ECLI:NL:TGZRAMS:2026:40 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8735
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:40 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8735 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in klacht tegen een psychotherapeut. Klaagster was in therapie bij een collega van de psychotherapeut. Bij een gesprek dat plaatsvond toen de collega de behandeling met klaagster wilde beëindigen, was de psychotherapeut als toehoorder aanwezig. Klaagster verwijt de psychotherapeut (onder meer) dat zij het handelen van haar collega niet ter discussie heeft gesteld. Eerste en tweede tuchtnorm zijn hier niet van toepassing. |
A2025/8735
Beslissing van 3 maart 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 3 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
psychotherapeut,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de psychotherapeut.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster was in therapie bij een collega van de psychotherapeut (tegen wie
een tuchtklacht is ingediend met zaaknummer A2025/8736). Verweerster is bij één gesprek,
dat plaatsvond toen de collega de behandeling van klaagster wilde beëindigen, als
toehoorder aanwezig geweest. Klaagster verwijt de psychotherapeut dat zij het handelen
van haar collega niet ter discussie heeft gesteld, zich heeft laten gebruiken bij
collegiale samenwerking voor handelingen in strijd met de beroepsethiek en haar collega
niet heeft gewezen op de wet- en regelgeving rondom beëindiging van de behandelrelatie.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 juli 2025;
- het verweerschrift.
2.1 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
3.1 Het college komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is.
Hiertoe overweegt het college als volgt.
De eerste tuchtnorm
3.2 De eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 sub a van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg (Wet BIG)) gaat over verleende zorg met betrekking tot
een patiënt (en diens naasten). Als eerste moet daarom worden beoordeeld of er tussen
partijen sprake is geweest van zorg binnen een arts-patiëntrelatie.
3.3 Van dergelijke zorg van de psychotherapeut aan klaagster is geen sprake. Klaagster
is geen patiënt (geweest) van verweerster en verweerster heeft naar het oordeel
van het college geen inhoudelijke bemoeienis gehad met de behandeling van klaagster.
Er is geen sprake geweest van zorg in het kader van een behandelrelatie. De eerste
tuchtnorm is daarom niet van toepassing op deze klacht.
De tweede tuchtnorm
3.4 Handelingen van een BIG-geregistreerde die in de privésfeer plaatsvinden kunnen
in
bepaalde gevallen wel worden getoetst aan de tweede tuchtnorm van artikel 47, eerste
lid, aanhef en onder b van de Wet BIG. Daarbij gaat het om handelen of nalaten buiten
een behandelrelatie in strijd met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. In
de Memorie van Toelichting is de beoogde invulling van die norm toegelicht:
“De wijziging beoogt te verduidelijken dat het tuchtrecht tevens van toepassing is
in de volgende situaties. (…) als een BIG-geregistreerde in de privésfeer of in de
hoedanigheid van een ander beroep dan waarvoor hij is geregistreerd zich schuldig
maakt aan misdragingen van dien aard en ernst dat hij een gevaar voor patiënten vormt
of het vertrouwen in de beroepsbeoefening ernstig schaadt. Hier moet gedacht worden
aan levens-, gewelds-, en zedendelicten, zoals seksueel misbruik of ernstige mishandeling.”
(Kamerstukken II, 2016/17, 34629, 3 (MvT), p. 22).
3.5 Het college merkt op dat ook minder ernstig handelen buiten een behandelrelatie,
maar wel in de hoedanigheid van het beroep waarvoor een zorgverlener BIG-geregistreerd
is, onder de tweede tuchtnorm kan vallen. In ieder geval moet het handelen zijn weerslag
hebben op het belang van de individuele gezondheidszorg.
3.6 In dit licht oordeelt het college als volgt. Op 16 mei 2025 is de psychotherapeut
aanwezig geweest bij een gesprek tussen klaagster en de collega van de psychotherapeut.
In dit gesprek heeft de collega onder meer uitgelegd waarom hij de behandelrelatie
met klaagster wenste te beëindigen. De psychotherapeut heeft tijdens dit gesprek geen
inhoudelijke rol gehad, maar was aanwezig als toehoorder op verzoek van haar collega
omdat klaagster eerder had aangegeven zich onveilig te hebben gevoeld.
3.7 Het college overweegt dat een beroepsbeoefenaar in beginsel niet inhoudelijk verantwoordelijk is voor door een andere BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar verleende zorg. Het persoonlijk handelen of nalaten staat centraal, waarbij iedere zorgverlener de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt voor zijn eigen handelen. Dat uitgangspunt geldt ook voor verweerster.
3.8 Het college komt tot de conclusie dat het handelen van de psychotherapeut niet
voor
toetsing onder de tweede tuchtnorm in aanmerking komt. Niet is gebleken dat het
handelen van verweerster weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg, zoals vereist
is voor toepasselijkheid van de tweede tuchtnorm.
3.9 Het college zal de klacht daarom niet inhoudelijk bespreken en beslissen dat klaagster niet-ontvankelijk is.
3.10 Ten overvloede merkt het college op dat het juist als zorgvuldig dient te worden gezien dat gehoor wordt gegeven aan een verzoek om bijstand van een collega bij het voeren van dit soort (moeilijke) gesprekken. Het college vindt het positief dat de psychotherapeut hieraan heeft meegewerkt.
4. De beslissing
Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven op 3 maart 2026 door W.A.H. Melissen, voorzitter, L.J.
Knap, lid-jurist, A.T. Prinsen-Reinders, I.E. Visser en S.J.A. de Vries, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.