ECLI:NL:TGZRAMS:2026:42 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8562
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8562 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een GZ-psycholoog. De GZ-psycholoog was als regiebehandelaar bij de behandeling van klager betrokken. De feitelijke uitvoering werd door een masterpsycholoog gedaan. Klager verwijt de GZ-psycholoog onder meer onjuiste dossiervoering, het toepassen van een onjuiste behandelmethode, onterechte en onzorgvuldige beëindiging van de behandeling en onvoldoende regievoering. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond. |
A2025/8562
Beslissing van 3 maart 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 3 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: C,
tegen
D,
GZ-psycholoog,
werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de GZ-psycholoog.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is in 2025 in behandeling geweest bij een GGZ-instelling vanwege psychische
klachten. Verweerster, een GZ-psycholoog, was daarbij betrokken als regiebehandelaar,
terwijl de feitelijke behandeling werd uitgevoerd door een collega. Klager verwijt
de GZ-psycholoog dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens klager is geen (voldoende)
informed consent verkregen, bevat het dossier onjuistheden, is een onjuiste behandelmethode
toegepast en is de behandeling ten onrechte beëindigd in plaats van gepauzeerd, waarbij
de beëindiging bovendien per e-mail is meegedeeld. Verder stelt klager dat verweerster
onvoldoende heeft gereflecteerd op haar eigen handelen, haar collega niet heeft aangesproken
op gemaakte fouten, geen stappen heeft ondernomen om gestelde schade te herstellen
of te beperken, te weinig intervisie heeft gevolgd en dat de inhoud van de afsluitbrief
aan de huisarts onjuist was. De GZ-psycholoog heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen
deze verwijten.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 juni 2025;
- een USB-stick, ontvangen op 3 juli 2025 van de gemachtigde van klager;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 16 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan heeft alleen verweerster gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager heeft zich begin 2025 aangemeld bij de GGZ-instelling voor een trauma/PTSS
behandeling. Verweerster was als regiebehandelaar betrokken bij de behandeling van
klager. De feitelijke uitvoering van de behandeling werd door haar collega masterpsycholoog
gedaan.
3.2 Klager heeft gelijktijdig tegen de bestuurder van de GGZ-instelling (ook GZ-psycholoog) een klacht ingediend (A2025/8561).
3.3 Op 16 januari 2025 heeft een intakegesprek plaatsgevonden met de masterpsycholoog, gevolgd door een adviesgesprek met verweerster op 21 januari 2025. Tijdens dit adviesgesprek zijn de hulpvraag, het beoogde behandeldoel en de mogelijke behandelmethoden besproken. Klager gaf aan erkenning te willen voor feiten, fouten en schade in verband met een lopende echtscheidings- en voogdijprocedure, alsmede verlichting van zijn klachten. Verweerster heeft toegelicht dat het verkrijgen van erkenning geen passende hulpvraag is binnen het behandelaanbod van de GGZ-instelling en dat hiervoor eventueel verwijzing naar de POH-GGZ mogelijk was. Afgesproken werd dat het behandeldoel zou zijn gericht op traumaverwerking.
3.4 Verweerster heeft klager geïnformeerd over de behandelopties imaginaire exposure en EMDR. Omdat voor EMDR een wachttijd gold en klager direct wilde starten, is gekozen voor imaginaire exposure. Daarbij is besproken dat externe stressoren, waaronder de lopende rechtszaak en de wens van klager om minder frequent dan geadviseerd behandelsessies te laten plaatsvinden, de effectiviteit konden beperken. Klager gaf aan hier begrip voor te hebben en wilde de behandeling graag starten. De GZ-psycholoog heeft vroegtijdige evaluatiemomenten in het behandelplan opgenomen. Klager is akkoord gegaan met de behandelovereenkomst en heeft toestemming gegeven deze met de huisarts te delen.
3.5 De behandeling is vervolgens gestart door de masterpsycholoog. Er hebben drie behandelsessies plaatsgevonden, op 5 februari 2025, 27 februari en 12 maart 2025, met tussentijdse regiebehandelaarsoverleggen tussen verweerster en de masterpsycholoog. Tijdens de eerste behandelsessie en voorafgaand aan de tweede en derde sessie heeft klager vragen en bedenkingen geuit over de behandeling. Deze zijn telkens tijdens de sessies besproken en toegelicht, waarbij klager opnieuw is gewezen op de mogelijkheid van ondersteuning door de POH-GGZ voor zijn hulpvraag met betrekking tot erkenning. Tijdens de behandelsessie van 12 maart 2025 is besproken dat nog één sessie zou plaatsvinden, waarna de behandeling geëvalueerd zou worden.
3.6 Klager heeft de vierde behandelsessie afgezegd, omdat hij aangaf vanwege de lopende rechtszaak geen ruimte te ervaren voor de sessie. Verweerster en de masterpsycholoog hebben daarop overleg gevoerd over de twijfels omtrent de effectiviteit van de behandeling, mede vanwege het verschil in visie over de inhoud van de behandeling en de behandelfrequentie. Zij concludeerden dat het passender zou zijn de behandeling te pauzeren en op een later moment te hervatten. Afgesproken werd dat de masterpsycholoog hierover telefonisch contact zou opnemen met klager. Omdat telefonisch contact niet tot stand kwam, heeft de masterpsycholoog op 4 april 2025 per e-mail aan klager meegedeeld dat was besloten de behandeling te sluiten, met de mededeling dat toelichting en afronding tijdens de geplande afspraak van 23 april 2025 konden plaatsvinden. Tevens werd aangeboden telefonisch contact op te nemen.
3.7 Op 11 april 2025 heeft klager per e-mail aan de masterpsycholoog, met verweerster in cc, laten weten niet bereid te zijn tot een gesprek. Hij verzocht om toezending van het volledige dossier en om een schriftelijke toelichting op de beëindiging van de behandeling. Deze toelichting is per e-mail van 14 april 2025 verstrekt. Daarbij deed de masterpsycholoog een voorstel voor een concepttekst voor de afsluitbrief aan de huisarts en bood zij excuses aan voor zaken die volgens klager verkeerd waren overgekomen en voor de wijze van communiceren over de afronding van de behandeling.
3.8 Klager liet weten het niet eens te zijn met de concepttekst, omdat deze volgens hem feitelijke onjuistheden bevatte en er informatie ontbrak. Daarnaast stelde hij diverse vragen over facturatie en vermeende inconsistenties. Verweerster en de masterpsycholoog hebben klager meerdere malen aangeboden hierover in gesprek te gaan, eventueel in aanwezigheid van een derde of met betrokkenheid van een klachtenfunctionaris van het NIP. Uit coulance is tevens aangeboden de verzonden facturen voor de intakegesprekken en behandelsessies te crediteren.
3.9 In de daaropvolgende periode volgden vele e-mailberichten van klager en zijn vader (tevens zijn gemachtigde), waarin onvrede werd geuit over het verloop van de behandeling en de beëindiging daarvan. Verweerster en de masterpsycholoog werden verzocht schriftelijk fouten te erkennen alvorens tot een gesprek over te gaan. Hieraan is geen gehoor gegeven. Wel zijn nieuwe conceptversies van de brief aan de huisarts opgesteld. Omdat hierover geen overeenstemming werd bereikt, is een feitelijke, processuele weergave aan het dossier toegevoegd zodat klager deze desgewenst zelf met zijn huisarts kon delen. Klager bleef vervolgens e-mails sturen met aantijgingen en aankondigingen van procedures. Op 16 mei 2025 hebben verweerster en de masterpsycholoog gezamenlijk meegedeeld dat de toon van de berichten als dreigend werd ervaren en dat zij zich genoodzaakt zagen de communicatie per direct te beëindigen.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Het klaagschrift omvat, ten aanzien van verweerster, 28 afzonderlijk genummerde
klachtonderdelen. Nu deze klachten inhoudelijk nauw met elkaar samenhangen en deels
dezelfde feiten en verwijten betreffen, ziet het college aanleiding de klachten gebundeld
en samengevat weer te geven.
4.2 Volgens klager heeft verweerster:
a) Onzorgvuldig gehandeld door geen, althans onvoldoende, informed consent te verkrijgen
en vast te leggen, het dossier onjuist en onvolledig te voeren, de behandeling zonder
zorgvuldige afweging te beëindigen in plaats van te pauzeren, deze beëindiging bovendien
per e-mail aan klager mee te (laten) delen, onvoldoende te reflecteren op het eigen
handelen, onvoldoende intervisie te volgen, een collega niet aan te spreken op gemaakte
fouten, geen stappen heeft ondernomen om gestelde schade te herstellen of te beperken,
onvoldoende regie te voeren als regiebehandelaar en in de afsluitbrief aan de huisarts
onjuiste en/of onzorgvuldig geformuleerde informatie op te nemen;
b) Onjuist gehandeld door een onjuiste behandelmethode toe te staan en toe te passen,
althans door toe te laten dat een behandelmethode werd gebruikt die niet passend was
bij de problematiek van klager en niet voldeed aan de geldende professionele standaarden.
4.3 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Zij heeft daarbij aangegeven het te betreuren dat de communicatie over de beëindiging van de behandeling via een korte e-mail is verlopen, hetgeen niet in overeenstemming was met haar instructies en anders had moeten plaatsvinden.
4.4 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de GZ-psycholoog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
5.2 Voor zover klager verweerster verwijt dat zij heeft nagelaten (voldoende) informed consent te verkrijgen, dat het dossier onjuistheden bevat, dat een onjuiste behandelmethode is toegepast en dat zij als regiebehandelaar onvoldoende toezicht heeft gehouden op de feitelijke uitvoering van de behandeling, oordeelt het college dat deze verwijten ongegrond zijn. Uit het dossier blijkt dat de behandeling binnen de geldende professionele standaarden is vormgegeven, dat klager adequaat is geïnformeerd over de behandeling en dat verweerster haar rol als regiebehandelaar zorgvuldig heeft ingevuld.
5.3 Het verwijt dat verweerster onvoldoende heeft gereflecteerd op haar eigen handelen, haar collega niet heeft aangesproken op vermeende fouten, geen stappen heeft ondernomen om gestelde schade te herstellen of te beperken en onvoldoende intervisie heeft gevolgd, acht het college eveneens ongegrond. Niet is gebleken dat verweerster is afgeweken van hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend GZ-psycholoog in de rol van regiebehandelaar mag worden verwacht. Evenmin slaagt het verwijt dat de afsluitbrief aan de huisarts onjuistheden bevat. Hoewel de brief uiteindelijk niet is verzonden, is het college van oordeel dat de concepttekst een zakelijke en voldoende accurate weergave vormt van het behandelverloop en de beëindiging daarvan. Van zorgvuldigheid is voorts gebleken doordat de concepttekst meermalen aan klager is voorgelegd en, bij uitblijven van overeenstemming, een feitelijke en processuele weergave aan het dossier is toegevoegd, zodat klager desgewenst zelf zorg kon dragen voor verdere verstrekking daarvan.
5.4 Ten aanzien van het verwijt dat de behandeling per e-mail is beëindigd, overweegt het college als volgt. Vaststaat dat de beëindiging van de behandeling per e-mail aan klager is meegedeeld door de behandelend masterpsycholoog, nadat het niet was gelukt klager telefonisch te bereiken. Dit was anders dan door verweerster geïnstrueerd. Verweerster had aangegeven dat een dergelijk besluit mondeling met klager besproken diende te worden. Het college kan zich voorstellen dat klager deze gang van zaken als onbevredigend en mogelijk als onzorgvuldig heeft ervaren. Nu echter niet is gebleken dat verweerster bij het verzenden van deze e-mail betrokken is geweest dan wel deze handelwijze heeft goedgekeurd, kan haar hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 3 maart 2026 door W.A.H. Melissen, voorzitter, L.J.
Knap, lid-jurist, A.T. Prinsen-Reinders, I.E. Visser en S.J.A. de Vries, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.