ECLI:NL:TGZRAMS:2026:4 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8661
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:4 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-01-2026 |
| Datum publicatie: | 06-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8661 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klager is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart. De arts heeft geadviseerd tot afwijzing van de aanvraag. Klager verwijt de arts dat hij een onjuist sociaal-medisch advies heeft gegeven en dat hij heeft geweigerd om aan klager medische stukken te sturen. Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. |
A2025/8661
Beslissing van 6 januari 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 6 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
arts,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart
(hierna: GPK). De arts heeft geadviseerd tot afwijzing van de aanvraag. Klager verwijt
de arts dat hij een onjuist sociaal-medisch advies heeft gegeven en dat hij heeft
geweigerd om aan klager medische stukken te sturen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klager van 22 september 2025, binnengekomen op 25 september 2025,
met bijlagen, waaronder een USB-stick met de geluidsopname van het keuringsonderzoek;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 9 oktober 2025;
- de e-mail van klager van 12 oktober 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager heeft bij de gemeente waar hij woont een GPK aangevraagd. Naar aanleiding
van dit verzoek heeft de gemeente aan D gevraagd een sociaal-medisch advies op te
stellen. De arts is werkzaam voor D en verricht voor haar sociaal-medische onderzoeken.
3.2 Op 29 januari 2025 is klager op het spreekuur van de arts geweest. De arts heeft bij klager een anamnese afgenomen en heeft een bewegingsonderzoek gedaan. Aan het eind van het spreekuur heeft klager een toestemmingsverklaring ondertekend voor het opvragen van medische informatie. De arts heeft nadere informatie opgevraagd bij de huisarts en de psychiater van klager.
3.3 Op 21 februari 2025, na ontvangst van de informatie van de huisarts van klager, heeft de arts zijn concept medisch advies opgesteld. Over het bewegingsonderzoek heeft de arts in het advies geschreven:
“Na enkele passen stopt client en meldt hij op diverse plaatsen pijn te ervaren. Na
de afspraak wandelt hij alleen, zonder merkbaar ongemak, de gang richting de lifthal
uit.”
Over de anamnese heeft de arts het volgende opgenomen:
“Er zijn geen medisch objectiveerbare aandoeningen geconstateerd waarop client het
recht zou hebben op een vergunning. Client meent recht te hebben op een parkeerkaart.
Iedere vraag wordt beantwoord met een uiteenzetting over procedures.”
3.4 In de conclusie heeft de arts geadviseerd om geen GPK aan klager toe te kennen. Klager heeft het rapport geblokkeerd, waardoor het niet aan de gemeente is toegezonden.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat hij:
a) geen of onvoldoende medische stukken heeft opgevraagd;
b) geweigerd heeft om medische stukken aan klager toe te zenden;
c) feitelijke onjuistheden in het adviesrapport heeft opgenomen;
d) een inhoudelijk onjuist adviesrapport heeft geschreven;
e) ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast.
Volgens klager heeft de arts onzorgvuldig en oninteger gehandeld.
4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Volgens vaste jurisprudentie moet een advies zoals de arts heeft opgesteld voldoen
aan de volgende eisen:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek uit het oogpunt van vakkundigheid
en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie
van de rapportage beoordeelt het college of de arts in redelijkheid tot zijn conclusie
heeft kunnen komen. Dit laatste betreft dus een zogenoemde marginale beoordeling.
5.3 Voor het beoordelen van het handelen van de arts is in deze zaak ook van belang de Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart 2022 (hierna: de Richtlijn GPK). Hierin zijn de uitgangspunten voor de medische beoordeling nader uiteengezet. Op grond van de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart kunnen bestuurders in aanmerking komen voor een GPK indien zij met de gebruikelijke hulpmiddelen in redelijkheid niet meer dan honderd meter kunnen lopen. Ook dient op grond van de zogeheten hardheidsclausule te worden beoordeeld of er sprake is van een aantoonbare ernstige beperking, anders dan een loopbeperking, die het verkrijgen van een GPK rechtvaardigt.
Klachtonderdeel a, d en e) onvoldoende medische informatie opgevraagd, het advies
is inhoudelijk onjuist en de hardheidsclausule is ten onrechte niet toegepast
5.4 De klachtonderdelen a, d, en e gaan over het sociaal-medisch advies dat de arts
heeft gegeven. Vanwege de samenhang beoordeelt het college deze klachtonderdelen gezamenlijk.
5.5 Het college is van oordeel dat het door de arts opgestelde advies voldoet aan de hiervoor genoemde eisen. De arts heeft vermeld uit welke onderdelen het onderzoek bestond. Hij heeft beschreven wat zijn bevindingen waren bij het bewegingsonderzoek en de anamnese en van welke medische stukken hij heeft kennisgenomen. Conform paragraaf 1.4 van de Richtlijn GPK is deze informatie in het advies beknopt weergegeven. Over het opvragen van medische stukken heeft de arts in zijn verweerschrift toegelicht dat de psychiater geen informatie wilde verstrekken, omdat hij zich niet vrij voelde om dit met de arts te delen. Verder heeft hij informatie van de huisarts opgevraagd en ontvangen. De huisarts noemt de bij de praktijk door klager beschreven klachten sinds 2015 en vermeldt dat er niks staat beschreven over de loopfunctie. Daarom kan de huisarts daar geen uitspraak over doen. Naar het oordeel van het college had de arts aldus voldoende gegevens voor het opstellen van zijn advies en was het niet nodig om aanvullende informatie op te vragen. De arts heeft vermeld waarom de beschikbare informatie en het spreekuuronderzoek hebben geleid tot de conclusie dat klager niet in aanmerking komt voor een GPK. Deze conclusie volgt voldoende uit de in het advies opgenomen bevindingen en de arts heeft ook in redelijkheid tot deze conclusie kunnen komen. Op basis van de stukken kon niet worden afgeleid dat bij klager sprake was van een fysieke loopbeperking waardoor hij niet in staat zou zijn om honderd meter te lopen. Er is bij hem ook geen aandoening geconstateerd op grond waarvan loopbeperkingen te verwachten zijn. Ook is niet gebleken dat er sprake is van andere aandoeningen die maken dat het voor klager noodzakelijk is om dichtbij te moeten parkeren. Er was daarom geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
5.6 Dat klager bij andere keuringen een positief advies heeft gekregen voor het toekennen van voorzieningen vanuit de WMO of de gemeente betekent niet dat het sociaal-medisch advies van de arts niet zorgvuldig is geweest. Iedere arts die een keuring verricht, heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid en dient zelfstandig te adviseren op basis van de informatie die bij het eigen onderzoek is verkregen.
5.7 De klachtonderdelen a, d en e zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) het advies bevat feitelijke onjuistheden
5.8 Klager stelt dat er onjuistheden in het rapport staan en dat de arts dit niet
heeft aangepast. Zo heeft de arts in het rapport niet de volledige voorletters van
klager vermeld, heeft hij ten onrechte aangekruist dat klager alleen een GPK voor
een bestuurder heeft aangevraagd en dat klager geen gebruik maakt van hulpmiddelen
voor het overbruggen van de afstand tussen de woning en de auto. Verder heeft hij
ten onrechte niet aangekruist dat hij intercollegiaal overleg heeft gevoerd. Daarnaast
voert klager aan dat de arts hem niet heeft gewezen op het correctierecht.
5.9 Het college stelt vast dat in het advies inderdaad niet de tweede voorletter van klager is vermeld. Dit betreft een geringe omissie en het is niet gebleken dat hierdoor verwarring is ontstaan over de onderzochte persoon. Voor het aan de orde stellen van een dergelijk kleine omissie is het tuchtrecht niet bedoeld.
5.10 Ten aanzien van de overige door klager genoemde punten heeft het college niet
kunnen vaststellen dat er sprake is van feitelijke onjuistheden. Op de geluidsopname
van het spreekuur is te horen dat klager bevestigt dat hij alleen een GPK voor een
bestuurder heeft aangevraagd. Ook is te horen dat de arts aan het eind van het spreekuur
aan klager een
formulier voor het correctierecht overhandigt.
5.11 Volgens klager past zijn rolstoel niet in zijn auto. Hij kan die dus niet in zijn auto meenemen, terwijl hij de GPK heeft aangevraagd als bestuurder. Op grond daarvan is het aannemelijk dat hij die rolstoel ook op andere momenten niet gebruikt om de afstand van zijn huis tot de auto – en op de plaats waar hij naartoe rijdt: niet van zijn auto tot zijn bestemming – te overbruggen. Onder die omstandigheden kan het aankruisen van de hierop betrekking hebbende zin in het format van het sociaal-medisch advies niet onjuist worden geacht.
5.12 Verder heeft de arts volgens klager kennisgenomen van eerdere keuringsrapporten en heeft hij (door dat te doen) collegiaal overleg gevoerd. Dat is niet het geval. Collegiaal overleg houdt in dat een arts met een collega over een bepaalde patiënt of betrokkene spreekt, vanuit de gedachte ‘twee weten meer dan een’. De arts heeft betwist dat hij collegiaal overleg heeft gepleegd en daar zijn ook geen aanwijzingen voor.
5.13 Klachtonderdeel c is daarom ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) weigeren toezenden informatie aan klager
5.14 Klager verwijt de arts dat hij heeft geweigerd om medische stukken te sturen,
ondanks terugbelverzoeken en herhaaldelijke schriftelijke verzoeken. De arts heeft
naar voren gebracht dat deze verzoeken hem nooit hebben bereikt, maar dat hij hier
anders wel aan zou hebben meegewerkt, omdat klager hier recht op heeft.
5.15 Het college stelt vast dat klager zijn verzoeken heeft gestuurd aan D. Het college kan niet vaststellen dat verweerder hierover is geïnformeerd. Dat er geen informatie aan klager is toegezonden en dat klager niet is teruggebeld valt de arts daarom niet te verwijten. Klachtonderdeel b is kennelijk ongegrond.
5.16 Het is duidelijk dat klager het niet eens is met het advies van de arts. Het college kan echter niet vaststellen dat de arts onzorgvuldig of niet integer zou hebben gehandeld bij het opstellen van zijn advies.
Slotsom
5.17 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 6 januari 2026 door N.B. Verkleij, voorzitter, M.
Keus en F.J. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind,
secretaris.