ECLI:NL:TGZRAMS:2026:41 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8561

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:41
Datum uitspraak: 03-03-2026
Datum publicatie: 03-03-2026
Zaaknummer(s): A2025/8561
Onderwerp: Onjuiste declaratie
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen GZ-psycholoog deels kennelijk-niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond. Klager was in behandeling bij een GGZ-instelling waarvan de GZ-psycholoog bestuurder was. Klager verwijt de GZ-psycholoog dat hij a) zich onjuist heeft opgesteld in zijn rol als bestuurder, b) heeft nagelaten om instructies en adviezen richting de zorgverleners te geven en c) zich schuldig heeft gemaakt aan declaratiefraude, oplichting en valsheid in geschrifte. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen a) en b): deze klachtonderdelen hebben betrekking op de organisatie van zorg en de samenhang met individuele gezondheidszorg ontbreekt. Voor het overige is de klacht ongegrond. Niet gebleken is van declaratiefraude, oplichting of valsheid in geschrifte.

A2025/8561
Beslissing van 3 maart 2026


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 3 maart 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: C,

tegen

D,
GZ-psycholoog,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. D.N. van der Meer, werkzaam in Haarlem.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager is in 2025 in behandeling geweest bij een GGZ-instelling waarvan de
GZ-psycholoog bestuurder was. Klager verwijt de GZ-psycholoog dat hij zich onjuist heeft opgesteld in zijn rol als bestuurder en opdrachtgever door misbruik te maken van die positie, onjuiste informatie te verstrekken, niet te reflecteren op klachten en fouten in de behandeling, daarin niet aanspreekbaar te zijn, heeft nagelaten betrokken zorgverleners adequaat aan te sturen en corrigerende maatregelen te treffen, geen stappen heeft ondernomen om gestelde schade te herstellen of te beperken en zich bovendien schuldig heeft gemaakt aan declaratiefraude, oplichting en valsheid in geschrifte. De GZ-psycholoog voert verweer.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klachten over een onjuiste opstelling of het nalaten van gedragingen. De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 juni 2025;
- een USB-stick, ontvangen op 3 juli 2025 van de gemachtigde van klager;
- het aanvullende klaagschrift van klager;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het aanvullende verweerschrift met de bijlagen.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klager werd in 2025 bij de GGZ-instelling behandeld voor psychische klachten. Verweerder is bestuurder van deze GGZ-instelling en was niet persoonlijk bij de behandeling betrokken. De behandeling werd uitgevoerd door twee als zelfstandigen aan de instelling verbonden zorgverleners: een GZ-psycholoog in de rol van regiebehandelaar en een masterpsycholoog die de behandeling feitelijk uitvoerde.

3.2 Klager heeft gelijktijdig tegen de regiebehandelaar een klacht ingediend (A2025/8562).

3.3 De behandelend GZ-psycholoog en masterpsycholoog hebben na drie behandelsessies besloten de behandeling te beëindigen omdat zij concludeerden dat de behandeling onvoldoende effectief was, mede door verschillen in visie over de inhoud en frequentie van de behandeling en de aanhoudende externe stressoren, waaronder een lopende rechtszaak. De vader van klager treedt als gemachtigde op en heeft vanaf 5 mei 2025 vele e-mailberichten gestuurd naar verweerder met betrekking tot, door de vader gestelde, “ernstige van de wet en uw eigen Professioneel Statuut/Kwaliteitsstandaard afwijkend doen en (nalaten)”. Het doel was “directe (adequate) actie van het bestuur, waardoor er geen reden is om de tuchtrechter en de civiele rechter te adiëren”. In deze e-mailberichten worden verschillende mededelingen, vragen en verzoeken opgenomen.

3.4 Verweerder heeft hierop meerdere malen gereageerd door aan te geven dat hij de klachten zou voorleggen aan de betrokken zorgverleners, nu hij zelf niet inhoudelijk bij de behandeling betrokken was. Daarnaast heeft hij klager en zijn vader verwezen naar de klachtenfunctionaris van het NIP.

3.5 In verschillende e-mailberichten die volgden verzocht de vader van klager om erkenning van fouten die gemaakt zouden zijn door de behandelend collega’s van verweerder en klager verzocht verweerder hen op “hun vijf meest opvallende fouten te wijzen”. Daarnaast stelt de vader van klager per mail vragen over de facturen die door de GGZ-instelling bij de verzekeraar van klager zijn gedeclareerd en verzocht om rechtstreekse restitutie aan zijn zoon.


3.6 Verweerder heeft deze vragen uitvoerig beantwoord en daarbij aangegeven dat de facturen zouden worden gecrediteerd en dat restitutie via de GGZ-instelling aan de zorgverzekeraar van klager zou plaatsvinden, aangezien rechtstreekse terugbetaling aan klager niet mogelijk was. Bij e-mail van 12 mei 2025 heeft verweerder bevestigd dat de creditfacturen binnen vijf werkdagen bij de zorgverzekeraar zouden worden ingediend.

3.7 Op 13 mei 2025 volgt een e-mailbericht aan verweerder met als onderwerp “Kwaadschiks 1: A.s. vrijdag volgt de in de bijlage en hieronder opgenomen Melding Declaratiefraude bij de NZa, tenzij u zich uiterlijk donderdag toch nog aanspreekbaar opstelt”.


In de bijlage staat onder ‘Beschrijf hier zo duidelijk mogelijk uw melding’:


Declaratiefraude/valsheid in geschrifte [geanonimiseerd] (Januari-april 2025):
- Fraude 1: Er zijn 555 minuten gefactureerd voor 12 consults. Werkelijkheid: Client heeft naast het intakegesprek en daarop volgend het 30 minuten gesprek maar 4 sessies gehad. Die duurden alle 6 bij elkaar bovendien niet 555 minuten.
- Fraude 2: Op de facturen staat “behandeling”. Werkelijkheid: Er heeft nauwelijks behandeling plaatsgevonden tijdens de 4 sessies. Grotendeels is de tijd tijdens de 4 sessies opgegaan aan dialogen met de behandelaar over de discrepantie tussen de vooraf expliciet opgegeven hulpvraag (‘brood’) en de feitelijk verleende hulpverlening (‘vlees’).
- Fraude 3: Verkeerde tarieven.
- Fraude 4: To be advised.
De statutair directeur (geanonimiseerd) van de BV is niet aanspreekbaar geweest deze week op deze verdenkingen. De documenten ten bewijze van dat er grond is voor deze verdenkingen worden u separaat toegezonden.
(einde beschrijving
)”

3.8 Op 13 mei 2025 heeft de vader naar verweerder een e-mail gestuurd met het bericht dat hij “nog 1 keer goedschiks” contact opneemt. In dit bericht stelde de vader verweerder in gebreke voor de “stress overeenkomst”, vernietigde hij de behandelingsovereenkomst, wees op een restitutieplicht, kondigde meldingen en klachten aan bij het NIP en de IGJ en somde vier soorten immateriële schades op, te weten: “(..) (3.1) Genegeerde hulpvraag schade. (3.2) Schade vermeld in de mail van mevrouw [geanonimiseerd] van 8 mei jl. (ongewenste stress die de situatie van [geanonimiseerd] met zich meebrengt). (3.3) Immateriële schades, als gevolg van 3.1; dit betreft zowel directe schade, als gevolgschade (…)”.


De mail werd afgesloten met “Tja, dat gebeurt er vanaf allemaal. Tenzij u gaat doen wat niemand meer verwacht. Dat u toch aanspreekbaar bent op gemaakte fouten. En alle materiele en immateriële schade vergoed. Die komt [klager] bij u ophalen. En ik vind, met [klager], dat u, [geanonimiseerd] en uw twee zzp-ers een lesje hebben verdiend.

3.9 Op 14 mei 2025 liet de vader van klager per e-mail aan verweerder weten dat hij een gerechtsdeurwaarder en incassobureau had ingeschakeld om de incasso van de openstaande bedragen te verzorgen. Als openstaande bedragen werd in de e-mail opgesomd:


“-1: Stress overeenkomst: Totaalbedrag van door [verzekeraar] aan u betaalde facturen.
-2: Materiele schadevergoeding: Totaalbedrag van door [geanonimiseerd] aan [verzekeraar] betaalde facturen.
-3: Immateriële schadevergoeding: Totaalbedrag van schade 3.1, 3.3, 3.4, vermeld in onderstaande mail.

3.10 Op 14 mei 2025 heeft verweerder gereageerd en de vader van klager meegedeeld dat, ondanks herhaalde zorgvuldige en adequate reacties, de gemachtigde bleef komen met nieuwe aantijgingen en de reacties van verweerder kennelijk niet als toereikend werden ervaren. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat het hem verstandig leek de correspondentie te beëindigen om verdere escalatie te voorkomen.

3.11 Desalniettemin zijn nog vele e-mailberichten gevolgd van de gemachtigde van klager aan verweerder en zijn collega’s. Hier is niet meer door verweerder op gereageerd.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Het klaagschrift omvat, ten aanzien van verweerder, 19 afzonderlijk genummerde
klachtonderdelen. Nu deze klachten inhoudelijk nauw met elkaar samenhangen en deels dezelfde feiten en verwijten betreffen, ziet het college aanleiding de klachten gebundeld en samengevat weer te geven. Klager verwijt de verweerder dat hij:


a) Zich onjuist heeft opgesteld door misbruik te maken van zijn positie als opdrachtgever, door het opnemen van onjuiste informatie in de afsluitbrief aan de huisarts en in een e-mail, door niet te reflecteren op de door klager geuite klachten over de bij de behandeling betrokken zorgverleners en door niet aanspreekbaar te zijn op gemaakte fouten.
b) Heeft nagelaten de bij de behandeling van klager betrokken zorgverleners adequate instructies en adviezen te geven dan wel deze op te leggen ten aanzien van het verlenen van zorg, het erkennen van fouten, het reageren op klachten en het aanspreekbaar zijn op fouten. Tevens heeft hij nagelaten deze zorgverleners op gemaakte fouten te wijzen, maatregelen te treffen ter beperking of herstel van de door klager gestelde schade en de onderhavige tuchtklacht te voorkomen.
c) Zich schuldig heeft gemaakt aan declaratiefraude, oplichting en valsheid in geschrifte en zich hiervoor niet aanspreekbaar heeft opgesteld.

4.2 Verweerder heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft verweerder het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de GZ-psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) en b) onjuiste opstelling en nalaten van geven instructies en adviezen
5.2 Vaststaat dat verweerder bestuurder is van de GGZ-instelling waar klager werd behandeld, maar zelf geen behandelrelatie heeft gehad met klager. De klacht kan daarom niet getoetst worden aan de eerste tuchtnorm van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de beroepen van de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG).

5.3 De vraag is vervolgens of de verweten gedragingen onder a) en b) wel onder de tweede tuchtnorm vallen. Onder de tweede tuchtnorm dient een beroepsbeoefenaar zich – ook buiten een directe patiëntrelatie - te gedragen zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Voor ontvankelijkheid van de klacht onder de tweede tuchtnorm, en daarmee de beoordeling of niet in strijd is gehandeld met die betamelijkheidsnorm, is noodzakelijk dat het verweten handelen of nalaten voldoende weerslag heeft (of kan hebben) op de individuele gezondheidszorg van klager.

5.4 Het college stelt voorop dat bij toepassing van het tuchtrecht terughoudendheid moet worden betracht als er sprake is van handelen in functies zoals die van de verweerder als bestuurder van de GGZ-instelling, dat wil zeggen als het handelen van de GZ-psycholoog niet de zorg aan een individuele patiënt betreft, maar zoals in dit geval betrekking heeft op de organisatie van de zorg en de randvoorwaarden waaronder die wordt verleend.

5.5 Het college stelt vast dat klager onvoldoende concreet heeft gemaakt op welke wijze het verweten handelen gevolgen heeft gehad voor het belang van de individuele gezondheidszorg. Klager heeft volstaan met algemene stellingen, zonder deze te onderbouwen met feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat het handelen van verweerder heeft geleid tot aantasting van de kwaliteit van zorg, tot risico’s voor patiënten of tot structurele tekortkomingen in de zorgverlening.

5.6 Het college merkt in dit verband op dat het tuchtrecht uitsluitend ziet op gedragingen die een voldoende nauwe samenhang vertonen met de individuele gezondheidszorg. Nu een dergelijke samenhang in dit geval ontbreekt, en klager deze ook niet, althans onvoldoende, heeft gesteld en onderbouwd, kan niet worden geoordeeld dat het verweten handelen tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

5.7 Het college zal de klacht daarom niet inhoudelijk bespreken en beslissen dat klager niet-ontvankelijk is voor wat betreft klachtonderdelen a) en b).

Klachtonderdeel c) declaratiefraude, oplichting en valsheid in geschrifte
5.8 Klager stelt dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan declaratiefraude, oplichting en valsheid in geschrifte door drie behandelsessies van 60 minuten bij de zorgverzekeraar te declareren, terwijl er volgens klager in totaal slechts 60 minuten behandeling heeft plaatsgevonden, verdeeld over twee sessies van 20 en 40 minuten. Klager voert aan dat deze declaraties niet overeenstemmen met de daadwerkelijk verleende zorg.

5.9 Het college overweegt dat dergelijke ernstige verwijten een deugdelijke feitelijke onderbouwing vereisen. Klager heeft zijn stellingen echter niet onderbouwd met objectieve gegevens, zoals behandelregistraties, agenda-overzichten of correspondentie waaruit de gestelde discrepantie tussen de gedeclareerde en daadwerkelijk verleende zorg kan worden afgeleid.

5.10 Daartegenover blijkt uit de overgelegde stukken dat de behandelsessies hebben plaatsgevonden, maar dat verweerder de betreffende facturen desondanks heeft gecrediteerd om aan klager tegemoet te komen. Reeds hierom kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van benadeling van de zorgverzekeraar of van opzet gericht op onjuiste declaratie. Evenmin is gebleken van enig ander handelen of nalaten dat als tuchtrechtelijk verwijtbaar kan worden aangemerkt.

5.11 Het college komt dan ook tot de conclusie dat niet is gebleken van declaratiefraude, oplichting of valsheid in geschrifte. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager niet-ontvankelijk is voor wat betreft klachtonderdelen a) en b) en de klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.

6. De beslissing
Klager is niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdelen a) en b).
De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 3 maart 2026 door W.A.H. Melissen, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist, A.T. Prinsen-Reinders, I.E. Visser en S.J.A. de Vries, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.