het contact beëindigd. Klaagster verwijt de PA dat 
zij onvoldoende zorg heeft verleend en dat zij, na klaagsters uitschrijving uit de 
huisartsenpraktijk waar de PA werkzaam is, het medisch dossier niet tijdig aan de nieuwe huisarts 
heeft overgedragen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht van klaagster kennelijk ongegrond is. 
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat 
duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe 
de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 april 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  een kopie van het huisartsenjournaal van de periode rond het consult op 28 februari 2024;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 4 september 2025;
-  de e-mail van klaagster van 29 september 2025.

Omdat klaagster door een administratieve omissie niet op de hoogte was van het mondeling
vooronderzoek, heeft zij de gelegenheid gekregen schriftelijk op het proces-verbaal te reageren. Dat heeft zij gedaan per e-mail van 29 september 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   Op 19 februari 2024 kwam klaagster bij de huisartsenpraktijk waar zij toen patiënt was op 
consult bij de physician assistant (PA) vanwege al een jaar bestaande klachten, waaronder koorts, 
bloed spugen, pijn in pols en arm, een gevoel van disconnectie, gewichtsverlies en nachtzweten. Zij 
gaf aan zich van het kastje naar de muur gestuurd te voelen door huisarts, KNO-arts en MDL-arts, 
die niets hadden gevonden, en zij voelde zich niet serieus genomen. De PA zag geen aanwijzingen 
voor een TIA, waar klaagster zich zorgen over maakte vanwege de voorgeschiedenis van haar vader. De 
PA vroeg vervolgens aanvullend bloedonderzoek (stollingslab) aan.

3.2   Op 21 en 22 februari 2024 probeerde de PA klaagster telefonisch te bereiken, maar zonder 
succes. Daarom stuurde zij op 22 februari 2024 via het digitale portaal een bericht waarin zij 
schreef dat zij klaagster helaas niet kon bereiken en dat de bloeduitslagen goed waren. De PA 
verzocht klaagster contact op te nemen met de huisartsenpraktijk waar de PA werkzaam was voor het 
verdere beleid. Diezelfde dag nam de PA telefonisch contact op met de MDL-arts, omdat er geen 
uitslagenbrief in het dossier aanwezig was. Uit de informatie van de MDL-arts bleek dat geen 
duidelijke diagnose kon worden gesteld.

3.3   Op 26 februari 2024 reageerde klaagster via het digitale portaal. Zij gaf aan geen gemiste 
oproepen ontvangen te hebben en benadrukte dat zij overduidelijk ziek was. Klaagster vroeg een 
e-consult bij haar huisarts aan (tegen wie zij eveneens een klacht heeft ingediend, A2025/8395), 
waarna zij op 27 februari 2024 door een collega van die huisarts werd gezien (tegen wie zij 
eveneens een klacht heeft ingediend, A2025/8396). Zij meldde uitvalsverschijnselen. Uit het dossier 
blijkt ook dat klaagster niet begreep waarom zij een afspraak bij de huisarts had, omdat zij onder 
behandeling was bij de PA.

3.4   Op 28 februari 2024 belde de PA klaagster op naar aanleiding van het e-consult en het contact 
met de MDL-arts. Klaagster was emotioneel en vertelde dat zij haar handen drie uur lang niet kon 
bewegen na het wakker worden. Klaagster had geen uitvalsverschijnselen of andere neurologische 
verschijnselen. De PA bood klaagster een afspraak met de POH-GGZ aan en een fysiek consult voor de 
armklachten. Klaagster wilde daar nog over nadenken en maakte uiteindelijk geen afspraak. De PA 
heeft klaagster na 28 februari 2024 niet meer gezien.

3.5   Op 20 maart 2024 vroeg klaagster de huisartsenpraktijk om haar uit te schrijven. Klaagster 
liet weten dat zij ontevreden was. Op 27 maart 2024 werd haar dossier overdragen aan haar nieuwe 
huisarts.

4. De klacht en de reactie van de physician assistant
4.1  Klaagster verwijt de PA dat zij:
a) onvoldoende zorg heeft geleverd, en
b) niet tijdig het medisch dossier aan de nieuwe huisarts heeft overgedragen.

4.2   De PA voert aan dat zij haar werkzaamheden correct en professioneel heeft verricht en dat zij 
oprecht gemotiveerd was om klaagster goede zorg te leveren. Het doet haar persoonlijk iets dat 
klaagster van mening is dat zij niet juist heeft gehandeld. De PA benadrukt verder dat zij geen rol 
heeft gehad in de administratieve afhandeling van klaagsters uitschrijving en de overdracht van het 
medisch dossier aan de nieuwe huisarts.

4.3  Het college zal hierna ingaan op de standpunten van beide partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de PA de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende PA. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de PA geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt 
het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen 
handelen.

5.2   Het college oordeelt dat de PA niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens het 
college heeft zij zorgvuldig gewerkt en, gezien de complexe situatie van klaagster, de juiste 
professionele afwegingen gemaakt en passende handelingen verricht.

Klachtonderdeel a) onvoldoende zorg
5.3   Klaagster verwijt de PA dat zij onvoldoende zorg heeft verleend. Volgens klaagster maakte de 
PA tijdens het consult van 19 februari 2024 een ongeïnteresseerde indruk en keek zij voortdurend 
naar haar computer, stelde zij vragen die niet te maken hadden met klaagsters klachten en heeft zij 
geen lichamelijk onderzoek verricht. Hierdoor voelde klaagster zich niet gehoord en niet serieus 
genomen.

5.4   De PA bestrijdt dat zij klaagster en haar klachten niet serieus heeft genomen. Zij heeft in 
haar verweerschrift en tijdens het mondeling vooronderzoek toegelicht dat zij op 19 februari 2024, 
vanuit haar professionele deskundigheid, gericht heeft onderzocht welke klachten van klaagster 
prioriteit hadden en of er sprake was van acute pathologie, gezien het grote aantal klachten van 
uiteenlopende aard, duur en intensiteit. Zij stelt dat zij actief naar klaagster heeft geluisterd 
en haar de ruimte heeft gegeven om haar verhaal te doen. De PA heeft daarom ook de brief van de 
MDL-arts opgevraagd, waaruit geen duidelijke diagnose naar voren kwam. Toen klaagster tijdens dat 
consult aangaf zich zorgen te maken over een mogelijke TIA, mede vanwege de voorgeschiedenis van 
haar vader, heeft de PA specifiek gekeken naar signalen daarvan. Zij constateerde geen 
uitvalsverschijnselen en er waren op dat moment geen andere symptomen passend bij een TIA. Op basis van haar bevindingen heeft zij klaagster gerustgesteld en bloedonderzoek aangevraagd. Tijdens het mondeling vooronderzoek lichtte de PA nog toe dat zij een half uur extra tijd voor klaagster had ingepland. Volgens de PA is er dan 
ook geen sprake van dat zij klaagster niet serieus nam; zij herkent zich niet in het beeld dat 
klaagster schetst.

5.5   Het college stelt vast dat uit het medisch dossier blijkt dat de PA klaagster lichamelijk 
heeft onderzocht, door het meten van de pols, temperatuur, hartslag en zuurstofgehalte en dat de PA 
ook overigens klinisch en spraakonderzoek heeft verricht. Daarnaast blijkt dat de PA de medische 
gegevens vanuit het ziekenhuis heeft ingezien, bloedonderzoek heeft aangevraagd, meerdere pogingen 
heeft gedaan om contact te leggen, de MDL-arts heeft gebeld en op 28 februari 2024 een consult voor 
diezelfde dag heeft aangeboden. Ook laten de dossiernotities zien dat zij naar de hulpvraag heeft 
gevraagd en deze heeft proberen te verhelderen. Zij heeft verder gevraagd naar het medicatie- en 
middelengebruik van klaagster. Mogelijk zijn deze laatstgenoemde vragen op klaagster overgekomen 
als irrelevant voor haar klachten, maar dit zijn standaard anamnesevragen die mogelijk relevant 
konden zijn voor het verklaren van haar klachten. Het gesprek verschoof geleidelijk van de algemene 
hulpvraag naar de vraag over een mogelijke TIA, vanwege de door klaagster geuite angst daarvoor.

5.6   Het college oordeelt dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Niet blijkt dat de PA klaagster 
niet serieus heeft genomen; het dossier biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Bij de 
tegenstrijdige lezingen van partijen kan het college, zonder nadere bevestiging van klaagsters 
versie, niet in het nadeel van de PA uitgaan van de door klaagster gestelde bejegening. Het college 
merkt daarbij op dat de PA juist veel inspanning heeft geleverd in de behandeling, terwijl 
klaagster hier slechts deels op reageerde. Na 28 februari 2024 heeft klaagster het contact met de 
PA verbroken.

Klachtonderdeel b) overdracht medisch dossier aan nieuwe huisarts
5.7  Klaagster verwijt de PA dat zij haar medisch dossier niet tijdig aan haar nieuwe huisarts 
heeft verstrekt.

5.8   De PA heeft toegelicht dat zij niet op de hoogte was van de uitschrijving van klaagster uit 
de huisartsenpraktijk en van het verzoek om het dossier aan de nieuwe huisarts over te dragen. Zij 
was niet betrokken bij deze administratieve handelingen, die bovendien niet tot haar takenpakket 
behoren.

5.9   Het college oordeelt dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is. In het tuchtrecht staat 
persoonlijke verwijtbaarheid centraal, en daarvan is hier geen sprake. De kernvraag is of de PA 
persoonlijk tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het (tijdig) overdragen van 
het medisch dossier aan de nieuwe huisarts. Dit was een administratieve handeling waarbij de PA 
niet betrokken was en ook niet betrokken hoefde te zijn.

Slotsom
5.10  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 10 maart 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
C.J. Huitenga en S. Pereboom, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.I.M. de Haan,
secretaris.