ECLI:NL:TGZRAMS:2026:48 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8295
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:48 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-03-2026 |
| Datum publicatie: | 10-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8295 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een reumatoloog. Klaagster is circa 5 maanden onder behandeling geweest van de reumatoloog. Klaagster verwijt de reumatoloog onder meer dat zij te lang en in een te hoge dosering Prednisolon heeft voorgeschreven. Het college stelt vast dat bij klaagster sprake was van een ernstige aandoening waarvoor snelle en adequate onderdrukking van ziekteactiviteit noodzakelijk was. Het voorschrijven van hoge doseringen Prednisolon was hierbij gebruikelijk en medisch geïndiceerd. Uit het dossier blijkt dat de reumatoloog de ziekteactiviteit van klaagster structureel heeft gemonitord en het beleid telkens heeft aangepast aan het beloop van de aandoening. Dat achteraf is geoordeeld dat eerder of sneller afbouwen mogelijk was geweest, maakt niet dat de reumatoloog ten tijde van haar handelen buiten de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk handelende reumatoloog is getreden. Ook de overige klachtonderdelen zijn ongegrond. |
A2025/8295
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 10 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
gemachtigde: mr. P. Knijp, werkzaam te Rotterdam,
tegen
C,
reumatoloog, werkzaam te Den Haag,
verweerster, hierna ook: de reumatoloog,
gemachtigde: mr. M.E. van Kuijk-Wesdorp, werkzaam te Den Haag.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is in april 2020 door haar huisarts verwezen naar de reumatoloog
in verband met een
verdenking van een ontsteking van het bloedvat aan de zijkant van haar hoofd links
(reuscelarteriitis). De huisarts had Prednisolon voorgeschreven.
1.2 In het ziekenhuis is klaagster door zowel de reumatoloog als een neuroloog onderzocht
en is
er laboratorium- en urineonderzoek gedaan. Tevens is een thoraxfoto gemaakt en in
een later stadium
nog een PET-scan. De diagnose grote vaten vasculitis is door de reumatoloog gesteld.
Daarna is
klaagster onder behandeling gebleven van de reumatoloog. In augustus 2020 bleek
dat zich bij
klaagster verschillende complicaties hadden gemanifesteerd die verband zouden kunnen
houden met de
bijwerkingen van Prednisolon. Klaagster is in verband daarmee opgenomen in het ziekenhuis.
Klaagster liet in september 2020 weten dat zij in een ander ziekenhuis verder wilde
worden
behandeld.
1.3 Klaagster verwijt de reumatoloog onder meer dat zij te lang en in een te hoge
dosering
Prednisolon heeft voorgeschreven, dat zij klaagster onvoldoende fysiek heeft gezien,
dat zij
klaagster niet serieus heeft genomen in haar klachten en dat zij onvoldoende nazorg
heeft verleend.
1.4 De reumatoloog betwist deze verwijten en stelt dat zij haar beleid heeft gevoerd
conform de
destijds geldende medische inzichten, rekening houdend met de ernst en het
atypische beloop van de aandoening, en dat zij steeds heeft gehandeld op basis van
de informatie die op dat moment beschikbaar was.
1.5 Het college komt tot het oordeel dat de reumatoloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna
licht het college
de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- aanvullende stukken van klaagster, ontvangen op 2 juli 2025;
- de brief van de gemachtigde van de reumatoloog van 22 juli 2025, binnengekomen
op 23 juli 2025,
met als bijlage 1.4;
- het proces-verbaal van het op 12 augustus 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 januari 2026. De partijen
zijn verschenen.
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigde van de reumatoloog heeft pleitnotities voorgelezen
en aan het
college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 6 april 2020 werd klaagster, thans 67 jaar, door de huisarts, na telefonisch
overleg met
de reumatoloog, verwezen naar het D wegens een verdenking op (atypische) arteriitis
temporalis
links, gepaard gaand met duizeligheid. De huisarts startte diezelfde dag een behandeling
met
Prednisolon 30 mg daags.
3.2 Op 7 april 2020 werd klaagster in het D gezien door een neuroloog en aansluitend
door de
reumatoloog. In het kader van diagnostiek werden een echo van de arteria temporalis,
een thoraxfoto
en laboratorium- en urineonderzoek verricht.
3.3 Op 9 april 2020 vond telefonisch contact plaats waarin klaagster aangaf geen
pijn meer te
hebben ter hoogte van de linkerslaap, maar wel nog duizelig te zijn. Een vervolgafspraak
werd
gepland.
3.4 Tijdens een telefonisch consult op 16 april 2020 meldde klaagster verbetering
van haar
klachten en was een daling van de ontstekingswaarden te zien. Er werd afgesproken
een PET-scan te
laten maken om de uitgebreidheid van de vasculitis vast te stellen en klaagster
kreeg maagtabletten
en een bisfosfonaat ter preventie van botontkalking.
3.5 Op 23 april 2020 vond een telefoongesprek plaats tussen de reumatoloog en klaagster
waarin de
uitslag van de PET-scan werd besproken. Daaruit volgde dat sprake was van grote
vaten vasculitis.
Vanwege een afwijking in het bovenste deel van de maag werd tevens een MDL-arts
geconsulteerd. Afgesproken werd dat klaagster op 8 mei 2020 op het consult zou verschijnen.
3.6 Op 8 mei 2020 werd klaagster gezien op de polikliniek. De ontstekingswaarden
waren gestegen
en klaagster gaf aan zich duizelig en onzeker te voelen bij het lopen. De reumatoloog
besloot de
dosering Prednisolon te verhogen naar 60 mg per dag.
3.7 Op 15 mei 2020 vond een telefonisch consult plaats. De reumatoloog heeft in
het medisch
dossier genoteerd dat klaagster twee dagen geen disbalans had ervaren maar die dag
weer wel; dat er
wel iets lijkt te gebeuren, maar dat er nu weer een terugval was. Zij besloot de
dosering nog een
week te continueren.
3.8 Op 19 mei 2020 vond een telefonisch consult plaats. Klaagster liet weten dat
zij minder
onzeker liep en beter sliep, maar dat zij in de morgen wel wat trillerig was. De
reumatoloog
noteerde in het medisch dossier dat de Prednisolon wel iets leek te doen en wijzigde
het advies
naar tweemaal daags 30 mg in plaats van eenmaal daags 60 mg.
3.9 Begin juni 2020 meldde klaagster dat zij langzaam vooruitgang boekte. De
bisfosfonaatbehandeling werd vanwege bijwerkingen omgezet naar denosumab subcutaan.
3.10 Op 12 juni 2020 tijdens een telefonisch consult, gaf klaagster aan dat de duizeligheid
verder
was afgenomen. De reumatoloog noteerde dat klaagster ‘de bocht lijkt te nemen’.
Besloten werd de
dosering Prednisolon nog één week te handhaven op 60 mg per dag en daarna te verlagen
naar 50 mg
per dag.
3.11 Op 19 juni 2020 vond opnieuw een telefonisch consult plaats waarin klachten
en bijwerkingen
werden besproken.
3.12 Tijdens een telefonische controle op 21 juli 2020 werd vastgesteld dat het CRP
was gestegen.
Azathioprine werd toegevoegd aan de medicatie en besloten werd de Prednisolon verder
af te bouwen
naar 45 mg per dag, met een mogelijke verdere verlaging naar 40 mg na twee weken.
3.13 Op 5 augustus 2020 vond, wegens afwezigheid van de reumatoloog, telefonisch
contact plaats
met een waarnemend arts. Klaagster meldde dat zij de dag ervoor op de SEH was geweest,
waar
diverticulitis was vastgesteld. Het advies luidde de Prednisolon niet verder te
verlagen. Klaagster
verzocht om gezien te worden door de reumatoloog.
3.14 Op 18 augustus 2020 werd klaagster op de polikliniek door de reumatoloog gezien;
zij kwam in
een rolstoel. Er was sprake van een gecompliceerde diverticulitis met darmperforatie
en
spierklachten.
3.15 Later die maand werd klaagster opgenomen in het D wegens buikproblematiek. Tijdens
deze
opname werd de Prednisolon verder verlaagd naar 35 mg per dag en daarna naar 30
mg per dag.
3.16 Op 31 augustus 2020 vond een telefonisch consult plaats waarin klaagster meldde
dat zij na
gewenning aan de lagere dosering verbetering ervoer.
3.17 Op 8 september 2020 vond een telefonisch consult plaats in het E. De echtgenoot
van klaagster
nam die dag contact op met de reumatoloog en deed verslag van dit consult. De reumatoloog
noteerde
hierover in het medisch dossier (citaten worden letterlijk en voor zover van belang
weergegeven):
‘(…) echtgenoot doet verslag van telefonisch contact met collega F in E. verzoek om
pred af te
bouwen naar 20 mg en imuran continueren. Diagnose was helder en correct. E zou direct
60 mg starten
en dan sneller afbouwen. E neemt behandeling over, willen geen zorg meer van mij/reumatologie
D.
uitleg dat ik met casus in mijn maag zit door optreden deze complicatie onder prednisolon
(maar ook
lage dosis pred had diverticulitis kunnen maskeren, en prednisolon geeft geen diverticulitis)
en
beloop communicatie. (Mis)interpretatie kliniek door vele bel consulten (myopathie)
en beloop
vasculitis… ? idee partner: misschien zelf actievere in consulten deel moeten nemen.
alles
achteraf. echtgenoot akkoord dat ik met F bel voor overdracht. gebeld, belopp en
overwegingen nog
besproken, start datum imran, nu meer doorgaan anders grote pred behoefte. hij belt
als ik in
huis/D iets kan doen (…)’
3.18 De verdere behandeling werd overgenomen door het E, waarna de reumatoloog zorgdroeg
voor
overdracht. Op 10 oktober 2020 vond een fysiek consult plaats in het E.
3.19 Op 16 oktober 2020 liet klaagster aan de klachtenfunctionaris van D weten dat
zij ontevreden
was over de verleende zorg. Ze spraken af dat ze haar klacht schriftelijk zou indienen
en dat er
een bemiddelingstraject gestart zou worden. Toen haar klacht uitbleef, vroeg men
op 4 november 2020
om verduidelijking. Op 10 januari 2021 gaf klaagster aan geen behoefte te hebben
aan bemiddeling en
koos ze ervoor het ziekenhuis aansprakelijk te stellen.
4. De klacht en de reactie van de reumatoloog
4.1 Klaagster verwijt de reumatoloog dat zij
a) Klaagster onvoldoende heeft gemonitord, ondanks de vele klachten die klaagster
heeft geuit
tijdens de consulten, en haar niet persoonlijk wilde ontvangen en onderzoeken;
b) Klaagster onvoldoende serieus heeft genomen met haar vragen en opmerkingen over
de gevolgen van
het gebruik van Prednisolon;
c) Het middel Prednisolon in een te hoge dosering voor een te lange duur heeft voorgeschreven;
d) Geen nazorg heeft geleverd en/of revalidatie na september 2020 tot heden.
4.2 De reumatoloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de reumatoloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende reumatoloog. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) het onvoldoende monitoren van klaagster ondanks de vele klachten
die klaagster
heeft geuit tijdens de consulten, en haar niet persoonlijk willen ontvangen en onderzoeken
5.2 Uit het medisch dossier volgt dat er vanaf het eerste bezoek op 7 april 2020
in de korte
periode tot augustus 2020 relatief veel contact is geweest tussen de reumatoloog
en klaagster. Het
college neemt daarbij in aanmerking dat de zorgverlening in deze zaak heeft plaatsgevonden
tijdens
de COVID-19-pandemie, een periode waarin het gebruik van telefonische consulten
in de
gezondheidszorg sterk was toegenomen. Het voeren van telefonische consulten was
in die periode in
beginsel aanvaardbaar en in overeenstemming met geldende richtlijnen, mits steeds
een zorgvuldige
afweging werd gemaakt of deze vorm van contact in het concrete geval volstond.
5.3 Klaagster stelt dat zij tijdens deze consulten telkens melding ervan heeft gemaakt
dat het
niet goed met haar ging, zelfs zodanig dat zij heeft gezegd dat zij dacht dat zij
doodging. Zij
stelt dat zij de reumatoloog meermaals heeft gesmeekt om haar in persoon te zien,
maar dat dit werd
geweigerd. De reumatoloog herkent dat niet. Zij herinnert zich niet dat klaagster
een dergelijk
ernstig beeld heeft geschetst, en stelt dat zij daar zeker melding van zou hebben
gemaakt in haar
dossier. Ook herinnert zij zich niet dat klaagster heeft verzocht om naar het spreekuur
te mogen
komen. De reumatoloog licht toe dat het beleid destijds voorschreef dat consulten
zoveel mogelijk
telefonisch werden gedaan, maar dat patiënten die daarom vroegen altijd naar de
poli mochten komen.
5.4 Het college stelt vast dat uit het medisch dossier niet blijkt dat klaagster
tijdens de
telefonische consulten expliciet melding heeft gemaakt van klachten die wezen op
ernstige
bijwerkingen van de Prednisolon of een klinisch beeld dat lichamelijk onderzoek
op dat moment
noodzakelijk maakte. Uit de verslaglegging blijkt dat klaagster gedurende de telefonische
consulten
in april, mei en juni 2020 wisselende klachten rapporteerde, zonder dat in de eerste
weken sprake
was van een verbetering van klachten. Pas bij het telefonisch consult van 12 juni
2020 lijkt sprake
van een duidelijke kentering in het klachtenbeloop in gunstige zin. Bijwerkingen
werden
voornamelijk beschreven als trillerig gevoel na inname, vermoeidheid en wisselende
dagen, echter
zonder melding van ernstige problemen.
5.5 Nu klaagster en de reumatoloog verschillende lezingen geven van hetgeen tijdens
de consulten
is besproken, kan door het college niet worden vastgesteld dat klaagster inderdaad
alarmerende
klachten heeft geuit en herhaaldelijk heeft verzocht om een fysiek consult. Dit
oordeel berust niet
op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van
de reumatoloog,
maar op de omstandigheid dat onvoldoende aannemelijk is dat wat in het patiëntdossier
staat vermeld
een onjuiste weergave is van hetgeen in die consulten is besproken. Het college
acht daarbij van
belang dat uit het dossier blijkt dat de reumatoloog het beleid heeft aangepast
op basis van de
informatie die tijdens deze consulten werd verkregen, onder meer door doseringsaanpassingen
en het
toevoegen van aanvullende medicatie. Daarbij is niet gebleken dat klaagster tijdens
deze contacten
heeft aangegeven fysiek gezien te willen worden of dat zij klachten heeft geuit
die naar hun aard
direct tot lichamelijk onderzoek zouden moeten leiden.
5.6 Het college stelt vast dat zodra klaagster blijkens het medisch dossier wél
expliciet
verzocht om een fysiek consult, dit ook daadwerkelijk en zonder uitstel werd gerealiseerd.
Zo vond
op 8 mei 2020 een poliklinisch consult plaats en werd klaagster na telefonisch contact
met de
waarnemend arts op 5 augustus 2020 op verzoek van klaagster vervolgens op 18 augustus
2020 op de
polikliniek gezien. Uit het dossier blijkt niet dat een verzoek om een fysiek consult
is afgewezen
of uitgesteld.
5.7 Weliswaar blijkt uit het dossier dat het consult van 21 juli 2020 door de administratie
op
enig moment is gewijzigd van een telefoonconsult naar een fysiek consult. De reumatoloog
is echter
niet gebleken van een verzoek van klaagster daartoe, zodat zij heeft aangenomen
dat dit op een
vergissing berustte. Zij heeft het daarom weer naar een telefoonconsult aangepast.
Uit deze gang
van zaken kan niet worden afgeleid dat de reumatoloog bewust een verzoek van klaagster
om fysiek te
worden gezien heeft geweigerd. Het college kan ook niet vaststellen of dat verzoek
daadwerkelijk is
gedaan en aan wie dat was gericht. Daarbij moet worden opgemerkt dat uit de verslaglegging
van het
telefonisch consult van 21 juli 2020 niet volgt dat klaagster zich in dat gesprek
over de gang van
zaken heeft beklaagd. Als dat anders was geweest zou dit aanleiding hebben kunnen
geven voor de
reumatoloog om alsnog een fysiek consult te plannen.
5.8 Het college overweegt dat de arts in beginsel mag afgaan op de door klaagster
tijdens
telefonische consulten verstrekte informatie, zolang er geen signalen zijn die aanleiding
geven om
te veronderstellen dat het klinisch beeld onvoldoende kan worden beoordeeld zonder
lichamelijk
onderzoek. In dat kader acht het college van belang dat het initiatief voor een
fysiek consult
telkens werd opgepakt zodra dit door klaagster werd gevraagd of wanneer de klinische
situatie
daartoe aanleiding gaf.
5.9 Dat achteraf is gebleken dat bij klaagster sprake was van ernstige bijwerkingen,
maakt niet
zonder meer dat de reumatoloog tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld in de
periode waarin
deze bijwerkingen niet als zodanig uit het dossier of uit de telefonische consulten
naar voren
kwamen.
5.10 Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel b) het niet serieus nemen van de vragen en opmerkingen van klaagster
over het
gebruik en de bijwerkingen van Prednisolon
5.11 Klaagster heeft aangevoerd dat zij zich door de reumatoloog niet serieus genomen
voelde. Het
college begrijpt dat deze beleving voor klaagster belastend is geweest. Een dergelijke
beleving is
echter in belangrijke mate subjectief van aard en kan slechts dan tot een tuchtrechtelijk
verwijt
leiden indien deze wordt ondersteund door concrete, objectieve aanknopingspunten
in het dossier.
5.12 Het college stelt vast dat uit het medisch dossier en de overige stukken niet
blijkt dat de
reumatoloog de klachten van klaagster heeft genegeerd, gebagatelliseerd of niet
heeft opgevolgd.
Integendeel, uit de vastgelegde consultverslagen volgt dat de reumatoloog herhaaldelijk
met
klaagster in contact is geweest, haar klachten heeft geïnventariseerd en het beleid
daarop heeft
aangepast. Tevens blijkt uit het dossier dat aanvullende diagnostiek is verricht,
medicatie is
aangepast en dat klaagster, zodra zij daarom verzocht, fysiek werd gezien.
5.13 Het college kan op basis van de beschikbare objectieve gegevens dan ook niet
vaststellen dat
de reumatoloog klaagster niet serieus heeft genomen of haar klachten onvoldoende
heeft onderkend.
Dat klaagster dit anders heeft ervaren is onvoldoende om tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen aan
te nemen.
5.14 Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel c) Het in een te hoge dosering en voor een te lange duur voorschrijven
van het
middel Prednisolon
5.15 Het college stelt vast dat bij klaagster sprake was van een ernstige aandoening,
te weten een
grote vaten vasculitis met een atypisch beloop, waarvoor snelle en adequate onderdrukking
van
ziekteactiviteit noodzakelijk was. In dergelijke gevallen is het voorschrijven van
hoge doseringen
Prednisolon gebruikelijk en medisch geïndiceerd om ernstige complicaties te voorkomen.
5.16 Het handelen van de reumatoloog dient te worden beoordeeld naar de stand van
de medische
wetenschap en de geldende professionele standaarden ten tijde van de behandeling.
Het college
overweegt dat in de periode waarin de behandeling plaatsvond (2020) geen toepasselijke
richtlijn of
protocol van kracht was. Het standpunt van de NVVR, met als titel Plaatsbepaling
tocilizumab bij de
behandeling van Giant Cell Arteritiis waarop klaagster zich beroept, is niet van
toepassing op de
onderhavige casus. De onderhavige casus betreft monotherapie met Prednisolon, zoals
gebruikelijk in
de beginfase van de medicamenteuze behandeling van grote vaten vasculitis. Tocilizumab
wordt pas in
een latere fase, bijvoorbeeld bij falen van monotherapie met Prednisolon of bij
relevante comorbiditeiten, in
bepaalde gevallen als aanvulling op Prednisolon toegepast, waarvan hier geen sprake
was. Het in dat
standpunt beschreven afbouwschema voor Prednisolon kan dan ook reeds daarom niet
worden aangemerkt
als richtlijn voor het handelen van een redelijk handelend redelijk bekwaam beroepsgenoot
in de
thans voorliggende zaak. Weliswaar is dit schema overgenomen in de later (in september
2023)
verschenen NVVR-richtlijn reuscelarteritiis teneinde als leidraad voor behandelaars
te dienen, maar
in die richtlijn wordt, blijkens de door de reumatoloog overgelegde rapportage van
prof. dr. J.M.
van Laar, erkend dat er geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor het tempo
van de afbouw
van Prednisolon en dat daarvoor nader onderzoek nodig is. Dit afbouwschema kan daarom
niet worden
gekwalificeerd als een voor de beroepsgroep geldend protocol bij de behandeling
van grote vaten
vasculitis met Prednisolon.
5.17 Bij gebreke van een richtlijn wordt getoetst aan hetgeen in de beroepsgroep
gebruikelijk en
geaccepteerd is. Het is algemeen gebruik dat bij de behandeling van grote vaten
vasculitis wordt
gestart met een hoge dosis Prednisolon (1 mg/kg lichaamsgewicht, 60 mg per dag)
om de
ziekteactiviteit te onderdrukken, waarna bij remissie de dosering kan worden afgebouwd,
waarbij
opvlammingen zoveel mogelijk voorkomen dienen te worden.
5.18 Het college acht het juist dat de reumatoloog haar beleid heeft afgestemd op
de specifieke
klinische situatie van klaagster, waaronder de ernst van de ziekte, het atypische
beloop en de mate
van vastgestelde ziekteactiviteit.
5.19 Het college stelt vast dat een startdosering van Prednisolon van 60 mg per dag
bij dit
ziektebeeld als gangbaar en conform gebruik wordt beschouwd. Uit het medisch dossier
blijkt dat de
dosering is gekozen in reactie op aanhoudende ziekteactiviteit, waaronder persisterende
klachten,
verhoogde ontstekingswaarden en de bevindingen op de PET-scan. Het college acht
het dan ook
verdedigbaar dat de reumatoloog heeft gekozen voor deze dosering en deze gedurende
een bepaalde
periode heeft gehandhaafd. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het niet
onderdrukken van
de ziekteactiviteit zeer ernstige gevolgen kan hebben, zoals het optreden van een
CVA, aneurysma,
dissectie van de aorta of blindheid. Tevens moet worden bedacht dat een te snelle
daling van de
dosis het risico op opvlammingen vergroot, in welk geval de dosis weer zou moeten
worden verhoogd
naar 60 mg. Een te snelle afbouw kan op die manier uiteindelijk leiden tot een hogere
totale dosis.
5.20 Voorts blijkt uit het dossier dat de reumatoloog de ziekteactiviteit van klaagster
structureel heeft gemonitord aan de hand van klinische klachten en laboratoriumwaarden
en dat het
beleid telkens is aangepast aan het beloop van de aandoening. De afbouw van Prednisolon
vond plaats
in relatie tot de waargenomen ziekteactiviteit en het optreden van klachten, hetgeen
past binnen de
zorgvuldige reumatologische praktijk.
5.21 Dat achteraf is geoordeeld dat eerder of sneller afbouwen mogelijk was geweest,
maakt niet
dat de reumatoloog ten tijde van haar handelen buiten de grenzen van een redelijk
bekwame en redelijk handelende reumatoloog is getreden. Het tuchtrecht beoordeelt
niet met de kennis van achteraf, maar toetst of het handelen destijds verdedigbaar
was binnen de toen geldende medische inzichten.
5.22 Het college is op grond van het voorgaande van oordeel dat de reumatoloog, gelet
op de ernst
en het atypische verloop van de aandoening, in redelijkheid heeft kunnen besluiten
tot het
voorschrijven van Prednisolon in de gekozen dosering en gedurende de betreffende
periode.
5.23 Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is op dit punt geen sprake en dus is
dit
klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel d) het niet verlenen van nazorg en/of revalidatie na september 2020
tot heden.
5.24 Klaagster verwijt de reumatoloog dat zij geen nazorg heeft verleend of begeleiding
bij
revalidatie. Het college stelt vast dat klaagster in september 2020 er zelf voor
heeft gekozen de
verdere behandeling te laten overnemen door een andere zorgverlener. Uit het dossier
blijkt dat de
reumatoloog deze keuze heeft gerespecteerd en zorg heeft gedragen voor een zorgvuldige
overdracht
van de behandeling en het medisch dossier.
5.25 Het college overweegt dat na overdracht van de behandeling aan een andere zorgverlener
de
verantwoordelijkheid voor verdere behandeling en nazorg bij die nieuwe behandelaar
ligt. Niet is
gebleken dat klaagster na de overdracht de reumatoloog om aanvullende nazorg heeft
verzocht of dat
de reumatoloog zich aan haar verplichtingen ten aanzien van een zorgvuldige overdracht
heeft
onttrokken.
5.26 Dat klaagster na de overdracht geen nazorg meer van de reumatoloog heeft ontvangen,
vloeit
voort uit haar eigen keuze om de behandeling elders voort te zetten en kan de reumatoloog
tuchtrechtelijk niet worden verweten.
5.27 Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.28 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
Publicatie
5.29 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere reumatologen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door J.F. Aalders, voorzitter, W.M. Creemers, lid-jurist,
R.N.J.T.L. de
Nijs, L.E. de Rycke en H.R.H. de Geus, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C.
Brand, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.